Op Twitter ging een karikaturale schets rond van de jonge, bevoordeelde westerse mens in het aangezicht van grote wereldse bewegingen. Die zei dingen als: ‘Niemand zou toch hoeven werken tijdens de combinatie van een pandemie en de Derde Wereldoorlog.’

De quote ‘Ik ben het zat om historische gebeurtenissen mee te maken’ bij een plaatje van iemand in een thuiskantoor. Op haar sokken achter een state of the art stabureau, omgeven door planten en midcentury meubels en licht dat scheutig door vele ramen naar binnen schijnt.

De uitspraken werden onder de aandacht gebracht door een ander typetje: de moreel superieure twitteraar die zich opzichtig schaamt voor zijn toondove medemens, met een scherp geformuleerde variant op ‘er zijn mensen die echt lijden, hallo’. ‘The real victim of Putin’s aggression is the employed American millennial.’

Het domein van de onbenulligheid

Nu zijn de voorbeelden van typetje 1 vrij belachelijk, maar wat stoort aan de reactie van typetje 2, is dat die de overtuiging lijkt te herbergen dat het kleine en persoonlijke er niet meer toe doen. Alsof alleen ziekte en oorlog tellen en we ons enkel horen te bekommeren om de in de kranten verhaalde rampspoed. De rest wordt verbannen naar het domein van de onbenulligheid.

Maar is het niet juist de eigen, kleine ervaring die er nu toe doet? De persoonlijke hoekjes en gaatjes waarin het leven zit. Dat nou eenmaal doorgaat, dwars door de grote bewegingen heen.

Gelukkig liggen de verhalen daarover voor het oprapen. Een collega deed me het boek Vragen deed je niet cadeau, van de Oostenrijkse schrijfster Lida Winiewicz. Winiewicz tekende het verleden op van de buurvrouw van haar buitenhuis, die in de eerste helft van de twintigste eeuw opgroeide in een ontzettend arme keuterboerenfamilie. Ze moesten – jong of oud – altijd, echt altijd keihard werken, op weinig en slecht voedsel. Ze sliepen bij elkaar op bedden van stro, vol vlooien.

Vanaf haar tiende werd Christl als werkmeisje uitgeleend aan steeds een ander gezin – één keer per jaar deed men handjeklap naast de kerk – dat het nauwelijks breder had. Daar at ze soep met door baby’s afgesabbelde broodkorsten, en was ze allang blij toen ze van varkens- tot koeienmeid werd gepromoveerd.

Haast terloops

Christl is het tegenovergestelde van de hierboven beschreven meme van de bevoordeelde klaagsnor (Klagen deed je niet was ook een geschikte titel geweest). Maar niet omdat ze haar lot relativeert ten aanzien van het grote plaatje: haar verhaal gaat juist over de alledaagsheid waarin de geschiedenis zich voltrekt.

Wat Christl van Hitler meekreeg, was dat er plotseling veel mensen in het dorp een rode mouwband met een hakenkruis erop droegen.

Verder gaat het over de dorsmachine die werd ingenomen, en hoe ze toen de gewassen oogstten, welke liedjes de Oekraïners zongen die bij hen te werk waren gesteld, en wat ze kookten.

Het is haast terloops dat de anderhalf jaar Russische gevangenschap van haar man wordt genoemd. Net als wij de afgelopen jaren, miste ze toen vooral het normale leven: ‘We verlangden maar weinig: werken, eten, gezond zijn, verder niets, maar ik heb het idee dat dat niet “niets” is, maar juist veel, en dat er maar heel weinig mensen zijn die het krijgen.’

Het dagelijkse onderhoud

Het deed me denken aan de roman Pachinko, een meeslepend en elegant verteld epos van Min Jin Lee, over een Koreaanse familie die naar Japan migreert. (Inmiddels is de roman tot serie geadapteerd, eind maart ging hij online op Apple+. De trailer is veelbelovend, maar het is het waard eerst het boek te lezen.)

Lee’s personages zijn ook al zo ontzettend arm, en ook zij leven door historische gebeurtenissen heen.

De rode draad is daarbij altijd het dagelijkse onderhoud van het leven: het koken en eten en netjes houden van het beetje huis dat ze hebben, het oplappen van kleding, het aan de kachel drogen van het enige nette pak, dat steeds opnieuw moet worden gedragen en gewassen.

‘Er is geen toekomst. We zullen zo leven tot we oud worden en sterven.’

Ook zij verlangen naar een normaal leven – wat een beter leven is dan waar ze vandaan komen: de wens en drijfveer van iedere migrant.

Leven zoals andere mensen

We zien het ook in de driedelige serie Mijn vader de gelukszoeker, in maart uitgezonden door de VPRO. Daarin gaat Nadia Moussaid met haar vader Alice omgekeerd de route na die hij ooit aflegde als zeventienjarige ‘gelukszoeker’, van Marokko naar Schiedam.

De reis leverde een heel persoonlijke serie op, waarin op zachte wijze het keiharde leven van migranten uit de doeken wordt gedaan: de ontberingen die ze moeten doorstaan, de enorme kracht die ze moeten opbrengen. De armoede en het harde werken, dat ze gemeen hebben met Christl en de familieleden in Pachinko.

Dochter en vader Moussaid spreken een migrant die vertelt over de ‘boot des doods’ waarop hij met een vriend van Algerije naar Italië voer. Ze wisten van tevoren dat de overlevingskans maar 40 procent was. Ze deden het toch.

De migrant heeft vriendelijke ogen die drugsgebruik verraden en draagt een blauw vest met een Lacoste-logo. Ooit was hij een brave, verstandige jongen, zegt hij. In Parijs doet hij nu dingen die hij vroeger nooit zou hebben gedaan. Hij leeft van sigarettenverkoop – illegaal, de politie houdt hem in de gaten. Slapen doet hij buiten, soms blijft hij de hele nacht rondlopen.

Waar hij het voor deed? ‘Ik dacht dat ik mijn toekomst ging opbouwen door te trouwen, mijn papieren op orde te krijgen en te werken,’ vertelt hij terwijl de camera langs mensen beweegt die op straat slapen, op matrassen en in tenten.

Hij wilde geld naar zijn moeder sturen, en ‘leven zoals andere mensen’. ‘Maar die dingen heb ik niet gevonden. Er is geen toekomst. We zullen zo leven tot we oud worden en sterven.’

Hij heeft zijn toekomst niet gevonden, zegt hij, en dat is nog wel het meest verdrietige van alles.

Het is een angst die we allemaal begrijpen: dat de toekomst die we ons voorstelden er niet van gaat komen. Zo wordt het persoonlijk, herkenbaar, waardoor de Moussaids hem dichterbij kunnen brengen. We kunnen ons inleven in een jongen die zo’n ander leven heeft dan wij.

Uiteraard wijst het ons tegelijkertijd op wat wij hebben. Het kleine leven, waar andere mensen het allemaal voor doen. Zeeën oversteken, landen ontvluchten, of juist blijven en vechten voor dat land, opdat het leven weer normaal kan worden. Of een beter normaal.

Dat normaal, en ons verlangen ernaar, doet ertoe. Maar misschien is het juist typetje 1 dat zich dat beter moet realiseren.