Dit verhaal is dankzij Blendle ook te beluisteren!
Het is dinsdag 16 oktober 1973. De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Henry Kissinger en de Noord-Vietnamese diplomaat Le Duc Tho krijgen de Nobelprijs voor de Vrede. Reservegeneraal Ariel Sharon steekt met zijn Israëlische troepen het Suezkanaal over tijdens de Jom Kippoeroorlog. Diezelfde dag verschijnt op de voorpagina van The New York Times, onder de vouw, op de vierde en vijfde kolom, voor het eerst de naam Donald J. Trump.
Je leest de cover story van de nieuwe Vrij Nederland. Hele nummer bestellen? Klik hier!
Geschiedenis beweegt zich zelden in een rechte lijn: de strijd in Vietnam zou nog twee jaar voortwoekeren, de Jom Kippoeroorlog toonde voor het eerst de kwetsbaarheid van Israël. Maar de ster van Trump, destijds 27 jaar en directeur van de Trump Management Corporation aan Avenue Z in Brooklyn, zou blijven rijzen, ook in − en dankzij − de media. Dat bleef niet zonder gevolgen voor diezelfde media: als president staat Trump aan de basis van een van de grootste identiteitscrises die de Amerikaanse pers ooit doormaakte.
Vaak belde Trump zelf de krant. Roddeljournalist-in-ruste Susan Mulcahy schreef in Politico schuldbewust op hoe zij in de jaren tachtig en negentig in haar column voor de New York Post, ‘inktdruppel voor inktdruppel’, aan Trumps beklimming van de society-ladder had meegewerkt. Weliswaar loog hij zoals anderen ademen (‘Wenste Trump je goedemorgen, dan wist je dat het middag was’), maar als New Yorkse tabloid kon je niet om hem heen. Vaak ging het over onschuldige zaken. Trump wilde lid worden van een herensociëteit, die accepteerde hem niet als lid, de New York Post schreef dat op: Trump aan de lijn, woedend. Vaak kwamen echtgenote een, twee en drie voorbij. Toen hij nummer één (Ivana) inruilde voor nummer twee (Marla) haalde Trump acht dagen op rij de cover van de Post, een record.
En vaak ging het over vastgoed. Zo ook op die oktoberdag in 1973. Het ministerie van Justitie beschuldigde Trump ervan zijn duizenden huurappartementen niet beschikbaar te willen stellen aan zwarte huurders en begon een rechtszaak wegens discriminatie. Trump ontkende alles. De allereerste woorden die The New York Times optekende uit zijn mond: ‘De beschuldigingen zijn ridicuul.’
Trump leerde wat hij tot op de dag van vandaag doet: wat je ook doet, begin altijd een mediaoffensief.
Trump zette de tegenaanval in, begon een zaak tegen het ministerie wegens smaad en klaagde intussen dat de federale overheid hem dwong om bijstandstrekkers in zijn appartementen te stoppen. De kwestie werd geschikt: Trump zegde toe geen minderheden te zullen weren, maar hij hoefde óók geen schuld te bekennen.
De tactiek van Trumps nieuwe advocaat, de legendarische Roy Cohn, van wie Trump alle trucs leerde die hij tot de dag van vandaag inzet, had gewerkt: beschuldig je beschuldigers, geef nooit je ongelijk toe, laat er geen twijfel over bestaan aan wiens kant je staat mocht het ooit tot een rassenstrijd komen − en begin een mediaoffensief. Wat je ook doet, begin altijd een mediaoffensief, en als ze niet schrijven wat je wilt, dan val je ze aan.
Circus
Het is inmiddels 47 jaar later. En hoewel de presidentsverkiezingen alweer voor de deur staan, lijken de gevestigde Amerikaanse media nog nauwelijks bekomen te zijn van de vorige. Op nieuwsredacties zorgde Trump voor een systeemschok. Daags na de verkiezingen stelden hoofdredacteur en uitgever van The New York Times hardop de onvermijdelijke vragen: hebben we Trump te lang als circusact gezien? Gingen we genoeg het land in?
Moest je zijn toespraken wel uitzenden als die uitmonden in een kettingbotsing van onwaarheden?
Maar tijd voor een zorgvuldige autopsie op de verkeerde inschattingen was er nauwelijks. De trein denderde voort, de pers moest aan de bak. Talloze nieuwe vragen dienden zich aan. Moest je toespraken van de president nog wel rechtstreeks uitzenden in de wetenschap dat zo’n toespraak doorgaans uitmondt in een kettingbotsing van onwaarheden? Noem je die onwaarheden vervolgens ‘leugens’? Gold een presidentiële tweet voortaan als officieel Witte Huis-beleid?
En misschien wel de belangrijkste vraag: hoe kon je met goed fatsoen verslag doen van dit presidentschap zonder je het verwijt van activisme op de hals te halen? Een president die tijdens een eclips recht de zon in kijkt kun je nog net ‘onconventioneel’ noemen, maar als diezelfde president suggereert zijn politieke vijanden op te sluiten, dekt die term de lading al niet meer. In de woorden van Marty Baron, hoofdredacteur van The Washington Post: ‘We are not at war, we are at work.’ Baron wist dat dit Witte Huis op een confrontatie uit was: de media − dezelfde media die hem tijdens de campagne zo hadden opgeblazen − framen als instrument van de oppositie was een belangrijk onderdeel van Trumps aanvalsplan. Wie mij kritisch volgt, valt mij aan, en wie mij aanvalt, zegt hij keer op keer tegen zijn achterban, valt jullie aan.
