Kim Putters ontvangt in jeans, licht hemd en een jasje dat uitgaat zodra hij plaatsneemt aan de lange tafel in zijn kamer op de eerste etage van het SER-gebouw in Den Haag. Goedgemutst is hij, de vakantie nadert. Dan gaat hij lekker lezen, veel lezen. Het komende jaar is hij niet alleen voorzitter van de Sociaal Economische Raad (SER) maar ook van de Libris Literatuur Prijs 2024. ‘Leuk, hè?’ Drie dozen met boeken wachten op hem. En ja, daar zit de nieuwste van Ilja Leonard Pfeijffer inderdaad ook bij, maar of hij Alkibiades ter hand zal nemen? Hij twijfelt nog. ‘Ik ben heel nieuwsgierig. Wat ik Pfeijffer erover hoorde vertellen, raakt aan de problematiek waarmee we in het Haagse ook worstelen. Maar 950 pagina’s…’ Er mag deze zomer ook ruimte zijn voor enige lichtheid, vindt hij. ‘De eerste negen maanden bij de SER waren intensief.’
Vorige zomer stopte hij na negen jaar als directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau en trad hij aan als voorzitter van de SER, iets verderop aan de Bezuidenhoutseweg. ‘Twee deuren vind ik ver genoeg bij jullie, vandaag,’ grapte hij tegen zijn oud-collega’s bij zijn benoeming. Het uitzicht vanaf zijn nieuwe werkkamer op het Haagse Bos was hem dus bekend, net zoals de sociaal-economische vraagstukken die hij op zijn bord kreeg. En nog steeds heeft Putters een adviserende rol, alleen: waar hij als SCP-directeur de overheid louter van kennis en advies voorzag, is het als SER-voorzitter mede zijn taak om met de sociale partners consensus te bereiken over dat advies. Het gaat dan over dingen als de hervorming en de krapte van de arbeidsmarkt, de vergrijzing, de landbouw, de armoedebestrijding. De lijst van op te lossen vraagstukken is lang. We hebben immers te maken met een klimaatcrisis, een stikstofprobleem, inflatie, een groeiende kloof tussen arm en rijk. Putters is in de meest turbulente tijd denkbaar aangetreden, beaamt hij. Maar hij heeft inmiddels geleerd om niet alles meer een crisis te noemen, klinkt het opgeruimd. ‘Toen ik in september vorig jaar begon, was het crisisgevoel groot. De pandemie was net achter de rug en had allerlei gevolgen voor ondernemend Nederland. En vanwege de oorlog in Oekraïne bestond er grote bezorgdheid over de stijgende energieprijzen. In de verloftijd tussen beide banen heb ik me, wandelend in de Alpen, meermaals afgevraagd of ik niet alvast moest beginnen.’
‘We hebben nu de kans om vorm te geven aan een duurzame samenleving voor de generaties na ons.’
U had er zin in, zei u tot twee keer toe in uw openingsspeech. Hoe groter de uitdaging, hoe groter uw drive?
‘Ik voelde de noodzaak om aan de slag te gaan en die voel ik nog steeds. Er zijn grote transities gaande, op ecologisch, economisch en maatschappelijk gebied, en daarvoor zijn systeemveranderingen nodig. Er moet een einde komen aan het industriële model dat is gericht op uitputting van natuurlijke en menselijke bronnen. We moeten bedenken hoe onze samenleving er in 2040 uitziet. Hoe zorgen we voor een inclusieve arbeidsmarkt? Waar verdienen we ons geld mee? Hoe bestrijden we armoede? Hoe gaan we om met artificial intelligence? We hebben nu de kans om vorm te geven aan een duurzame samenleving voor de generaties na ons. Die kans doet zich doorgaans maar eens in de honderd, honderdvijftig jaar voor. Daar wil ik aan bijdragen, en ik zie het als een belangrijke taak om jongeren zelf bij de beslissingen van de SER te betrekken.’
Generatietoets
Onder zijn voorganger Mariëtte Hamer is er een jongerenplatform opgericht. Putters heeft nu voorgesteld om de SER-adviezen aan een generatietoets te onderwerpen. ‘Om te horen wat de gevolgen zijn voor de huidige en toekomstige generaties. De SER moet getuigen van goed voorouderschap.’
