In 1953 werden in een afgelegen, dichtbebost gebied in Oklahoma twee groepen elf- en twaalfjarige jongetjes samengebracht. Zogenaamd voor een zomerkamp, maar er zat een team wetenschappers achter met een uitgekiend plan. De jongetjes waren geselecteerd op hun overeenkomsten: wit, protestant en afkomstig uit de middenklasse. En hoewel ze allemaal uit de buurt van Oklahoma City kwamen, hadden ze elkaar nog nooit ontmoet.

In de eerste week van het onderzoek naar groepsvorming, bekend geworden als het Robbers Cave-experiment, kampeerden de jongensgezelschappen gemoedelijk op aparte maar nabijgelegen kampeerterreinen, nog zonder van elkaars bestaan te weten. Nadat ze elkaar ontdekt hadden, sloeg de sfeer snel om. Er werden competitieve spelletjes gespeeld, hutten binnengevallen, vlaggen in de fik gestoken en stenen verzameld om een mogelijke aanval neer te kunnen slaan. Anders dan in de eerste week voelden de kampen ineens de noodzaak om zichzelf namen te geven: de Adelaars en de Ratelslangen.

De Ratelslangen gingen zich gedurende het experiment als stoer en grofgebekt profileren, waarna de Adelaars zich van hen distantieerden door zich juist netter te gedragen. De hufters versus de watjes.

Dat de jongetjes waren geselecteerd op hun gelijksoortige achtergrond mocht niet baten – de twee groepen kwamen in een paar dagen tijd lijnrecht tegenover elkaar te staan. Ze begonnen zichzelf en elkaar bepaalde eigenschappen toe te dichten om zich, ondanks hun overeenkomsten, van elkaar te onderscheiden. Naar die nieuwe identiteiten werd vervolgens ook gehandeld. Zo gingen de Ratelslangen zich gedurende het experiment als stoer en grofgebekt profileren, waarna de Adelaars zich van hen distantieerden door zich juist netter te gedragen. De hufters versus de watjes.

Wij-zij-retoriek

Als het om identiteit gaat, wil de Ghanees-Britse filosoof Kwame Anthony Appiah maar zeggen met dit voorbeeld, kan er in een paar dagen een heleboel gebeuren. In zijn boek De leugens die ons binden, de Nederlandse vertaling van zijn vorig jaar verschenen The Lies That Bind, maakt de New York University-professor ook meteen duidelijk dat sociale identiteiten op misvattingen berusten.

‘De jongens ontwikkelden geen tegengestelde identiteiten omdat ze verschillende normen hadden,’ schrijft hij over de Adelaars en de Ratelslangen, maar ‘ze ontwikkelden verschillende normen omdat ze tegengestelde identiteiten hadden.’ Als de ander niet anders genoeg is, kortom, dan zorgt men daar wel voor. Denk aan alle populistische wij-zij-retoriek waar we de laatste jaren onder bedolven zijn, die het kleinste verschil in de schijnwerpers zet en iedere overeenkomst zorgvuldig onder het tapijt veegt. Onze manier van leven!

We zijn geneigd om generieke uitspraken over een bepaalde groep sneller te geloven als die uitspraken negatief zijn.

Niemand hoeft overigens de illusie te hebben hier helemaal boven te staan, stelt Appiah. De mens is een kliekerig wezen dat de voorkeur geeft aan zijn eigen soort en er makkelijk toe te verleiden is om zich tegen buitenstaanders te keren. Ook al is die eigen soort waar we ons toe verhouden relatief en veranderlijk, net als wie we tot buitenstaanders rekenen en op welke gronden. Omdat we geneigd zijn om generieke uitspraken over een bepaalde groep sneller te geloven als die uitspraken negatief zijn, kun je ons prima wijsmaken dat bepaalde mensen slecht zijn. Of we daar even aan kunnen denken, vraagt Appiah tussen neus en lippen door, de volgende keer dat iemand moslims terroristen noemt.