Achter elke stuiterbal aan
Is de journalistiek de klap van Trump te boven gekomen? Een rondje langs betrokkenen stemt niet bepaald optimistisch. De kritiek komt van alle kanten. Bret Stephens, een van de weinige conservatieve columnisten op de opiniepagina van The New York Times: ‘De media hebben amper lessen getrokken uit 2016. Dat zie je terug in het afnemende vertrouwen van Amerikanen in de pers. Heel zorgwekkend.’
De conservatieve denker Tom Nichols: ‘Nee, het gaat niet beter. De pers is zo bang om voor elitair te worden versleten dat ze hun werk niet goed doen.’
Margaret Sullivan, voormalig Ombudsman bij The New York Times en tegenwoordig mediacolumnist van The Washington Post, mist durf: ‘Nog steeds bepaalt Trump te veel onze agenda. We hollen achter elke stuiterbal aan die hij gooit.’
Haar New York Times-collega Ben Smith is iets optimistischer: ‘We zitten in the best of times and the worst of times, om met Dickens te spreken. Ons vak lag nog nooit zo onder vuur, maar ik zie ook een nieuwe generatie zelfbewuste journalisten opstaan die het belang van journalistiek meer dan ooit op waarde schatten.’
Waarover de mediawatchers het eens zijn: Trump kreeg tijdens de vorige campagne te weinig weerwoord, zijn aanvallen op de vrije pers zijn ongeëvenaard en gevaarlijk. De lichtpuntjes: hogere oplagen, steengoede onderzoeksverhalen en het ontstaan van een fundamenteel debat over de rol van kwaliteitsjournalistiek in de samenleving. Maar over wat de uitkomst van dat debat zou moeten zijn, verschillen de meningen.
Bron van desinformatie
Jay Rosen, hoogleraar journalistiek aan New York University en de bekendste mediacriticus in de VS, pelt op zijn blog Pressthink en op zijn twitterfeed (bijna 300.000 volgers) in detail journalistieke keuzes af. Volgens hem voldoen de traditionele regels niet meer.
‘De politieke journalistiek ging altijd uit van bepaalde gedragingen van politieke leiders. Dat was het fundament van hun werk. Een leider spreekt meestal de waarheid, maakt zich in het algemeen hard voor burgerrechten, respecteert alle pijlers waarop de democratie rust, ga zo maar door. Maar Trump haalde die veronderstellingen onderuit. Al die zaken bleken slechts conventies te zijn, geen harde afspraken. Daarmee verdween het fundament onder de politieke journalistiek.’
Afgelopen maart bepleitte Rosen andere regels voor de politieke journalistiek. Er was geen alternatief, schreef hij: een nieuw verkiezingsjaar was aangebroken, en de machtigste bron van desinformatie in de VS was de president zelf. Tijd voor nieuwe spelregels.
Regel één: tv-zenders en liveblogs doen niet langer rechtstreeks verslag van een presidentiële toespraak of persconferentie. Pas als de president een nieuwswaardige mededeling doet die het medium heeft kunnen factchecken, wordt er gepubliceerd.
(tekst loopt door onder afbeelding)
Regel twee: serieuze media verbreken de banden met het Witte Huis, gaan niet langer naar persbriefings en laten off-the-record-sessies met Trumps adviseurs voortaan links liggen, want zij liegen ook buitensporig veel − bijvoorbeeld wanneer zij zeggen dat Trump de hardst werkende president in de geschiedenis is.
Soms, erkent Rosen, is een flagrante presidentiële leugen nieuwswaardig vanwege de alarmerende idiotie ervan. Voor zulke situaties bepleit hij het model van de ‘waarheidssandwich’, geleend van de beroemde taalkundige George Lakoff: omlijst de leugen met een onmiddellijke factcheck. Dus: ‘Er is geen enkel bewijs dat het werkt, maar toch suggereerde president Trump vanmiddag op een persconferentie dat corona bestreden kan worden met desinfecteringsmiddel en zonlicht. Artsen wijzen die suggestie van de hand.’
Gênante momenten
Tom Nichols, hoogleraar Veiligheidsvraagstukken aan het Naval War College in Rhode Island, is een zogeheten Never Trump Republican. Hij adviseert het Lincoln Project, een bekende actiegroep van conservatieven die met harde, sarcastische spotjes hopen bij te dragen aan een verkiezingsnederlaag van Trump. Drie jaar geleden publiceerde Nichols het boek The Death of Expertise, over het toenemende anti-intellectualisme in zijn land en het groeiende wantrouwen ten opzichte van deskundigheid. Je zou zeggen: ook Nichols wil Trump zo min mogelijk ongefilterd een podium geven.