Hij merkt overigens graag op dat zijn voorgangers al vanaf de jaren zeventig vraagtekens hebben gezet bij het economische model dat na de Tweede Wereldoorlog werd opgetuigd. ‘Alleen was er in de jaren zeventig en tachtig meer aandacht voor de economische crisis dan voor de uitputting van de aarde.’
In 2013 kwam er eindelijk toch een Energieakkoord voor duurzame groei en in 2019 een Klimaatakkoord. Het duurde even, beaamt hij. ‘De uitvoering van de plannen in deze akkoorden moet absoluut sneller, want we stevenen in alle opzichten af op een weinig leefbaar land en het is overduidelijk dat we de sustainable development goals in 2030 niet halen. En dan doel ik niet alleen op de reductie van de CO2-uitstoot. We hebben ook afgesproken dat de armoede in 2030 gehalveerd zou zijn.’
Er moet dus echt een tandje bij, stelt hij. ‘Daarom klop ik elke week op deuren.’
En, gaan die deuren open?
Opgewekt: ‘Het mooie van de SER is dat er maar één SER is. Het kabinet is ook afhankelijk van het draagvlak van werkgevers en werknemers die hier aan tafel zitten. Ik ben dus een noodzakelijke gesprekspartner van het kabinet.’
Frustraties
Gebrek aan een luisterend oor leidde in zijn vorige functie wel eens tot onbegrip, bekende Putters in zijn boek Het einde van de BV Nederland, dat bij zijn vertrek verscheen. Belangrijke SCP- kennis heeft vaak impact op beleid dat door regering en parlement wordt vastgesteld, maar soms wordt er ook van ongemakkelijke waarheden weggekeken, constateerde hij. Dat het kabinet tijdens de pandemie de scholen sloot terwijl Putters tot in de ministerraad hamerde op het zorgelijke mentale welzijn van jongeren door de lockdown – daar had hij nog begrip voor. Het was een beslissing in crisistijd. Dat de politiek negen jaar lang te veel wegkeek van de groeiende kloof tussen kansarmen en -rijken in Nederland heeft hem hogelijk verbaasd.
‘Vanaf mijn start als SCP-directeur in 2013 heb ik het kabinet daarop geattendeerd. In 2014 verscheen het SCP-rapport Verschil in Nederland, waarin een verontrustend beeld werd geschetst van de verschillen in inkomen, opleiding en gezondheid. We hebben ook gewezen op de betekenis ervan voor het vertrouwen in de overheid. Dat onderzoek hebben we herhaald en opnieuw aangeboden aan het kabinet. Het SCP heeft de kloof in de samenleving stevig op de maatschappelijke en politieke agenda weten te zetten, maar het beleid bleef er toch te vaak bij achter.’
Het kabinet wilde of kon de urgentie ervan niet altijd zien, vermoedt hij. ‘We hebben in Nederland snel het gevoel dat we het beste jongetje van de klas zijn en dat het met armoede zo’n vaart niet loopt in onze rijke verzorgingsstaat.’
Rutte bleef ook volhouden dat iedereen zich kan invechten in onze samenleving.
‘Zelfredzaamheid is voor de kwetsbaarste groep niet realistisch. Armoede staat niet op zichzelf. Maar we hebben een samenleving waarin elke prestatie als individueel succes wordt gezien, terwijl elke prestatie ook een collectieve prestatie is. Het succes van een leerling is immers ook afhankelijk van een onderwijssysteem en een leerkracht die al dan niet in een leerling gelooft. Dat is onrechtvaardig.’
Mentale lenigheid
Nu buigt hij zich bij de SER over de vraag: hoe creëren we een samenleving die rechtvaardiger uitpakt? ‘Een onderdeel daarvan is het plan voor de individuele ontwikkelbudgetten en leerrechten. Mensen die in hun jeugd voortijdig van school zijn gegaan, kunnen hun ongebruikte “leerrechten” later alsnog inzetten om zich breder te ontwikkelen.’
