Het zijn ‘tijden van identiteitspolitiek’, zei Twan Huys begin dit jaar in Nieuwsuur. Ook het Sinterklaasjournaal is ‘middenin de identiteitspolitiek terecht gekomen’, schreef NRC in oktober. ‘Identiteitspolitiek kan funest uitwerken’, sprak minister Sigrid Kaag in september in haar Abel Herzberglezing – dat had ze gezien in het Midden-Oosten. En haar voorganger Bert Koenders zei in 2016 over Russische interventies dat Nederland zich in ‘het spel van de identiteitspolitiek’ aan bepaalde regels dient te houden.
Identiteitspolitiek hangt in de lucht als een nevel die we allemaal inademen, zo lijkt het. Maar wat is het eigenlijk? Die vraag is nog niet zo makkelijk te beantwoorden. Afgaand op bovenstaande voorbeelden heeft het iets te maken met het Zwarte Piet-debat, maar ook met conflicten in het Midden-Oosten en geopolitieke spelletjes.
Buzzwords
In het politieke debat zoemen meer abstracte buzzwords rond die vraagtekens oproepen. Want wat bedoelen columnisten, activisten, maar ook Kamerleden, als ze tekeergaan tegen cultuurrelativisten, waarschuwen voor ‘cultureel marxisme’ of spreken van intersectionaliteit of genderneutraal?
Veel van deze termen zijn in de academische wereld, met name de sociale wetenschappen, gemeengoed. Pas de laatste jaren komen ze in toenemende mate in de ‘buitenwereld’ voor. Zelf leerde ik begrippen als identiteitspolitiek en intersectionaliteit kennen tijdens mijn masterstudie antropologie. Na mijn afstuderen in 2015 kwam ik ze steeds vaker tegen. Waren het in mijn studietijd al lastig te definiëren concepten, in het publieke domein blijken ze pas echt glibberig.
‘Om je als mens te handhaven, moet je de wereld in vakjes indelen. Het is dan het handigst om de classificaties over te nemen die je anderen hoort gebruiken.’
‘Bij taal is de precieze betekenis altijd vloeibaar, maar bij dit soort woorden is dat bij uitstek zo,’ zegt Marc van Oostendorp, hoogleraar Nederlands en academische communicatie aan de Radboud Universiteit. ‘Het zijn namelijk heel abstracte begrippen. Waar “is” cultuurrelativisme; waar in de werkelijkheid bevindt het zich? In de hoofden van cultuurrelativisten misschien, of in hun gedrag, maar hoe wijs je dat dan aan?’
Van Oostendorp vermoedt dat de aantrekkingskracht van dergelijke woorden deels schuilt in het feit dat ze de chaotische werkelijkheid helpen ordenen. ‘Om je als mens te handhaven, moet je de wereld in vakjes indelen. Het is dan het handigst om de classificaties over te nemen die je anderen hoort gebruiken.’
Statistische explosie
Dat proces van ‘napraten’ is de laatste jaren snel gegaan. Laten we de term ‘identiteitspolitiek’ weer als voorbeeld te nemen.
In krantenarchieven duikt die term in 1987 voor het eerst op: communistisch dagblad De Waarheid, inmiddels ter ziele, tekent het op uit de mond van de bekende feminist Anja Meulenbelt. De tweede keer dat het woord valt is in 1989, opnieuw in De Waarheid. Maar tot ver in de jaren ’10 blijft het in de gedrukte media een zeldzaam begrip.
In 2017 en 2018 vindt er opeens een statistische explosie plaats. Dit jaar viel het woord in de grote dag- en opiniebladen al in meer dan tweehonderd artikelen. (Zie onderaan voor meer informatie over het bronnenonderzoek.)
Denk werd begin 2015 opgericht, maar krijgt pas recentelijk het etiket identiteitspolitiek opgeplakt. Vóór die tijd zat het woord kennelijk nog niet in de politiek-journalistieke woordenwolk.
Ook op televisie is het woord de laatste twee jaar doorgedrongen. Zo noemde politicoloog Tom van der Meer de partij Denk, opgericht door twee Turkse Nederlanders, in een uitzending van Buitenhof in maart 2018 ‘het gevolg van vijftien jaar identiteitspolitiek in Nederland’. Denk werd begin 2015 opgericht, maar de partij krijgt pas recentelijk dit etiket opgeplakt (ook bij Vrij Nederland). Vóór die tijd zat het kennelijk nog niet in de politiek-journalistieke woordenwolk.
Het is nog wennen. In een uitzending van Pauw, rond de gemeenteraadsverkiezingen, werd houterig om het begrip heen gedanst, merkte columnist Seada Nourhussen in Trouw op. Hoe vaak presentator Jeroen Pauw het onderwerp ook probeerde aan te snijden, de politici en journalisten wisten zich er weinig raad mee.
Geen consensus
De kritische krantenlezer of tv-kijker die met vraagtekens boven het hoofd ‘identiteitspolitiek’ of ‘cultuurrelativisme’ googelt, belandt al snel van de regen in de drup.
Volgens het Engelstalige Wikipedia-lemma ‘Identity politics’ verwijst de term naar los-vaste sociale verbanden die geïnspireerd kunnen zijn op religie, sociale klasse of kaste, smaak, cultuur, dialect, beperking, opleidingsniveau, etniciteit, taal, nationaliteit, sekse, genderidentiteit, generatie, beroep, opleiding, ras, politieke affiliatie, seksuele oriëntatie, woonplaats en veteraan-zijn.