Dwing kijkers onder ogen te zien voor wie ze hebben gekozen. Laat zo’n persconferentie niet over aan Fox News.
Maar dat is niet zo. Nichols: ‘Ik vind dat we één norm niet zouden moeten loslaten: als een Amerikaanse president achter een katheder staat met daarop het presidentiële zegel, dan moeten we dat uitzenden. Elke persconferentie van elke president, altijd. Met die gewoonte moeten we niet breken omdat er nu iemand zit die dat podium misbruikt. Laat maar zien dat de keizer geen kleren draagt.’
Nichols noemt een persconferentie in augustus als voorbeeld. Een verslaggeefster van CBS vroeg Trump waarom hij keer op keer zei verantwoordelijk te zijn voor een wet over betere gezondheidszorg voor veteranen. In werkelijkheid ondertekende Obama die wet, al in 2014. Trump heeft de leugen al zo’n 150 keer herhaald. Trump kapte de verslaggeefster af, gaf geen antwoord, beëindigde abrupt de persconferentie en beende boos weg. ‘Zijn paniek was even zichtbaar en dat is goed. Dwing kijkers onder ogen te zien voor wie ze hebben gekozen. Laat zo’n persconferentie niet over aan Fox News, die er campagnespotjes van knipt en de meest gênante momenten weglaat.’
Dit vereist wel een scherpte van journalisten die Nichols nu vaak mist. ‘Vooral televisieverslaggevers gaan met een vooraf bedachte vraag naar zo’n persconferentie, want met die vraag willen ze “nieuws maken”. Dus als Trump ineens zegt dat de maan gemaakt is van groene kaas, dan stellen ze vervolgens gewoon die voorgenomen vraag over het begrotingstekort, alsof je daar bij deze president een geïnformeerd antwoord op krijgt. Niet doen! Vraag in plaats daarvan: wacht even, wat beweert u nou net over de maan? En als je geen antwoord krijgt, dan moet de volgende vragensteller diezelfde vraag herhalen.’
Onlangs liet de van oorsprong Australische verslaggever Jonathan Swan zien hoe het ook kan. In een interview voor nieuwssite Axios in samenwerking met betaalzender HBO wilde Swan eigenlijk op maar twee vragen antwoord: hoe had de coronapandemie in het rijkste land ter wereld zo uit de hand kunnen lopen en hoe bezag Trump zijn eigen rol daarin? Swan vroeg onverstoorbaar door zonder de heroïsche vragensteller te willen uithangen. Daardoor kon Trump moeilijk boos worden, maar hij oogde wel hulpeloos en onwetend. Zelden was de president zo duidelijk de onderliggende partij. Het interview (hieronder een filmpje met vijf ‘hoogtepunten’) werd tientallen miljoenen keren bekeken.
https://www.youtube.com/watch?v=Ig_btdrmxD4
Cultuuroorlog
Maar de impact van het Trumpisme op de journalistiek reikt stukken verder dan alleen de politieke bubbel in Washington. Dat blijkt vooral sinds de moord op George Floyd, afgelopen mei in Minneapolis. Dat Afro-Amerikanen buitensporig vaak slachtoffer zijn van politiegeweld is niet nieuw. Protestbeweging Black Lives Matter werd opgericht in het Obama-tijdperk. Wat wel nieuw is: een president die vaten vol olie op het vuur gooit, vreedzame demonstranten uit de straten van Washington laat vegen en in dit optreden winstkansen ziet.
De vastgoedman die in 1973 geen Afro-Amerikanen in zijn huurwoningen duldde, belooft in 2020 in een tweet gericht aan de bewoners van de suburbs hun kalme voorsteden te zullen vrijwaren van minderheden. (Trump sprak over ‘lage inkomens’, maar iedereen wist wat hij bedoelde: een week eerder had hij een einde gemaakt aan een huisvestingsregeling van zijn voorganger, bedoeld om segregatie in de voorsteden tegen te gaan.)
Aan het begin van de zomer leek Trump, die als gastheer van televisieshow The Apprentice ooit voorstelde een zwart en een blank team tegen elkaar te laten spelen, vastbesloten om met het beproefde recept van de cultuuroorlog zijn achterstand in de peilingen te lijf te gaan. De knie in de nek van George Floyd en alles wat daarop volgde, zette niet alleen de samenleving op scherp, maar ook Amerikaanse krantenredacties − nergens meer dan bij The New York Times.
De Times is nog altijd het vlaggenschip van de Amerikaanse journalistiek. Drukt die krant iets af, dan volgt de rest vanzelf. Het is de eerste krant die de politieke klasse ’s ochtends leest, links én rechts. Het is óók de krant everybody loves to hate. Bij Trump is dat deels strategie en deels, zo bezweren intimi, het gevolg van het minderwaardigheidscomplex van een kind uit Queens dat Manhattan veroverde maar nooit het beoogde respect kreeg van de belangrijkste krant aldaar.
Onder vuur van progressieven
Maar de Times ligt minstens zo vaak onder vuur van de eigen lezers. Nieuw is dat niet: zeventien jaar geleden hobbelden Washingtonse sterverslaggevers van de krant kritiekloos achter de massavernietigingsleugens van de regering-Bush aan, tot woede van progressieven.
