De regering heeft de begroting voor volgend jaar rond. Die staat geheel in het teken van koopkrachtreparatie, die volgens Centraal Planbureau (CPB) in doorsnee zou dalen met 6,8 procent van het besteedbaar inkomen. Dat is bijna een maandsalaris en een naoorlogs diepterecord. Voor volgend jaar zou de koopkracht weliswaar licht herstellen, met 0,6 procent, maar dat is een doekje voor het bloeden dit jaar.

De hoofdoorzaak van koopkrachtdaling is de torenhoge inflatie, die dit jaar naar schatting van het CPB op 9,9 procent uitkomt, maar ook volgend jaar hoog blijft met 4,3 procent, door de sterk gestegen energie- en de voedselprijzen.

Een koopkrachtbloedbad in slow motion is in de maak als de energieprijzen zo hoog blijven als nu. Geleidelijk krijgen huishoudens te maken met veel hogere energieprijzen, afhankelijk van hun energiecontract. Een doorsnee huishouden, met een normaal energieverbruik, betaalt nu bij een nieuw contract al gauw 600-700 euro per maand aan energie.

Het CPB raamt dat daarom in twee jaar tijd 330.000 meer mensen in armoede belanden. Dan zitten in 2023 1,3 miljoen mensen (7,6 procent van de bevolking) onder de armoedegrens, waarvan ruim 300.000 kinderen (9,5 procent).

We worden armer

Ook al groeit de Nederlandse economie dit jaar met 4,6 procent als kool, we worden toch armer omdat alle inkomensgroei over de grens verdwijnt in de zakken van energie- en voedselproducenten. Als land kunnen we nu minder kopen met het inkomen dat we verdienen. De stijgingen van de energie- en voedselprijzen zorgen daarom voor een onvermijdelijk koopkrachtverlies, dat fundamenteel niet is te repareren. Die ongemakkelijke waarheid zet de samenleving op scherp. Niemand wil erop achteruit gaan en iedereen verlangt inflatiecompensatie van de overheid. Maar de overheid, dat zijn wij zelf. We verlangen inflatiecompensatie van onszelf.

Als de regering iedereen probeert te compenseren, gebeuren twee dingen. Koopkrachtreparatie van huidige generaties gaat direct ten koste van toekomstige generaties via een hogere staatsschuld. Immers, als Nederland armer wordt, is er domweg minder inkomen te verdelen, nu of in de toekomst.

Door generieke compensatiemaatregelen wordt de koopkrachtreparatie uitgehold, omdat de oververhitting van de economie groter wordt. De spanning op de arbeidsmarkt is om te snijden. Personeel is nauwelijks aan te trekken. De economie botst hard op haar capaciteitsgrenzen. We proberen nu meer te kopen dan we kunnen produceren. De kerninflatie – het inflatiecijfer waar de energie- en voedselprijsstijging is uitgefilterd – staat op 5,2 procent. Als de overheid nu iedereen probeert te compenseren, dan stijgt de vraag in de economie nog harder, terwijl het aanbod begrensd is. Daardoor zal de inflatie verder toenemen en de koopkracht weer dalen.

Het voorkomen van grote armoede aan de onderkant, zónder dat de inflatie verder oploopt, kan alleen als de bovenkant van de samenleving een nóg groter offer brengt.

Zie hier het politieke dilemma voor de coalitie: de regering wil terecht voorkomen dat grote groepen mensen in financiële nood komen. Maar het voorkomen van grote armoede aan de onderkant, zónder dat de inflatie verder oploopt, kan alleen als de bovenkant van de samenleving een nóg groter offer brengt. Naast het koopkrachtverlies voor henzelf, zullen zij ook een extra verlies moeten incasseren om de onderkant te ondersteunen. Alleen dan zal macro-economisch bezien de vraag in de economie en daarmee de inflatie niet stijgen. Dat is politiek onhaalbaar gebleken met VVD en CDA in de coalitie.

Het grote verhaal van deze Prinsjesdag is dat de overheid gerichte steun biedt aan de onderkant, maar ook generieke steun aan alle huishoudens. Alles bij elkaar voor zo’n 16 miljard euro aan maatregelen. Om dat te betalen wordt de regering gered door grote meevallers bij de gasbaten; het spiegelbeeld van de hoge energierekening. Maar dat is niet genoeg. Een deel van de compensatierekening wordt opgebracht door vermogenden en bedrijven zwaarder te belasten en door te schuiven naar toekomstige generaties – via een hoger begrotingstekort.

Arsenaal aan maatregelen

De regering wil – in tegenstelling tot de twee eerdere compensatiepakketten – met een heel arsenaal aan maatregelen inkomenssteun geven aan de laagste inkomensgroepen: een hoger minimumloon en bijstandsuitkeringen, eenmalig meer huur- en zorgtoeslag, opnieuw een energietoeslag, een stijging van het kindgebonden budget en een hogere arbeidskorting. Daardoor krijgen mensen aan de onderkant volgend jaar 3000 à 4000 euro meer te besteden. De grootste financiële drama’s voor mensen met een laag inkomen worden zo voorkomen.

