Liever luisteren dan lezen? Hans Poel heeft het verhaal voor je ingesproken.

Het eerste deel van deze serie betoogde dat het kapitalisme een prachtige droom is, die een illusie is gebleken. Sinds de jaren tachtig is ruim baan gegeven aan de vrije markt. Als er één periode zou moeten zijn geweest waarin de economische en productiviteitsgroei hadden moeten toenemen, dan waren dat de afgelopen vier decennia. Maar de inkomens- en productiviteitsgroei zijn in die tijd juist gedaald, in de hele westerse wereld.

Tegelijkertijd zijn de uitwassen van het kapitalisme, zoals groeiende inkomensongelijkheid en opwarming van de aarde, steeds duidelijker geworden. Hoe heeft dat kunnen gebeuren?

De onzichtbare hand is een mythe

Joseph Stiglitz (Nobelprijs economie 2001) voert zijn hele leven al een kruistocht tegen de heiligverklaring van de markt. Onvermoeibaar legt hij uit dat de vruchten van de vrije markt uitsluitend en alleen kunnen worden geplukt als aan een aantal strikte condities is voldaan, die in de echte wereld niet opgaan. De onzichtbare hand van Adam Smith, die op eigenbelang beluste mensen en bedrijven in het maatschappelijk belang laat handelen, is volgens Stiglitz een mythe. Niet omdat hij onzichtbaar is, maar omdat hij domweg niet bestaat.

Dit essay is geschreven voor #3, dat pre-pandemie naar de drukker ging.

De belangrijkste voorwaarde om markten te kunnen laten werken, is dat ze vrij toegankelijk zijn en iedereen op gelijke voet concurreert. Daarnaast moeten alle marktpartijen even veel of even weinig weten over alle verhandelde waar. Mensen en bedrijven mogen bovendien geen schade toebrengen aan derden, bijvoorbeeld door milieuvervuiling. Alleen onder deze voorwaarden zal de tucht van de markt het eigen belang van mensen en bedrijven weten te disciplineren.

De onzichtbare hand van Adam Smith, die op eigenbelang beluste mensen en bedrijven in het maatschappelijk belang laat handelen, is volgens Stiglitz een mythe.

Maar de tucht van de markt is gestaag afgebrokkeld. Zo zijn machtige monopolies als paddestoelen uit de grond gerezen. De belangrijkste nieuwe monopolies zijn internetplatforms zoals Google, Facebook en Amazon. Hun bedrijfsmodel rust op twee pijlers: het vergaren van schaarse informatie en het realiseren van totale marktdominantie. Informatie is het kapitaal van internetbedrijven. Ze verleiden hun gebruikers het eigendom van dat kapitaal af te staan in ruil voor gratis gebruikersdiensten. Als deze bedrijven voldoende schaalomvang krijgen, wordt de bijl aan de wortel van de vrije markt gezet. Potentiële toetreders worden agressief uit de markt geweerd. Mocht het een bedrijf desondanks lukken door te breken – denk aan WhatsApp – dan wordt het simpelweg overgenomen.

Economisch onderzoek laat zien dat marktmacht steeds belangrijker is geworden. In een volkomen efficiënte markt zijn de prijzen die consumenten voor een goed betalen gelijk aan de productiekosten om dat goed te maken. Bedrijven maken dan geen excessieve winsten. Maar als bedrijven marktmacht hebben, kunnen ze consumenten een poot uitdraaien door veel meer te vragen dan de productiekosten.

De Belgische economen De Loecker en Eeckhout schatten het verschil tussen consumentenprijzen en productiekosten. In de periode 1980-2016 is dat verschil met maar liefst 50 procent gestegen. De 10-procent grootste bedrijven zijn verantwoordelijk voor vrijwel deze gehele stijging. Door sterkere monopolievorming neemt de winstgevendheid van grote bedrijven toe, stagneren de inkomens van werknemers en taant de productiviteitsgroei. Monopolisten hoeven immers helemaal niet te innoveren zolang ze hun winst uit de zak van de consumenten kunnen kloppen.