De opmars van Trump heeft het linkse wantrouwen exponentieel doen groeien. Dat begon al in de laatste weken van de campagne van 2016. De krant besteedde toen aanzienlijk meer ruimte aan enigszins opgeklopte e-mailschandalen rond Hillary Clinton dan aan haar beleidsvoorstellen. Met Trump eenmaal in de Oval Office ging de kritiek niet liggen. Maggie Haberman, de bekendste Witte Huis-verslaggever van de krant, ligt op sociale media permanent onder vuur van progressieven die menen dat zij Trump normaliseert in ruil voor primeurs.
In de nasleep van de straatprotesten vertrokken meer journalisten bij hun medium
Na de Black Lives Matter-demonstraties kwamen niet alleen lezers maar ook de journalisten zelf in opstand. Aanleiding was een opiniestuk van senator Tom Cotton, een van Trumps trouwste bondgenoten in Washington. Het verscheen twee dagen nadat Trump een groep vreedzame demonstranten uit een park voor het Witte Huis had laten vegen. In een opruiende, dystopische schets waarin elke demonstrant een gewelddadige relschopper was, pleitte Cotton voor de inzet van het leger in Amerikaanse steden. Daar zouden linkse Antifa-demonstranten de macht hebben overgenomen.
Het stuk stond nog niet online of redactieleden kwamen er tegen in opstand. Niet tien of vijftig of tweehonderd, maar meer dan duizend. Afro-Amerikaanse redacteuren voelden zich persoonlijk bedreigd door het stuk en lieten dat weten via Twitter. Een columnist van de krant noemde het artikel ‘fascistisch’. De chef van de opiniepagina, James Bennet, verdedigde de plaatsing aanvankelijk. Een dag later ging hij al door het stof: het stuk wemelde van de fouten en overdrijvingen (vooral politieagenten waren slachtoffer geworden van het straatgeweld, schreef Cotton) en had nooit in deze vorm afgedrukt mogen worden. Diezelfde week nam de opiniechef gedwongen afscheid.
In de nasleep van de straatprotesten vertrokken meer journalisten bij hun medium. Blogger Andrew Sullivan, ooit aanvoerder van de vrijdenkers op internet, vertrok bij New York Magazine. Hij noemde het opinieklimaat er verstikkend. Opstand was er ook op de redacties van The Washington Post en de Los Angeles Times. Journalisten uit minderheidsgroepen voelden zich er onvoldoende gehoord.
(tekst loopt door onder afbeelding)
Intellectuele lafheid
Bret Stephens is een van de schaarse conservatieve columnisten op de opiniepagina van The New York Times. In 2017 haalde de nu ontslagen opiniechef hem van The Wall Street Journal naar de Times, juist omdat de krant teveel naar één kant helde.
Drie maanden na het Cotton-voorval kan Stephens zich nog steeds opwinden over de handelswijze van zijn krant. ‘Het is een zegen voor vijanden van de vrije pers, een uitnodiging tot intellectuele lafheid. Onze lezer wordt er niet mee bediend.’ Stephens wijst op peilingen waaruit blijkt dat de helft van de Amerikanen graag militairen in de steden zag verschijnen. ‘Cotton nam geen fringe-standpunt in. Ik was het niet eens met zijn stuk, ik vond het slecht beargumenteerd. Maar Cotton is een vooraanstaand senator en in de toekomst wellicht presidentskandidaat. We kunnen toch niet doen alsof zijn mening er niet toe doet? Had de krant geen probleem met het stuk gehad als hij zijn pleidooi beter had onderbouwd?’
Sinds Stephens in zijn allereerste column begrip toonde voor klimaatsceptici kwam het nooit meer goed
De hoofdredactie zou iets geleerd moeten hebben van 2016, zegt Stephens. ‘Ze stelden zich nota bene de vraag of ze de Trump-achterban wel genoeg kenden. Neem van mij aan: die achterban is het met Cotton eens.’
Bedreiging voor Amerika
Het Cotton-stuk zette de discussie over de cancel culture op Amerikaanse nieuwsredacties op scherp, al is die term volgens Stephens misleidend. ‘Er wordt helemaal niets gecanceld. Cotton was de morele winnaar van deze kwestie, hij werd in eigen kring als held onthaald. We halen tegenwoordig gevoelige onderwerpen weg van plekken waar er tenminste op beschaafde wijze over wordt gediscussieerd. Pleeg ik zelfmoord als ik ontslagen word bij The New York Times? Nee, dan ga ik met mijn mening ergens anders naartoe.’
Dat laatste scenario is niet per se fictief: lezers drongen herhaaldelijk aan op het ontslag van Stephens. Sinds hij in zijn allereerste column begrip toonde voor klimaatsceptici kwam het nooit meer goed.