Helaas vervalt de regering toch ook weer in oude fouten door grote bedragen aan generieke koopkrachtsteun te geven.

Helaas vervalt de regering toch ook weer in oude fouten door vele miljarden aan generieke koopkrachtsteun uit te geven. Iedereen krijgt een lager belastingtarief in de eerste belastingschijf. De AOW-uitkeringen stijgen ook mee met het hogere minimumloon. Daar profiteren alle 3,5 miljoen ouderen van. Die zijn niet allemaal arm; de armoede onder ouderen in Nederland behoort tot de laagste ter wereld. Beter was het geweest dit geld te richten op de minder welvarende ouderen door de ouderenkorting te verhogen en uitkeerbaar te maken.

Iedereen profiteert van de lagere energiebelasting, die zelfs verder wordt verhoogd. Daarnaast wordt de verlaging van de accijns op benzine en diesel met een half jaar verlengd. Hogere inkomens geven meer uit aan benzine en diesel, niet alleen in euro’s, maar ook als percentage van hun inkomen.

Verder compenseert de regering spaarders die bezwaar hebben gemaakt tegen een te hoge belastingaanslag in box 3. Hoewel juridisch terecht, gaan hiermee miljarden aan compensatie naar vermogenden met meer dan 50.000 euro spaargeld.

Scheve verdelingseffecten

De regering probeert de scheve verdelingseffecten van de generieke steun nog enigszins recht te trekken met tamelijk fantasieloze belastingverhogingen op bedrijven en vermogenden.

De grootste last wordt bij het door corona geplaagde MKB gelegd. Daar gaan bedrijven omvallen. Ondernemers moeten een deel van de koopkrachtreparatie voor de onderkant betalen via het hogere minimumloon – dat is een impliciete belasting. Door hogere loonkosten zullen sommige werknemers op het minimum werkloos worden. Het was beter geweest om de stijging van het minimumloon te combineren met loonkostensubsidies, zodat de loonkosten niet verder stijgen, of werknemers direct hogere (uitkeerbare) heffingskortingen of toeslagen te geven. Kennelijk is de overheid niet meer goed in staat om dit zelf te organiseren.

Daarnaast stijgt het belastingtarief in de eerste schijf van de winstbelasting, voor bedrijfswinsten tot 200.000 euro, van 15 naar 19 procent. Ook dit raakt het MKB hard, maar tegelijkertijd is het lage vpb-tarief een spil in de belastingontwijking van directeur-grootaandeelhouders. Die moeten bovendien een hoger arbeidsloon opvoeren in hun belastingaangifte. Dit is een gemiste kans; beter was geweest om het gebruikelijk loon voor directeur-grootaandeelhouders om te vormen tot een gebruikelijk kapitaalinkomen, zoals in de Scandinavische landen.

De vraag in de economie wordt te veel aangejaagd, de inflatie stijgt verder, waardoor de koopkracht opnieuw wordt uitgehold.

Het tarief op denkbeeldige vermogensinkomsten in box 3 wordt verhoogd van 31 naar 34 procent. De belastingaftrek voor zelfstandig ondernemers wordt sneller afgebouwd; ook dat is verstandig gezien de overmatig genereuze fiscale steun voor zelfstandigen.

De regering vindt zo uiteindelijk voor 12 miljard euro aan dekking voor het koopkrachtpakket. Een deel door de belastingen met (minimaal) zo’n 5 miljard euro te verhogen.

Maar het grootste deel haalt de regering uit tijdelijke meevallers bij de gasbaten. Daarnaast worden de megawinsten van gas- en olieproducenten afgeroomd met 2 miljard aan hogere mijnbouwheffingen. Dit is het geluk bij een ongeluk in deze begroting. Het is economisch te billijken als tijdelijke koopkrachtsteun wordt betaald uit meevallers bij de gasbaten en mijnbouwheffingen. Immers, de gasmeevallers en megawinsten van olie- en gasbedrijven zijn door burgers opgehoest via hogere energierekeningen.

De begroting voor volgend jaar bewijst dat de regering in de klem zit tussen de politieke wens tot generiek koopkrachtherstel en de macro-economische realiteit dat dit niet kan. Het politiek maximaal haalbare is economisch niet het meest wenselijke. Dit is nu het derde koopkrachtpakket in ruim een jaar tijd met te veel generieke maatregelen. De vraag in de economie wordt daardoor te veel aangejaagd, de inflatie stijgt verder, waardoor de koopkracht opnieuw wordt uitgehold en de discussie over koopkrachtcompensatie komend voorjaar weer opnieuw kan oplaaien.