Animals en rapists

Ter demonstratie het Zarpie-experiment, een ander onderzoek met kinderen dat Appiah aanhaalt om de maakbaarheid van identiteit te demonstreren, maar ook het gevaar van stereotypering. Voor dat experiment lieten psycholoog Marjorie Rhodes en haar collega’s aan twee groepen vierjarigen plaatjes zien van verschillende personen — oud, jong, man, vrouw, latino, Aziaat, zwart of wit — en vertelden daarbij dat die mensen Zarpies heetten. Tegen de ene groep kleuters werden vervolgens een heleboel generieke opmerkingen over Zarpies gemaakt, zoals dat ze allemaal bang waren voor lieveheersbeestjes, terwijl de andere groep kleuters juist op unieke eigenschappen werd gewezen, bijvoorbeeld dat één bepaalde Zarpie bang was voor lieveheersbeestjes.

Toen de kinderen een paar dagen later weer een plaatje te zien kregen, met daarbij de mededeling dat deze Zarpie een zoemgeluid maakte, bleek de groep die de generieke opmerkingen voorgeschoteld had gekregen daar eerder uit te concluderen dat álle Zarpies zoemgeluiden maakten. Kwamen de Zarpies nog goed mee weg. Ze hadden ook als animals en rapists weggezet kunnen worden waarna er een muur van Kapla zou zijn opgetrokken.

Vergiftigd door vooroordelen

Volgens Appiah is de wereld vergiftigd door alle vooroordelen over geloof, land, klasse, kleur en religie, tevens de titels van de vijf hoofdstukken waarin hij zijn betoog opbouwt. Identiteiten zorgen ervoor dat de macht ongelijk is verdeeld. Ze kunnen mensen verdelen en tegen elkaar opzetten en zijn daarom in potentie erg gevaarlijk. ‘Zij kunnen de vijanden van menselijke solidariteit zijn, de bron van oorlog, ruiters van talloze apocalypsen, van Apartheid tot genocide.’ Neem de Jodenvervolging, de volkerenmoord in Rwanda of de Armeense genocide, die allemaal een homogene natie als doel hadden.

We moeten identiteiten beter leren begrijpen en ons losmaken van alle misvattingen die erover bestaan.

Niet dat Appiah identiteiten per definitie verkeerd vindt – integendeel, we zouden niet zonder kunnen. Ze verdelen ons, maar verenigen ons ook. Vrouwen vechten gezamenlijk, ongeacht klasse, taal, religie of land van herkomst, tegen allerlei vormen van vrouwenonderdrukking, en ook arbeiders trekken samen op in de strijd voor gelijkheid. Maar we moeten identiteiten volgens Appiah wel beter leren begrijpen en ons losmaken van alle misvattingen die erover bestaan. Als we ze hervormen, fantaseert hij, kunnen ze ons juist in staat stellen om dingen samen te doen.

Dames en heren

Als Appiah iets duidelijk weet te maken, is het dat nadenken over identiteit, zoals de laatste jaren veelvuldig gebeurt, geen westerse millennial-aangelegenheid is, wat nogal eens wordt beweerd door ontevreden twitteraars en eindeloos in herhaling vallende columnisten. Neem nou het fenomeen gender, dat graag wordt weggezet als het ijdele tijdverdrijf van Randstedelingen met te weinig echte problemen. Wéér zo’n extra letter in het toch al onleesbare rijtje LGBTTQQIAAP, en worden we nu ook al niet meer met ‘dames en heren’ aangesproken in de trein? Vroeger deden mensen tenminste nog gewoon normaal, is het idee, en elders hebben ze wel wat beters aan hun hoofd.

Tegenwoordig gebruiken Amerikaans-Indiaanse activisten de term ‘two spirit’ voor mensen die niet zomaar in de categorie man of vrouw passen.