Moreel gevaar

De Grote Recessie (2008-2015) heeft het alomtegenwoordige morele gevaar in de financiële sector ontsluierd. Wereldwijd zijn banken en andere financiële instellingen van hun ondergang gered tegen hoge maatschappelijke kosten. Niet alleen die van de bankreddingen zelf, maar vooral die van de daling in de economische groei die daarop volgde. Nederland raakte net als de rest van de ontwikkelde wereld zo’n 10 procent van het bruto binnenlands product achterop ten opzichte van de trend vóór de crisis.

De financiële sector is te groot en te ingewikkeld en heeft te veel politieke invloed om te falen. Daardoor kunnen grote risico’s worden genomen. Ondanks enige zinnige beleidsmaatregelen geldt dat nog steeds. Nederlandse banken hebben een totale omvang van bijna viermaal het nationale inkomen en ze hebben voor elke uitgeleende euro minder dan 6 cent eigen vermogen. Gaat het weer eens mis, dan worden private risico’s afgewenteld op de samenleving. Niet de agrarische, maar de financiële sector is daarom de meest gesubsidieerde sector in de economie.

Lees ookRed het kapitalisme van de kapitalisten! Econoom Bas Jacobs legt uit waarom11 maart 2020

De financiële sector is niet alleen de bemiddelaar tussen burgers en bedrijven voor de financiering van productieve en innovatieve investeringen, maar ook een katalysator van financiële instabiliteit door de financiering van allerlei niet-productieve investeringen, zoals die in onroerend goed. In hun baanbrekende boek This Time is Different, over 700 jaar financiële crises, laten de Amerikaanse economen Carmen Reinhart en Kenneth Rogoff (Harvard University) zien dat excessieve kredietverlening vrijwel altijd leidt tot financiële rampspoed. Moreel gevaar in de financiële sector schaadt zo de groei van de economie en de productiviteit.

Het afwentelen van private risico’s zien we niet alleen op de kapitaalmarkt, maar ook op de arbeidsmarkt, dankzij de gestage groei van flexibele arbeid. Een flexibele arbeidsmarkt is op zich goed. Het stelt bedrijven in staat om snel in te spelen op veranderende omstandigheden en mensen komen sneller in de baan die het beste bij hen past. Maar zodra bedrijven hun ondernemingsrisico’s kunnen afvoeren op flexibele arbeidskrachten, komt er zand in de motor van de economie.

In een goedwerkende kapitalistische economie wordt goed ondernemerschap beloond met winst en slecht ondernemerschap met een faillissement. Maar dankzij het enorme reservoir flexibele arbeidskrachten kunnen allerlei marginale, nauwelijks innoverende ondernemingen toch blijven voortbestaan. Het gevolg? Minder innovatie, economische groei en productiviteit.

Langdurige stagnatie

De macro-economie kampt al jaren met een groot probleem: de rentes staan zo goed als op nul en kunnen niet verder zakken. De rente is een marktprijs die op dit moment laat zien dat er veel aanbod is en weinig vraag op de kapitaalmarkt. Door de vergrijzing nemen de wereldwijde besparingen toe. De besparingen stijgen ook door de groeiende inkomensongelijkheid. Rijke mensen sparen immers meer. Tegelijkertijd is steeds minder spaargeld nodig voor nieuwe investeringen, omdat moderne bedrijven op relatief goedkope IT draaien in plaats van op dure machines en gebouwen.

De rente is het belangrijkste instrument om te zorgen voor evenwicht tussen vraag en aanbod in de macro-economie. Als de rente daalt, nemen de bestedingen toe door hogere consumptie, grotere investeringen en meer export (via een waardevermindering van de euro). Door de vrije werking van de kapitaalmarkt zal een rentedaling daarom zorgen dat de vraag weer gelijk wordt aan het aanbod in de economie.

Als de rente niet meer kan dalen omdat ze vastzit rond de nul, bereikt de vrije markt niet langer automatisch macro-economisch evenwicht. De economie kan dan verzanden in wat Larry Summers (Harvard University) ‘langdurige stagnatie’ noemt: langdurig kwakkelende economische groei en extreem lage inflatie. Als bedrijven zien dat de economie niet vooruit te branden is, stoppen ze vervolgens met investeren en innoveren. Gevolg: lage loon- en productiviteitsgroei. Precies wat we in de afgelopen jaren hebben gezien.