Aan Kim Putters de schone taak om draagvlak voor dergelijke ideeën te creëren bij organisaties met vaak tegengestelde belangen. Dat vereist verbale en mentale lenigheid, maar die kwaliteiten bezit hij. Putters kan een scherpe boodschap in warme woorden vatten. Hij zegt bijvoorbeeld: ‘Daar is betrouwbaar leiderschap voor nodig dat een wenkend en realistisch perspectief naar de toekomst biedt, vooruitkijkt en eerlijk vertelt dat een aantal dingen niet terugkomen zoals ze waren.’ We kunnen dat opvatten als: we ontberen een eerlijke premier met een visie.
Het woord ‘verbinder’ past hem en hij gelooft heilig in het overlegmodel. ‘De huidige transities raken iedereen. Het is onze taak om alle geluiden uit de samenleving op te halen, ieders belangen en mogelijkheden op tafel te leggen en ervoor te zorgen dat we met elkaar oplopen, niet van elkaar weglopen.’
Hij verwijst naar het nieuwe pensioenstelsel. ‘Daar kwam de politiek al heel lang niet uit. Hier aan tafel is het wel gelukt.’
De remedie? ‘Investeren in goede verhoudingen, vertrouwen en geduld betrachten.’
‘Ik weet niet anders dan dat je met elkaar in gesprek gaat totdat je eruit komt.’
Putters weet het als geen ander. ‘Ik ben een polderjongen.’
Hij is geboren en getogen in Hardinxveld, een bible belt-dorp in de Alblasserwaard waar volgens Putters net zoveel streng gereformeerden als andersdenkenden wonen, en die andersdenkenden hebben ook weer zo hun verschillende achtergronden, weet hij van thuis. ‘Mijn vader is Nederlands-hervormd en komt uit een sociaal-democratisch nest. Mijn moeder groeide op in een rooms-katholiek KVP-gezin.’
In die omgeving heeft de ongedoopte Putters tegenstellingen leren beslechten. ‘Ik weet niet anders dan dat je met elkaar in gesprek gaat totdat je eruit komt. Zo ging het op het schoolplein, zo ging het in de gemeenteraad waar ik later deel van uitmaakte. Dat spreekt mij aan, zeker in deze tijden van polarisatie. En het polderen ligt me inderdaad.’ Lachend: ‘In elk geval is er nog nooit iemand bij mij aan tafel weggelopen.’
De mavo! Geweldig!
Hij kan het ook, stevige gesprekken voeren en nee zeggen. Tegen Rutte, tegen zijn vader. Met de laatste botste het vroeger nogal eens aan de keukentafel. Zijn vader was schipper, net als zijn opa, en ook zijn jongere broer Barrie koos voor dit vak. Heel graag wilde zijn vader dat zijn oudste zoon Kim ook schipper werd, maar Kim wilde niet zoals zijn broer en neefjes met zijn handen werken en naar de ambachtsschool. Hij wilde leren en won de discussie van zijn vader. Het werd de mavo, vertelt hij, want op school werd vastgesteld dat ‘meer dan mavo er niet in zat’.
‘De grap is dat ik destijds dacht: de mavo! Geweldig! Ik associeerde de mavo met boeken. Achteraf vind ik het pijnlijk om te constateren dat leraren vaak niet weten wat een kind van elf in zijn of haar mars heeft en dat advies dan laten bepalen door de afkomst van het kind en wat zijn ouders voor werk doen. Daarom ben ik voorstander van een langere brugperiode zodat tieners de tijd krijgen om hun talent te ontwikkelen en passie te ontdekken.’
‘Het moment waarop ik student-assistent werd aan de Erasmus Universiteit was dan ook heel belangrijk voor mij, en voor mijn vader. Het was het bewijs dat ik met mijn opleiding geld kon verdienen.’
Putters stapte al na een jaar over naar een schakelklas, volgde het vwo en begon op zijn achttiende aan de studie bestuurskunde, in Rotterdam. Ook daar ging een aantal forse gesprekken met zijn vader aan vooraf. ‘Die discussies thuis werden ingegeven door onwetendheid,’ verklaart Putters.
