Op 26 april ontplofte er een bommetje in de wereld van de kinderopvang. CDA-minister Karien van Gennip (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) kondigde aan dat het plan om per 2025 alle werkenden gratis kinderopvang aan te bieden wordt uitgesteld tot 2027.

De Brancheorganisatie Kinderopvang (BK), vertegenwoordiger van vrijwel alle commerciële kinderopvangorganisaties, haalde opgelucht adem. Zij wees al langere tijd op de onhaalbaarheid van het plan. Met het huidige personeelstekort zou de sector de verwachte groei helemaal niet aankunnen. Bijkomend effect was dat ze nu ook ontsnapte aan een stortvloed van kritische vragen – vooral van de linkse oppositiepartijen – over het verdienmodel van de deels aan private equity gelieerde kinderopvangreuzen die door opkopen, bundelen en lucratiever maken van kleine kinderopvangorganisaties grote winsten maken bij doorverkoop. Nu er voorlopig toch geen 2,2 miljard euro extra overheidsgeld in de branche wordt gepompt, worden dit soort vragen minder prangend. 

De Brancheorganisatie Maatschappelijke Kinderopvang (BMK) was daarentegen helemaal niet blij. De club die veel niet-commerciële kinderopvangorganisaties vertegenwoordigt, ziet gratis kinderopvang als ideaal middel om ouders te ontzien, meer mensen langer aan het werk te krijgen én kinderen te helpen om zich beter te ontwikkelen. Zij beschouwen gratis kinderopvang voor álle kinderen, ongeacht de werksituatie van de ouders, als de aangewezen manier om kinderen voor te bereiden ‘op een wereld waarin jonge mensen samenwerken, zich verantwoordelijk voelen voor elkaar, voor hun omgeving en zorgen voor elkaar.’ Dat komt volgens de BMK omdat de kinderopvang de ideale plek is voor baby’s en peuters ‘om de sociale (interactie) vaardigheden’ op te doen die zij nodig hebben ‘om de uitdagingen van de toekomst aan te kunnen’.

Pedagogische kwaliteit

Wat betreft de maatschappelijke opdracht en de financiering van de kinderopvang staan de BK en de BMK lijnrecht tegenover elkaar. Toch is er één onderwerp waar beide brancheorganisaties het wél roerend over eens zijn: de pedagogische kwaliteit (denk aan onder andere aandacht voor baby’s, het stimuleren van de ontwikkeling, emotionele veiligheid) van de Nederlandse kinderopvang is goed. Zó goed dat de voorzitters van beide organisaties niet bezorgd maar juist heel enthousiast reageerden toen de minister vorig jaar meedeelde dat de toezichthouders de kwaliteitsregels tot halverwege 2024 minder streng zouden gaan handhaven en voortaan niet een derde maar de helft van alle leidsters op de groep uit stagiaires mocht bestaan.

Ook over de meest kwetsbare groep in de kinderopvang, de baby’s, lijken beide brancheorganisaties zich weinig zorgen te maken. In 2018 gaf de BK bijvoorbeeld tips hoe je een berisping van de inspectie kunt voorkomen als je de zogeheten ‘vastegezichtenregel’ overtreedt – een maatregel die in 2018 juist ingesteld was om ervoor te zorgen dat baby’s een veilige gehechtheidsrelatie kunnen opbouwen met degenen die voor hen zorgen, een voorwaarde voor een emotioneel gezonde ontwikkeling.

Toen de minister aankondigde uit te gaan zoeken of deze strenge regel niet permanent kon worden teruggedraaid, reageerde de BK verheugd. Ook de BMK was blij. Dit was namelijk precies waar zij voor had gepleit: ‘Vaste gezichten zijn enorm belangrijk voor kinderen,’ schrijft de organisatie in een brief aan de minister in april 2022. ‘Daar hechten wij grote waarde aan. Wij zien echter ook problemen bij een deel van de uitvoering in de babygroepen.’ Het verruimen van de vastegezichtenregeling en de erkenning van de stagiair als ‘vast gezicht’ zou volgens de BMK die problemen kunnen verhelpen.

Emotionele incidenten

Tijdens het kinderopvangdebat dat op 10 mei plaatsvond in de Tweede Kamer, werd de door de brancheorganisaties gedeelde kwaliteitsopvatting nog eens benadrukt door minister Van Gennip: ‘De Nederlandse kinderopvang behoort tot de top van Europa’. Later voegde zij daar nog aan toe dat ouders ook nooit genoegen zouden nemen met slechte kwaliteit. Zij fungeren immers als ‘een soort marktmeester’.

Kort na dit debat schetste zowel NRC als de Volkskrant hoe die Europese ‘topkwaliteit’ er in de praktijk uitziet. ‘De opvang gaat om half acht open,’ schrijft Marie van Hasselt, een freelance pedagogisch medewerker in een opiniestuk in NRC. ‘Vaak staat er dan al een ouder met een kind te wachten. Tijd om je voor te bereiden – hapjes klaar maken, stoelen van tafel tillen en, doe eens gek: koffiezetten – heb je niet. Vaak beginnen medewerkers daarom al om zeven uur, zonder hiervoor betaald te worden’.

Ze is onder de indruk van de hoge werkdruk en de inzet van haar collega’s. Het ziekteverzuim in de sector, met 8,3 procent flink hoger dan het landelijk gemiddelde van 5,6 procent, onderstreept deze observatie. Als ik haar een paar dagen later , spreekt ze haar zorg hierover uit. ‘Die werkdruk kan toch niet goed zijn voor kinderen?’.