Net zo omstreden onder lezers was Bari Weiss, een opinieredacteur die net als Stephens na de verkiezing van Trump overkwam van The Wall Street Journal. Weiss moest het conservatieve geluid een podium geven, en schreef zelf verschillende columns over linkse intolerantie op universiteitscampussen. Afgelopen juli nam ze ontslag. In een openbare brief aan de uitgever schreef ze dat haar krant niets had geleerd van de verkiezingen in 2016. Ze schreef ook dat collega’s karaktermoord op haar hadden gepleegd via het interne chatprogramma Slack.
Alleen: hoe tolerant waren Weiss en Stephens zelf? Als student aan Columbia University drong Weiss aan op het ontslag van islamitische professoren die kritisch waren op Israël, reconstrueerde journalist Glenn Greenwald op website voor onderzoeksjournalistiek The Intercept.
Berucht is ook de e-mail die Bret Stephens naar de decaan van de George Washington University stuurde nadat een van de professoren Stephens op Twitter had uitgemaakt voor ‘bedwants’. Stephens nu: ‘Dat had ik niet moeten doen. Maar ik was niet uit op zijn ontslag, ik wilde alleen laten zien wat voor mensen de decaan in dienst had genomen.’ Na de commotie stopte Stephens met Twitter. In een column na het Cotton-debacle omschreef de columnist de linkse neiging tot cancel culture als een grotere bedreiging voor Amerika dan Trump.
Absurd, zegt mede-conservatief Tom Nichols, de man van het Lincoln Project. ‘Natuurlijk is cultureel-links een bedreiging voor zichzelf. Dat was al zo in de jaren zeventig, toen studenten op de Berkeley-universiteit conservatieve sprekers van de campus wilden weren. Intolerantie ten opzichte van afwijkende meningen is een groeiend probleem. Maar laten we niet doen alsof dat uitsluitend een links probleem is.’
King of cancel culture
De verontwaardiging van rechts lijkt inderdaad selectief. Trump zelf, die in het thema zoveel winstkansen ziet dat hij er op Onafhankelijkheidsdag een hele toespraak aan wijdde, heeft zelf een sport gemaakt van cancel culture. Hij riep op tot een boycot van bedrijven als Macy’s, Apple en onlangs nog bandenfabrikant Goodyear, dat werknemers verbood om Make America Great Again-petjes (maar ook andere politieke accessoires) op de werkvloer te dragen. Hij dreigde de kabellicentie van televisiezenders af te nemen en vroeg om het ontslag van individuele journalisten. Trump is the king of cancel culture. Topsporters die niet willen gaan staan bij het volkslied? Schorsen voor het leven. Intussen dient het staatsapparaat gezuiverd te worden van iedereen die tijdens het impeachment-proces belastende details over de president verstrekte. Zijn aanhang luistert.
Tom Nichols: ‘Ik schrijf al bijna dertig jaar opiniestukken, maar pas sinds ik kritisch ben gaan schrijven over Trump, krijgt mijn baas telefoontjes: of hij me kan ontslaan. Niet eens per maand, elke week.’
‘Als je het idee dat geslacht fluïde is niet onderschrijft, ben je nauwelijks beter dan een lid van de KKK’
Bret Stephens op de vraag waarom hij cancel culture van links een grotere dreiging vindt dan Trump: ‘Onze president is een flapdrol. Zijn intenties zijn niet beter dan die van Erdogan of Orban. Maar hij is incompetent. Dat is geruststellend. Ooit gaat Trump weg. Cancel culture kan blijvende gevolgen hebben. Ik zou de Democratische Partij willen waarschuwen zodat ze niet in dezelfde situatie belandt als de Republikeinen, waar de intolerante, antiliberale vleugel uiteindelijk won.’
Stephens noemt het debat over transgenders als voorbeeld. ‘Tien jaar geleden was het nauwelijks onderwerp van gesprek. Je had mannen en vrouwen, en dat was biologisch bepaald. Als ik dat nu tegen mijn tienerdochter zou zeggen, wordt ze woedend. Er heeft zich een gigantische culturele transformatie voorgedaan. Op zich is dat prima, maar het gaat gepaard met een donderende morele toon: als je het idee dat geslacht fluïde is niet onderschrijft, dan vergis je je niet alleen, maar dan ben je nauwelijks beter dan een lid van de Ku Klux Klan. Ikzelf vind dat al zorgelijk, en ik woon in Manhattan. Maar rij twee uur deze stad uit, en mensen vinden het schandalig. Transgenderisme lijkt een test van morele acceptatie geworden. Dát, meer dan transgenders an sich, vindt een deel van dit land angstaanjagend.’
Pro-Trump-stem
Intussen heeft de meest prestigieuze opiniepagina in Amerika nog steeds geen Trumpist onder contract. Alle overgebleven conservatieven hebben zich tegen Trump gekeerd. Ook Stephens. ‘Ik kan mijzelf niet verloochenen. Maar het is wel jammer. Arthur Miller zei: een goede krant is een krant die met zichzelf in dialoog gaat.’
Ben Smith, die vorig jaar als hoofdredacteur vertrok bij BuzzFeed News en bij de Times in de voetsporen van de legendarische mediacolumnist David Carr trad: ‘Een pro-Trump-stem zou goed zijn, maar die moet dan wel aan een bepaalde standaard voldoen. Hoe vind je een intellectuele vertegenwoordiger van een anti-intellectuele stroming die ons, de pers, ook nog eens als vijand ziet?’