Grote bezittingen en grote schulden zijn twee kanten van dezelfde medaille. Op macro-economisch niveau is de bezitting van de een is de verplichting van de ander.

Summers suggereert zelfs dat de Grote Recessie is te danken aan de wereldwijde zoektocht naar beleggingsrendement. Omdat rentes al decennia dalen, herschikt de bezittende klasse haar vermogen en gaat op jacht naar betere rendementen in de aandelenmarkt en de huizenmarkt. De afloop van dat experiment kennen we. Ook in de afgelopen jaren zijn de prijzen van aandelen en huizen weer explosief gestegen.

Thomas Piketty laat in zijn Kapitaal in de 21ste eeuw zien dat de vermogens in moderne economieën sinds de jaren tachtig fors zijn opgelopen. Tegelijkertijd waarschuwt bijvoorbeeld de Bank of International Settlements bij voortduring voor de gevolgen van te hoge schulden. Maar grote bezittingen en grote schulden zijn twee kanten van dezelfde medaille. Op macro-economisch niveau geldt namelijk: de bezitting van de een is de verplichting van de ander.

De financiële sector speelt hierbij een hoofdrol, want via het financiële stelsel worden de bezittingen van de vermogenden getransformeerd in de schulden van de onvermogenden. Groeiende concentratie van vermogen bij de rijken leidt daarom tot groeiende schuldopbouw bij de armen. Schuldopbouw en schuim of bubbels in vermogens- en huizenmarkten maken onze economieën financieel instabiel en ondermijnen daarmee economische groei en productiviteit.

Het grootste marktfalen ooit

In zijn Stern Review on the Economics of Climate Change (2006) omschreef de Britse econoom Nicholas Stern de opwarming van de aarde door CO2-uitstoot het ‘grootste marktfalen dat de wereld ooit heeft gezien’. De maatschappelijke kosten van CO2-uitstoot zijn niet goed doorberekend in de prijzen die consumenten en vooral bedrijven betalen. Kapitalisme is niet onverenigbaar met de oplossing van het klimaatvraagstuk – integendeel. Vrijwel alle economen in binnen- en buitenland zijn het erover eens dat het klimaatprobleem het beste via het marktmechanisme kan worden opgelost: voer een CO2-belasting of verhandelbare vervuilingsrechten in zodat iedereen bij alle economische beslissingen de werkelijke kostprijs betaalt voor zijn CO2-uitstoot.

Kapitalisme in zijn zuiverste vorm laat de vervuiler betalen. Dat gebeurt alleen steeds maar niet door een bedrijvenlobby die overheden wereldwijd tegen elkaar uitspeelt, waardoor de luchtvaart, de scheepvaart, de landbouw en de grote industrie gewoon kunnen doorgaan met vervuilen.

Onverdiend inkomen

In een werkelijk kapitalistische economie draagt iedereen zelf alle consequenties van alle – goede en foute – beslissingen. Inkomensongelijkheid hoeft geen probleem te zijn als iedereen loon naar werk ontvangt. Het is prachtig als mensen met hard werken, spaarzin, nemen van risico en slim ondernemerschap een fortuin vergaren.

Maar monopolievorming, het afschuiven van risico’s en externe effecten leiden tot onverdiend inkomen. Inkomen dat is verdiend zónder dat daar een economische inspanning tegenover staat. Monopolisten verhogen hun winsten ten koste van consumenten. Werknemers en aandeelhouders in de financiële sector ontvangen hogere inkomens op kosten van belastingbetalers. Aandeelhouders van bedrijven realiseren hogere rendementen als werknemers meer bedrijfsrisico’s dragen. Vervuilers – consumenten en producenten – profiteren als de kosten op de samenleving worden afgewenteld.

Vervuilers – consumenten én producenten – profiteren als de kosten op de samenleving worden afgewenteld.

Saillant en belangrijk detail is dat de groeiende vermogensopbouw die door Piketty is gedocumenteerd, volledig kan worden toegeschreven aan onroerend goed. En ook voor de winsten op onroerend goed geldt: grotendeels onverdiend inkomen. Bovendien wordt in veel landen, ook in Nederland, vermogensopbouw via huizen door de overheid gesubsidieerd, zoals met de hypotheekrenteaftrek, en slechts zelden adequaat belast.