Een artikel dat kort daarop verschijnt in de Volkskrant bevestigt dat. ‘Incidenten in de kinderopvang nemen rap toe’. ‘Er is sprake van een structureel onveilige situatie’, kopt de krant op 19 mei. In het stuk wordt verwezen naar een enquête van het vakblad Kinderopvangtotaal, waaruit blijkt dat de helft van de zevenhonderd ondervraagde pedagogisch medewerkers zegt dat het aantal incidenten in het afgelopen jaar is toegenomen. De ‘emotionele incidenten’, baby’s die lange tijd huilen, vermoeide pedagogisch medewerkers die kortaf reageren op de kinderen, zijn hier niet in meegenomen.

Niks te verbergen

Hoe kan het dat de minister toch zegt dat de kwaliteit van de Nederlandse kinderopvang zo ontzettend goed is? Dat heeft te maken met het kwaliteitsonderzoek dat in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid werd uitgerold tussen 2017 en 2019. Daaruit zou blijken dat we inderdaad bij de top van Europa horen. Maar wat in dit eindverslag, in 2020 door staatssecretaris Van Ark (VVD) met enthousiasme naar buiten gebracht, niet werd vermeld, is dat maar liefst 67 procent van de aangeschreven partijen, zowel van de BK als van de BMK, weigerde aan dit kwaliteitsonderzoek mee te werken.

Kinderopvangorganisaties weigerden aan het kwaliteitsonderzoek mee te werken om redenen die alle alarmbellen zouden moeten doen rinkelen.

Jaarlijks werd naar 32 van de negenduizend Nederlandse kinderdagverblijven gekeken. Vervolgens zijn die steekproeven bij elkaar opgeteld en kom je uiteindelijke op een steekproef van 96 kinderopvanglocaties – iets meer dan 1 procent van het totaal. Van de 32 aangeschreven organisaties weigerde jaarlijks ongeveer 67 procent mee te doen aan de onderzoeken. Dat betekent niet dat de steekproef kleiner werd: om deze uitvallers te compenseren werden er nieuwe organisaties gezocht – net zo lang tot ze bij 32 organisaties konden observeren. Maar de steekproef is hiermee niet representatief: de kans is groot dat je alleen de organisaties overhoudt die niks te verbergen hebben.

Kinderopvangorganisaties weigerden aan het kwaliteitsonderzoek mee te werken om redenen die alle alarmbellen zouden moeten doen rinkelen: ‘druk met invoering van Wet Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang (IKK)’, ‘geen interesse’, ‘slechte ervaring met vorig onderzoek’, ‘ongunstige timing’, ‘te belastend’, ‘geen meerwaarde’, ‘personeelstekort’, ‘geen toestemming van management’, ‘geselecteerde groep / locatie is niet representatief voor de organisatie’ ‘twijfel aan eigen kwaliteit’, et cetera.

Kinderen zijn de klos

Slachtoffer van deze kwaliteitsillusie zijn de kinderen. Er is namelijk geen partij in het speelveld die er belang bij heeft om de luchtbel door te prikken.

Als de minister het doet, moet ze handelen. Dat betekent: veel geld uittrekken voor een kwaliteitsverbetering. Daarnaast kampt zij als SZW-minister met grote tekorten op de arbeidsmarkt. Twijfelen aan de kinderopvang maakt dat probleem alleen maar groter.

Ook voor de jonge ouders is het ingewikkeld om te twijfelen aan de kwaliteit van de kinderopvang. Als ze hiernaar zouden moeten handelen, komen ze in de problemen: met de huidige lange wachtlijsten vind je niet zo snel een andere crèche, een oppas schud je niet zomaar uit je mouw of is duur, en het alternatief – thuisblijven – is vanwege huur of hypotheek vaak niet mogelijk of onaantrekkelijk.

Voor de Bracheorganisatie Kinderopvang (BK) zijn de voordelen van het ophemelen van de kwaliteit evident. De illusie van hoge kwaliteit voorkomt dat (rijke) ouders kiezen voor alternatieven, zoals een oppas aan huis, of dat ouders minder bereid zijn om de soms hoge uurtarieven te betalen. Zo’n scenario zou niet alleen ten koste gaan van de winstuitkeringen van de commerciële organisaties, maar bij de grote partijen ook het hele verdienmodel in gevaar kunnen brengen – denk aan de private investeerders.

Voor de politiek en ideologisch gedreven Brancheorganisatie Maatschappelijke Kinderopvang (BMK) is het óók belangrijk dat de kwaliteitsillusie in stand wordt gehouden.  Anders blijft er maar weinig over van de onderbouwing van haar streven om alle kinderen gratis kinderopvang aan te bieden.

Pedagogische kwaliteit is niet iets waar je lichtzinnig mee moet omspringen. Als de kinderopvang niet een verbetering is ten opzichte van thuis – en dat is bij baby’s al snel het geval – kan de sociaal emotionele ontwikkeling van kinderen daar ernstig nadeel van ondervinden. En raken we juist verder verwijderd van die door de BMK voorgespiegelde wereld ‘waarin jonge mensen samenwerken, zich verantwoordelijk voelen voor elkaar, voor hun omgeving en zorgen voor elkaar.’

De vraag is dus: hoe zorgen we ervoor dat we een eerlijk beeld krijgen van die kwaliteit? Misschien moet er om te beginnen eens wat beter geluisterd worden naar de pedagogisch medewerkers, zoals Marie van Hasselt voorstelt in het vakblad Kinderopvangtotaal. Zij weten als geen ander hoe het eraan toe gaat op de werkvloer.