‘Mijn vader wist niet wat er op een universiteit gebeurde en hoe ik daarvan zou kunnen leven. Het moment waarop ik student-assistent werd aan de Erasmus Universiteit was dan ook heel belangrijk voor mij, en voor hem. Het was het bewijs dat ik met mijn opleiding geld kon verdienen.’
Uiteindelijk – of beter gezegd: uiteraard – zat zijn vader naast zijn moeder op de eerste rij toen hij zijn proefschrift verdedigde en later in ‘zo’n jurk’ zijn oratie hield.
Tot twee keer toe zelfs, want na zijn hoogleraarschap Management van de gezondheidszorg werd hij hoogleraar Beleid en Sturing van de Zorg in de Veranderende Verzorgingsstaat. De Open Universiteit kende Kim Putters vorig jaar ook nog een eredoctoraat toe vanwege de aansprekende wijze waarop hij wetenschappelijk onderbouwd complexe maatschappelijke kwesties toegankelijk maakt voor een breed publiek.
‘Mijn ouders zijn ongelooflijk liefdevol,’ zegt Putters enigszins geëmotioneerd. ‘Ze hebben altijd achter mijn keuzes gestaan.’
Zijn homoseksualiteit werd zonder meer geaccepteerd, al durfde hij pas op zijn 24ste uit de kast te komen. ‘Jos Brink en Paul de Leeuw waren mijn enige rolmodellen, en ik vond het lastig om het te vertellen, maar mijn hele familie was blij voor mij.’
Zijn opa voedde het politieke vuur dat hij als jonge jongen voelde branden. ‘Op Prinsjesdag zat ik aan de tv gekluisterd. Niet alleen vanwege die gouden koets; ik wilde horen wat er werd gezegd. De politieke beschouwingen vond ik ook fascinerend, ook al begreep ik Kok en Lubbers niet helemaal. Maar daar was opa. Als ik terugkwam van scouting en er brandde nog licht in het huis van mijn opa en oma liep ik binnen en kon ik met opa tot diep in de nacht over politieke kwesties praten.’
Welpje
Putters begon als welpje, werd hopman en schopte het tot bestuurslid van Scouting Nederland. ‘Ik ben nog steeds lid,’ bekent hij met een gelukzalige glimlach. Aan de scouting heeft hij niets dan mooie herinneren en die club is voor hem, als een wat teruggetrokken jongetje, bepalend geweest. Hij leerde er om naar voren te treden, te organiseren, verantwoordelijkheid te nemen en proactief te handelen. ‘Toen ik in het dorp en verenigingsleven tegen dingen aanliep die wat mij betrof beter geregeld konden worden, schreef ik een brief naar de lokale politiek of ik mocht komen praten.’
In 2002 ging hij voor de PvdA de gemeenteraad in. Vervolgens ging het hard met zijn carrière. Een jaar later rolde hij als jongeling van 29 de Senaat in. Op zijn 34ste promoveerde hij. In 2019 en 2020 riep de Volkskrant hem in zijn hoedanigheid van SCP-directeur uit tot ‘meest invloedrijke Nederlander’.
‘Tsja. Wat dat me deed? Ik vond het belangrijk dat daardoor het SCP werd gezien als een serieuze partij die door de politiek ook serieus genomen moest worden.’
Dacht u ook niet even aan uw lagere-schooladvies of aan de leraren van toen?
‘Nee, maar dat heb ik wel gedaan tijdens het schrijven van mijn proefschrift. Toen dacht ik: Hooguit mavo, hè?!’
Het wakkerde een bewijsdrang aan?
‘Ja, maar dat gebeurt altijd wanneer mensen zich afvragen of iets wel kan en ze vertwijfeld met “nou…” reageren op een voorstel. Dan denk ik: dat zullen we nog wel eens zien. Maar ik ga niet gebukt onder een bewijsdrang, hoor. Ik ben gewoon altijd enthousiast en gedreven.’
Kansen grijpen
Putters weet ook niet of dat lagere-schooladvies zijn gevoel voor onrecht heeft gevoed. ‘Van jongs af aan maak ik me kwaad over onrecht. Ik was degene die in de klas naast het jongetje ging zitten dat nooit mocht meedoen. Als scoutingleider vond ik het ook heel belangrijk om ieder kind in de groep te laten floreren. Als bleek dat het verlegen kind alle vogels kende, organiseerde ik een programma over vogels. Dan veerde zo’n kind helemaal op.’