Op veel redacties keren journalisten zich inmiddels openlijk tegen wat bothsidesism ging heten: de veilige gewoonte om elke conclusie aan de lezer te laten
Mediacriticus Jay Rosen is dat met hem eens. ‘Neem Trumps bewering dat Mexico gaat betalen voor een muur op de zuidgrens. Iedereen weet dat dat onzin is. Maar als een pro-Trump-columnist wil schrijven over Trumps immigratiebeleid, dan kan hij moeilijk aan die gratis muur voorbij gaan: het is de kern van Trumps plannen. Dan moet je dus net doen alsof Mexico inderdaad voor die muur gaat betalen, waarmee het meteen een intellectueel oneerlijk betoog wordt. Dat wil de Times niet − en daarom hebben ze geen pro-Trump-columnist. Hetzelfde geldt voor The Washington Post.’
Stephens gaat niet mee in die logica. ‘Iemand kan prima een gloedvol betoog voor Trump houden zonder dat hij het in alles met hem eens is. Je kunt betogen dat hij China aanpakt, goede vragen stelt over immigratie, een gezond tegenwicht biedt aan de elites aan de oost- en westkust, waar ik mijzelf ook toe reken. Ikzelf geneer me elke dag voor Trump. Amerika heeft een pestkop gekozen met het intellect van een dertienjarige. Maar dat wil niet zeggen dat hij alleen maar idiote dingen zegt die verachting verdienen.’
De kant van de lezers
Het is onwaarschijnlijk dat The New York Times en andere kranten de geest weer snel in de fles krijgen. Jay Rosen: ‘Kranten halen steeds minder inkomsten uit advertenties en steeds meer uit abonnementen. Dat maakt lezers machtiger. De harde kern van de New York Times-lezers wil dat de krant zich feller uitspreekt, terwijl de leiding van de krant op de rem trapt. Dat kan in een tweede termijn van Trump wel eens ontploffen. Zeker als redacteuren de kant van die lezers kiezen.’
En dat laatste gebeurt. Op veel redacties keren journalisten zich inmiddels openlijk tegen wat bothsidesism ging heten: de veilige gewoonte om elke conclusie aan de lezer te laten. Dat objectiviteit als zodanig niet bestaat − aan elk krantenstuk gaan talloze subjectieve keuzes vooraf − is een deur die inmiddels al vaak is ingetrapt. Waarom, zegt de tegenbeweging, houden redacties daar dan toch nog zo krampachtig aan vast? Zo schreef The New York Times tijdens het impeachment-proces dat Republikeinen en Democraten het ‘zelfs niet eens konden worden over de meest basale feiten’ − je zou zeggen: als het toch feiten zijn, zet er dan meteen even bij wie gelijk had.
Het duurde lang voordat de Times een uitspraak van Trump als ‘racistisch’ bestempelde
Het Trump-tijdperk, en in het bijzonder het Black Lives Matter-debat, zette het verzet tegen deze valse balans op scherp. En het verzet tegen versluierd taalgebruik. Het duurde lang, langer dan bij veel andere grote nieuwsorganisaties, voordat de Times een uitspraak van Trump als ‘racistisch’ bestempelde. Zelfs toen de president vier vrouwelijke Congresleden van kleur terug wenste naar ‘hun eigen land’, schreef de krant eufemistisch dat zijn opmerkingen ‘raciaal geladen’ waren.
Volgens journalist Wesley Lowery, zelf Afro-Amerikaans, verhullen zulke termen het structurele racisme in zijn land. Hij ziet een simpele oorzaak: nieuwsredacties zijn te wit. Als jonge journalist van The Washington Post deed Lowery verslag van de protesten in Ferguson in 2014. Die ontstonden nadat een politieman de ongewapende zwarte tiener Michael Brown had doodgeschoten. Later vertrok Lowery bij de krant na een ruzie met de hoofdredactie, die Lowery’s tweets over racisme en journalistiek te stellig vond. Voor Lowery onderstreepte dat zijn punt: wat de ‘objectieve waarheid’ is, wordt doorgaans vastgesteld door witte verslaggevers, eindredacteuren en hoofdredacteuren. Daarom is de eerste reflex van de krant om te schrijven over een ‘schietpartij waarbij een politieman betrokken was’, niet over de politie die iemand doodschoot.
De traditionele, door het streven naar objectiviteit geobsedeerde journalistiek is een mislukt experiment, aldus Lowery in een opiniestuk, en zou moeten plaatsmaken voor journalistiek ‘vanuit morele helderheid’. Hopelijk is het dan ook gedaan met de koudwatervrees van journalisten om racisme door gezagsdragers − zoals de president − als zodanig te benoemen. We hoeven niet te wachten totdat we weten wat in iemands hart schuilt: racisme gaat immers over woord en daad.