Maar Appiahs voorbeelden, veelal uit de geschiedenis, de literatuur en niet-westerse culturen, laten zien dat dergelijke maatschappelijke discussies niet uit de lucht komen vallen. De Indiase hijera’s bijvoorbeeld zijn biologisch gezien mannelijk maar gedragen en kleden zich vrouwelijk. En ook de Noord-Amerikaanse Navajo’s kenden in de negentiende eeuw een verscheidenheid aan genders.

Tegenwoordig gebruiken Amerikaans-Indiaanse activisten de term ‘two spirit’ voor mensen die niet zomaar in de categorie man of vrouw passen. En om te demonstreren dat gender geen biologische onvermijdelijkheid is maar een reeks ideeën over wat mannen en vrouwen zijn en hoe zij zich dienen te gedragen, vertelt Appiah over Japanse meisjes die hun hand voor hun mond houden als ze lachen, omdat dat nu eenmaal is wat ze wordt aangeleerd.

Lees ookLiteraire Kroniek: De persoonlijke identiteit heeft de toekomst, zeggen filosofen Fukuyama en Appiah14 oktober 2018
Morele gelijkheid

Een van de dingen die Appiah hoopt te bereiken, is gelijkheid. Niet dat hij elke mogelijke hiërarchie uit wil roeien. ‘De toebedeling van sociale achting zal altijd in het voordeel zijn van de betere romanschrijver, de belangrijkere wiskundige, de gewiekstere zakenman, de snellere hardloper, de effectievere sociale ondernemer.’ De verdeling van economisch, menselijk en sociaal kapitaal kan nu eenmaal nooit voor iedereen even goed uitpakken, al zijn er genoeg mogelijkheden om het een beetje recht te trekken. Zo zou ieder kind toegang moeten hebben tot fatsoenlijk onderwijs en kan ook een maatregel als erfrechtbelasting voor gelijkere kansen zorgen.

Maar Appiah heeft het over morele gelijkheid: dat alle mensen waardig worden behandeld, ook als ze niet de genetische loterij hebben gewonnen of door historische toevalligheden op een goede plek ter wereld zijn gekomen. Wat we nog niet weten, stelt hij, is hoe we af kunnen komen van de minachting jegens minder bevoorrechten en de benamingen, normen en bejegeningen die daarmee gepaard gaan. Hij noemt het een ‘urgent collectief streven’ om daar iets op te verzinnen.

Ter illustratie een anekdote van Michael Young, de Britse socioloog en baron die als tiener op een kostschool zat waar hij leerde om zijn medepupillen als gelijken te zien. ‘Sommige mensen waren beter in pottenbakken of poëzie of timmeren of scheikunde of aardrijkskunde of tuinieren. Geen van deze prestaties maakte jou belangrijker.’

Landsgrenzen en andere kunstmatige afbakeningen behoeden ons niet voor een wereldwijd gevaar.

Het klinkt utopisch, dat idee van morele gelijkheid, en gaat uit van een erg rooskleurig mensbeeld. Dat geldt al helemaal voor de suggestie waar Appiah De leugens die ons binden mee afsluit: we moeten ons allemaal laten verbinden door onze gezamenlijke identiteit, die van mens. Landsgrenzen en andere kunstmatige afbakeningen behoeden ons niet voor een wereldwijd gevaar. Nu we met zeven miljard medebewoners zijn aangewezen op een kleine, opwarmende planeet, wordt er een beroep gedaan op ons vermogen om identiteitsoverstijgend te handelen.

Utopisch: ja. Maar ook weer niet geheel ondenkbaar. Elders in het boek schrijft Appiah dat evolutiepsychologen ervan uitgaan dat we ooit groepen zijn gaan vormen om te overleven en ons tegen prehistorische gevaren te beschermen. Wat dat betreft is dit inderdaad een goed moment, evolutionair gezien, om die groepen even te laten voor wat ze zijn. Nu alleen nog zorgen dat ieder mens de gevaren van de moderne tijd erkent.

De leugens die ons binden is op 10 oktober verschenen bij Uitgeverij Pluim.