Leave no one behind is als belofte opgenomen in de sustainable development goals-agenda, en dat spreekt Putters zeer aan. ‘We moeten zorgen dat die grote transities van onze economie en samenleving rechtvaardig verlopen. We mogen niemand achterlaten.’
Hij beschouwt het als een persoonlijke opdracht om heel goed na te denken hoe we dat gaan doen. ‘Niet iedereen is fan van het vormen van een visie, maar de minister-president heeft ook geen verbod op visie afgekondigd,’ grapt hij.
Dan, serieus: ‘Voor de inclusieve duurzame arbeidsmarkt van morgen moeten we vandaag zorgen voor een goede infrastructuur van de kinderopvang. We moeten nu projecten ontwikkelen waardoor iedereen zich in de toekomst een leven lang kan blijven ontwikkelen. Bij- en omscholing moeten niet stoppen bij achttien jaar.’
Meer scholing levert niet alleen meer economische mogelijkheden op, maar ook een gezonder en langer leven, weet Putters. De gemiddelde levensverwachting van mbo’ers is ruim vier jaar korter dan die van mensen met een hbo- of universitaire opleiding, wijst onderzoek uit.
‘Niet iedereen hoeft naar de universiteit,’ onderstreept hij. ‘Maar iedereen moet in het leven wel gelijke kansen krijgen. Ik weet niet of ik het zonder studiefinanciering had gered. Ik verdiende als student mijn geld achter de bar, maar ik had daarnaast wel degelijk die toelage nodig om op tijd al die vakken te kunnen halen.’
Daarnaast, dat moet ook gezegd, blijft het een zaak van hard werken en kansen grijpen en creëren. ‘Ik heb op elke baan gesolliciteerd.’
Op de vraag of hij trots is op wat hij heeft bereikt, vertelt hij geamuseerd wat trots betekent in zijn familie. ‘Toen ik net in de Eerste Kamer zat, had ik mijn opa en oma uitgenodigd om een debat bij te wonen. Tijdens de schorsing stelde ik hen voor aan minister Joop Wijn, die zei: “U zult wel trots zijn op Kim.” “Ja,” antwoordde opa. “Maar we zijn ook trots op Barrie die vaart, en op Rob die auto’s maakt, en op Frank die vloerbedekking legt.”’ Na de lach: ‘Zo ben ik opgevoed.’
Putters is ook trots op zijn neven en broer. ‘Ze hebben gekozen voor hun passie. Barrie heeft sinds vorig jaar met een vriend een schip gekocht – dat was een droom. Mijn gepensioneerde vader vaart soms met hen mee. Geweldig toch?’
Auto met chauffeur
Zelf heeft hij al jarenlang een auto met chauffeur. Die brengt hem aan het einde van elke werkdag terug naar Hardinxveld, het plaatsje met 18.000 inwoners aan de Merwede waar hij is geboren. Hij woont er nog steeds, met veel plezier. Dat hij vorig jaar onverhoopt de gemeentelijke erepenning kreeg overhandigd, raakte hem diep. ‘Ik vind dit nog mooier dan de ridderorde die ik kreeg bij mijn vertrek uit de Eerste Kamer in 2013,’ zei hij tegen de lokale pers. ‘Ik hoop niet dat de Koning het me kwalijk neemt,’ zegt hij nu. ‘Maar het is echt zo. In Hardinxveld liggen mijn roots. Hardinxveld is wat ik ben. Mijn ouders wonen er, mijn broer met zijn gezin, de zus van mijn vader woont er.’
Toegegeven, die privéchauffeur vond hij in het begin ongemakkelijk, want Putters voelt zich allesbehalve een klassenmigrant: ‘Ik ben in nieuwe werelden terechtgekomen, maar ik heb de wereld van mijn familie nooit verlaten. We zijn heel hecht en mijn ouders wonen vijf minuten bij mij vandaan.’
Heel knus en heel handig, zegt hij. ‘Ben ik niet thuis als de schoorsteenveger langskomt, dan springt mijn moeder op de fiets om hem binnen te laten.’