Achtergebleven

Niet alleen het falen van de markt doet ongelijkheid toenemen. Ook het werken van de markt doet dat. In de westerse wereld zien hooggeschoolden hun inkomens sneller stijgen dan laaggeschoolden. Zij profiteren meer van technologische ontwikkelingen omdat hun productiviteit daardoor relatief sneller toeneemt. Door groeiende internationale handel specialiseren westerse landen zich bovendien in de productie van goederen en diensten waarvoor relatief meer hooggeschoolden nodig zijn.

Overheden hebben echter onvoldoende gezorgd dat de laaggeschoolden meeprofiteren van nieuwe technologieën en grotere vrijhandel. Belastingen zijn minder progressief gemaakt, uitkeringen zijn achtergebleven en onderwijsinvesteringen zijn niet verhoogd terwijl die wel steeds rendabeler zijn geworden.

Tegelijkertijd zien we dat bedrijven hun winsten en de bezittende klasse hun vermogens gemakkelijker kunnen verplaatsen naar landen met lage belastingen. Daarbij worden ze geholpen door het steeds vrijere internationale kapitaalverkeer en overheden – ook de Nederlandse – die in een race naar de bodem zijn verwikkeld om de winstbelasting en de toptarieven in de inkomstenbelasting te verlagen om zo te voorkomen dat bedrijven en welgestelden naar het buitenland vertrekken.

Is het dan verassend dat de inkomensongelijkheid toeneemt en het aandeel van het totale inkomen dat verdiend wordt door kapitaaleigenaren stijgt in vrijwel de hele westerse wereld?

Symptoombestrijding

Een vrije kapitalistische economie levert haar zegeningen alleen als iedereen daadwerkelijk wordt geconfronteerd met alle economische kosten en alle opbrengsten van zijn economische beslissingen. Slechts dan zal de onzichtbare hand van Adam Smith mensen en bedrijven, die uitsluitend denken aan hun eigen portemonnee, zodanig breidelen dat zij alleen datgene doen wat in het maatschappelijk belang is.

De afgelopen decennia hebben laten zien dat moderne kapitalistische economieën bol staan van marktfalen, vervuilers die niet betalen en afwenteling van private risico’s op de publieke sector of de werknemers. Bovendien is de onzichtbare hand van de macro-economie geamputeerd door de ondergrens op de rente waardoor mensen nauwelijks perspectief hebben op inkomens- en loonstijgingen. Tegelijkertijd zien de meest gefortuneerden hun inkomens en vermogens wel stijgen, zonder dat ze daar veel economische inspanningen voor hoeven te verrichten, daarbij geholpen door overheden die ze steeds minder in de weg leggen.

Kapitalistische economieën staan bol van marktfalen, vervuilers die niet betalen en afwenteling van private risico’s op de publieke sector of de werknemers.

Nick Hanauer, een van de oprichters van Amazon, naar eigen zeggen een schaamteloze kapitalist die obscene hoeveelheden geld heeft verdiend, is uiterst bezorgd over de toekomst van het kapitalisme. In een TED Talk waarschuwt hij zijn medeplutocraten dat de hooivorken eraan komen: boze burgers die in opstand komen tegen de elites van de wereld. Groeiende economische ongelijkheid laat volgens Hanauer zien dat het kapitalisme niet meer werkt voor alle mensen. Dat is slecht voor het bedrijfsleven en zal uiteindelijk de liberaal-kapitalistische wereldorde om zeep helpen.

Hoe moet het nu verder met het kapitalisme? Hetzes tegen het bedrijfsleven en hernieuwd gedweep met socialisme bieden weinig soelaas. Net zomin als de rechts-populistische roep om de afbraak van de internationale handelsorde en het sluiten van de grenzen. Het is economisch schadelijke en politiek gevaarlijke symptoombestrijding.

Beide leggen zich namelijk defaitistisch neer bij het falen van de vrije markt en dragen geen oplossingen aan om de fouten van het kapitalisme te corrigeren. De weg wordt zo vrijgemaakt voor de ondergang van het kapitalisme, zoals we dat eerder in de jaren dertig van de twintigste eeuw hebben gezien.

In het volgende en laatste deel van deze serie: hoe het kapitalisme moet worden gered van de kapitalisten.