Twee verschillende werelden
Bret Stephens gruwt van deze aanpak. ‘Al die bijvoeglijke naamwoorden die we menen te moeten toevoegen aan alles wat Trump zegt en doet… We zijn partijdige actoren geworden. Het is niet de taak van Maggie Haberman om een tweet van de president racistisch of zelfs maar “racistisch geladen” te noemen. Laat dat maar aan columnisten over, zoals ik. De Times had ooit veel conservatieve lezers. Op deze manier raken ze die kwijt.’
Maar Stephens zit zelf in het verliezende kamp, zo suggereert een boeiende aflevering van de podcast Longform met Dean Baquet, de huidige − en eerste zwarte − hoofdredacteur van de Times.
Baquet groeide op in het diepe zuiden. Zijn vader was behalve een bekende restaurateur ook burgerrechtenactivist. Baquet vertelt hoe hij zich afgelopen zomer nieuwsgierig onder de Black Lives Matter-activisten in Greenwich Village mengde: capuchontrui aan, gympen, mondkapje op. Hij was een paar decennia ouder dan de meeste demonstranten. Verder had hij een van hen kunnen zijn. De straatprotesten emotioneren Baquet, zegt hij, maar hij leeft in twee verschillende werelden: die van de zwarte man in Amerika, en die van de hoofdredacteur van een journalistiek instituut dat permanent onder een vergrootglas ligt.
Inmiddels is de Trump-kiezer uit het heartland niet meer van de krantenpagina’s weg te denken
Het liefst ziet Baquet dat zijn verslaggevers het oordeel of opmerkingen van Trump racistisch zijn aan de lezer laten. Maar hij erkent ook dat het streven naar een meer diverse redactie − inmiddels is ruim 30 procent van de Times-journalisten niet-wit − gevolgen heeft. Baquet citeert een jonge zwarte redactrice met wie hij enige tijd geleden een lunchafspraak had. Ze belandden in een discussie en de hoofdredacteur verbaasde zich over haar felheid. Waarop ze enigszins bedremmeld zei: ‘Maar… wat had je dan verwacht toen je me aannam?’
De krant zal veranderen, erkent Baquet, die zelf nog een kleine twee jaar te gaan heeft tot zijn pensioen. Dat honderden redacteuren naar aanleiding van het Cotton-opiniestuk de afspraak schonden om niet op sociale media de eigen krant af te vallen, kon Baquet stiekem wel waarderen, vertelt hij aan Longform.
Exoten
Blijft de vraag over waarmee het journalistieke zelfonderzoek in 2016 begon: hoe hebben we de Trump-stemmer zo over het hoofd kunnen zien? Aan verhalen uit flyover country was tijdens de 2016-campagne geen gebrek, maar de kiezers die de kranten er aantroffen, werden te vaak als exoten gezien.
Volgens Bret Stephens is dat nog steeds zo: ‘We kunnen eindeloos herhalen dat Trump een seksist en een racist is. En dat is hij ook. Maar daarmee is de steun voor hem niet weg. Natuurlijk wonden zijn kiezers zich op over vrijhandel en over globalisering. Maar ook hun afkeer van de zelfingenomen media-elite dreef hen in Trumps armen. Het was ook een culturele afrekening.’
(tekst loopt door onder afbeelding)
Inmiddels is de Trump-kiezer uit het Amerikaanse heartland niet meer van de krantenpagina’s weg te denken. De Ohio diner story − journalist ontmoet teleurgestelde Democraten uit de arbeidersklasse in een diner in het Midwesten − werd hét journalistieke cliché uit het Trump-tijdperk. ‘Het is zo’n eendimensionaal beeld van de Trump-stemmer,’ verzucht Stephens. ‘Er zijn er zoveel meer. Mensen met wie je gewoon een normaal gesprek in een restaurant kunt voeren, mensen die Europa hebben bezocht, die misschien meerdere talen spreken. Heus, ik ken ze. Mensen die Trump net als ik verwerpelijk en vulgair vinden, zich schamen voor hem als president en desondanks, anders dan ik, op hem stemden.’
Never-Trumper Tom Nichols: ‘Niemand wordt vaker gepeild dan de kiezers in het Midwesten. We weten veel beter hoe zij over dingen denken dan de kiezers in Californië of New York. Maar de helft van de bevolking woont aan de kusten. Ik ben het zat om te horen dat “gewone Amerikanen” in het heartland wonen. Tussen Washington en Boston wonen 60 miljoen mensen. Wij zijn ook gewone Amerikanen.’
De straat op
De afgelopen vijftien jaar gingen er jaarlijks gemiddeld honderd lokale en regionale kranten ter ziele. Voor een boek over de teloorgang van de lokale pers reisde Margaret Sullivan, mediacolumnist van The Washington Post, recentelijk door het hele land. Overal hoorde ze hetzelfde: geef ons gewoon de feiten, jullie interpretatie hoeven we niet.
Uit nieuw onderzoek blijkt dat driekwart van de Republikeinse kiezers (en bijna een kwart van de Democratische) een negatief beeld heeft van de media. Sullivan, zelf afkomstig van een regionaal dagblad: ‘Vroeger hadden veel journalisten een working class-achtergrond, ook bij de grote dagbladen. Dat is niet meer zo. Bij de grote kranten aan de oostkust komen veel journalisten van Ivy League-scholen, ze wonen al jaren in New York en Washington. Ik vrees dat we de zorgen van veel Amerikanen daardoor onvoldoende aanvoelen.’