Zijn moeders familie woont onder de rivieren, in Brabant. Putters heeft er vijftien jaar geleden college gegeven, in Tilburg, waar hij sinds vorig jaar weer werkt als universiteitshoogleraar Brede welvaart. ‘Het leven in het zuiden is anders,’ constateert hij. ‘In Tilburg neemt men net iets meer tijd om te lunchen en voor persoonlijke aandacht dan in Rotterdam, waar ik ook als hoogleraar werkte.’
Zijn vakgroepvoorzitter verklaarde het ooit als volgt: ‘Boven de rivieren vragen ze vooraf overal toestemming voor; onder de rivieren vragen we achteraf vergiffenis.’ Putters grijnst. ‘Mijn moeder beweert dat zij mijn redding is. Daar zit iets in. Ik neig naar het serieuze, maar door haar probeer ik ook aandacht te geven aan het lichte in het leven. Ik hoop in de SER uit te dragen dat ons werk ook leuk mag zijn.’
U schenkt als smeermiddel wel eens een mooie wijn aan de onderhandeltafel?
‘Nou…’ Zo frivool wordt het niet, haast hij zich te zeggen. ‘Er zijn wel borrels.’
Een beetje verliefd op Paul
Veel tijd voor lichtheid lijkt Putters niet te nemen. Hij geeft colleges. Hij is geregeld op tv om te waarschuwen dat we, door de vergrijzing, meer moeten gaan werken als we de huidige welvaart willen behouden, of om het pleidooi voor duurzaamheid van zijn SER-jongeren over het voetlicht te brengen. Hij is actief bij het Oranje Fonds, bestuurslid van het Nationaal Comité 4 en 5 mei, hij geeft lezingen, schrijft af en toe een boek, en moet als voorzitter van de Libris Literatuur Prijs een heleboel boeken lezen. ‘Ik ben graag zinvol bezig,’ verklaart hij. ‘Ik wil dat belangrijke informatie ook landt bij meer mensen dan alleen de boekenkastgeleerden en het geeft me energie om dingen naast elkaar te doen.’
Ter ontspanning loopt hij de ene ochtend hard, de andere dag zwemt hij. ‘Dat helpt enorm,’ zegt hij. ‘En ik heb een lieve partner.’
Marhijn Visser heet hij. Kim Putters trof hem in 2011 tijdens een werkbezoek aan Genève. Putters was er als vertegenwoordiger van het Nederlands parlement, Visser was het hoofd van de economische afdeling van de Permanente Vertegenwoordiging van Nederland bij de Verenigde Naties en werkt tegenwoordig als beleidssecretaris van VNO-NCW.
‘Maar nee,’ benadrukt Putters. ‘Het gaat thuis niet steeds over werk. Dat proberen we strikt gescheiden te houden. En dat lukt. We hebben het heel goed samen.’
Het was Marhijn die bij zijn afscheid van het SCP had voorgesteld Paul de Leeuw te vragen om te komen zingen. Een geweldige verrassing voor Putters. ‘Ik was in mijn jonge jaren een beetje verliefd op Paul, en hij heeft prachtige liedjes.’
‘Ik heb je lief’, zong De Leeuw, en ook ‘De steen’ van Bram Vermeulen: ‘Ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde. Nu weet ik dat ik nooit zal zijn vergeten.’
‘Als je een steen verlegt in de rivier, gaat het water net iets anders stromen,’ zegt Putters. ‘In mijn leven streef ik ernaar om een paar stenen te verleggen waardoor de rivier net wat beter stroomt.’
Het liedje raakt hem des te meer vanwege zijn sterke verbondenheid met water, met rivieren, met de Merwede in het bijzonder. Als jongetje holde hij naar dat water als hij wist dat zijn vader er voorbij zou varen. Nog steeds begeeft Putters zich geregeld naar het puntje van de krib aan de Merwede waar hij destijds uitbundig stond te zwaaien. Nu om er uit te waaien, een paar biertjes te drinken of een boek te lezen. Deze zomer misschien toch wel die dikke Pfeijffer. ‘Wie weet.’



Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.