‘Ik heb mijn redacteuren op het hart gedrukt om niet mee te lopen in een abortusmars, maar ik zou dat nu niet meer doen’
Intussen ziet Sullivan hoe ook bij haar eigen krant de boel op scherp staat. Tot dusver kwam de Post redelijk ongeschonden uit het Trump-tijdperk: met een strijdvaardige slogan (‘Democracy dies in darkness’) en nuchtere verslaggeving lag de Post nooit zo onder het vergrootglas als de Times. Daardoor heerste ook intern meer rust. Maar Black Lives Matter veranderde veel. ‘De leiding van onze krant is voorzichtig. Die ontmoedigt redacteuren om in demonstraties mee te lopen die politiek kunnen worden uitgelegd. Maar zijn racisme en burgerrechten politieke onderwerpen? Trump heeft ze politiek gemaakt, maar moeten we ons dan door hem laten gijzelen? Ik leidde ooit in Buffalo een redactie met tweehonderd redacteuren. In de stad vond een veelbesproken mars plaats voor het recht op abortus. Ik heb mijn redacteuren toen op het hart gedrukt om niet mee te lopen, maar ik zou dat nu niet meer doen. Voor burgerrechten mag je de straat op.’
In juni creëerde de Post tien nieuwe posities voor journalisten die zich uitsluitend gaan richten op onderwerpen die aan diversiteit raken.
Activistischer
Ook bij The New York Times is de cultuuromslag onomkeerbaar, zegt mediacolumnist Ben Smith. Hij is niet bang dat de Times zich met een ‘moreel heldere koers’ verder naar links graaft in de loopgraven van het huidige politieke debat in de VS. ‘Wij zullen nooit het Fox News van links worden. Of onze terminologie nou scherper wordt of niet, bijna alles wat wij schrijven komt voort uit eigen verslaggeving. Alleen: je loopt met zo’n koers wel het risico dat je bepaalde blinde vlekken ontwikkelt.’
Volgens journalist George Packer is het al zo ver. De gevestigde media versloegen de Black Lives Matter-protesten uitvoerig, maar hadden te weinig aandacht voor de gewelddadige rellen die er in sommige steden op volgden, schreef hij vorige maand in The Atlantic. In 2013 bracht Packer met zijn meesterlijke boek The Unwinding de zorgen van de lagere middenklasse in beeld. Diezelfde mensen maken zich nu druk over criminelen die halve stadswijken in puin achterlaten, veel meer dan media zich realiseren, schrijft Packer. Hij stelt dat sommige invloedrijke nieuwsorganisaties activistischer zijn geworden. Ze willen hun narratief over vreedzame demonstranten niet verstoord zien. ‘Precies wat de Trump-aanhang denkt.’
Intussen kopt Trump elke voorzet vanaf links dankbaar in
Deze zomer was Packer een van de initiatiefnemers van een veelbesproken open brief in Harper’s Magazine, waarmee meer dan honderdvijftig intellectuelen zich uitspraken voor het vrije woord − en tegen cancel culture. Ze wezen onder meer op het curieuze ontslag van David Shor, een data-analist bij een progressief consultancybureau die op het hoogtepunt van de Black Lives Matter-protesten moest vertrekken. Reden: Shor had op Twitter gelinkt naar een wetenschappelijke studie naar de relatie tussen straatgeweld en de verkiezing van Richard Nixon in 1968.
Intussen kopt Trump elke voorzet vanaf links dankbaar in. Tijdens de Republikeinse conventie sprak het advocatenechtpaar McCloskey uit St. Louis. Het stel haalde tijdens de protesten de wereldpers toen het met een halfautomatisch wapen een groep demonstranten van hun erf probeerden te houden. Biden en de Democraten zijn uit op vernietiging van de suburbs, zeiden de McCloskeys op de virtuele conventie.
Een andere spreker was Nick Sandmann, een scholier die in 2019 tijdens een anti-abortusmars in Washington oog in oog kwam te staan met een bejaarde inheemse activist. Beelden en ooggetuigen suggereerden dat Sandmann, getooid met rood Trump-petje, de activist provoceerde. Na nadere bestudering van de beelden bleek het omgekeerde het geval. Sandmann eiste honderden miljoenen dollars van zes nieuwsorganisaties wegens laster. Met CNN en The Washington Post trof hij een schikking. Op de conventie haalde de scholier uit naar een wijdverbreide cancel culture waarvan hij zichzelf ook als slachtoffer zag. Die laatste conclusie veronderstelt een definitie van cancel culture die zo elastisch is dat je er hoofdpijn van krijgt, maar het laat vooral zien dat Trump geen fout ongestraft laat.
Genadeloos afgerekend worden op elke fout, een cultuuromslag in eigen kring overleven, verslag doen van een presidentschap op steroïden, en dat mogelijk nog eens vier jaar: er zijn journalisten voor minder naar een willekeurige Afdeling Voorlichting overgestapt.



Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.