‘Onder andere’, staat daar nog bij. Verschillende andere definities zijn nog uitgebreider dan die op Wikipedia.
Het begrip cultuurrelativisme is al helemaal ambigu. ‘Over de definitie en interpretatie van cultuurrelativisme bestaat geen consensus,’ zegt het Wikipedia-lemma. Het kan zowel verwijzen naar het moreel gelijkschakelen van ‘culturen’ als naar het idee dat een cultureel fenomeen alleen in de eigen context te begrijpen valt.
Het woord valt in 1974 voor het eerst te noteren in een Nederlandse krant, als een NRC-redacteur klaagt over ‘het cultuurrelativisme van de antropologen’. Vanaf de jaren negentig neemt het gebruik ervan gestaag toe. In de afgelopen drie jaar viel het in de grote gedrukte media 137 keer – 30 procent vaker dan in de drie jaar ervoor.
‘Het idee van relativisme is dat je bij onderzoek niet uitgaat van je eigen ideeën. In plaats daarvan probeer je het te doorgronden door te kijken naar de lokale context.’
De connotatie van cultuurrelativisme is in de loop der jaren verschoven, vertelt Anouk de Koning, universitair hoofddocent culturele antropologie aan de Radboud Universiteit. ‘Het wordt tegenwoordig gezien als een moreel standpunt, maar van oorsprong is het iets methodologisch. Het idee van relativisme is dat je bij onderzoek naar een fenomeen niet uitgaat van je eigen ideeën – dus dat je vooraf al denkt te weten wat het is. In plaats daarvan probeer je het te doorgronden door te kijken naar de lokale context.’
Om verkeerde associaties te voorkomen, gebruikt De Koning zelf liever het woord ‘methodologisch relativisme’.
Negatieve connotatie
Cultuurrelativisme en identiteitspolitiek zijn in de loop der jaren door opiniemakers en politici van een negatieve connotatie voorzien. Een prominente tegenstander van cultuurrelativisme is CDA-leider Sybrand Buma. Hij noemde het in zijn HJ Schoo-lezing uit 2017 een voortvloeisel van ‘multicultureel vooruitgangsdenken’.
In de Tweede Kamer ageerde Harm Beertema van de PVV er in een handvol debatten tegen. ‘Het onderwijs loopt steeds voorop met cultuurrelativisme. Zie de aanval op Zwarte Piet,’ zei hij bijvoorbeeld in een begrotingsdebat in april 2017. Maar het begrip staat niet alleen in het woordenboek van populistisch rechts. Ook Jet Bussemaker keerde zich ertegen: in een onderwijsdebat in november 2016 noemde de toenmalige onderwijsminister namens de PvdA het onwenselijk ‘als docenten last hebben van cultuurrelativisme in die zin dat zij elke opvatting voor waar aannemen’.
Kamerleden schuiven cultuurrelativisme ook bij elkaar in de schoenen. Halbe Zijlstra (VVD) ageerde tijdens de voorlaatste Algemene Politieke Beschouwingen tegen cultuurrelativisten, maar volgens Geert Wilders (PVV) is hij er zélf een: ‘Mijnheer Zijlstra, als wij meegaan met uw cultuurrelativisme, gaat Nederland kapot.’
Net als cultuurrelativisme wordt ook de aantijging van identiteitspolitiek als een frisbee overgegooid.
Het gevaar van identiteitspolitiek wordt geregeld benadrukt door het als gif of giftig te omschrijven. Groene Amsterdammer-columnist Ewald Engelen sprak zelfs over de ‘terreur van de identiteitspolitiek waar Nederland nu al dertig jaar onder lijdt’. Net als cultuurrelativisme wordt ook de aantijging van identiteitspolitiek als een frisbee overgegooid: linkse activisten en politici protesteren dat het juist rechts is dat aan identiteitspolitiek doet, maar dan voor ‘gewone burgers’.
Het is lastig voor te stellen dat identity politics ooit een positieve connotatie had. De term, waarvan de oorsprong volgens onderzoekers in de jaren zestig en zeventig ligt, werd onder meer omarmd door The Combahee River Collective, een beweging van Afro-Amerikaanse feministen. Zij definieerden identiteitspolitiek als een middel om het feit dat ze onderdrukt werden aan de kaak te stellen. Die interpretatie van empowerment lijkt nu volledig te zijn verdampt.
Linkse activisten
Het verzet tegen de amorfe dreigingen ‘identiteitspolitiek’ en ‘cultuurrelativisme’ gaat veelal samen met een allergie voor social justice warriors, zoals activisten voor sociale gelijkheid worden genoemd. Deze activisten, vaak jong en student, hanteren een typerend idioom vol begrippen als patriarchaat, etnocentrisme, intersectionaliteit, culturele toe-eigening en white privilege, waarvoor ze deels kunnen putten uit hun academische omgeving.
‘Het is een retorisch spelletje, waarbij academisch jargon wordt overgenomen.’
Het antiracistische lingo van deze activisten wordt ook overgenomen in de media, zo merkte de ombudsman van NRC onlangs op. En niet alleen met goede bedoelingen, maar ook vaak om ze ermee te bespotten.
Antropoloog Anouk de Koning stoort zich eraan als het taalgebruik van activisten wordt misbruikt om een ‘karikatuur te maken’ van bepaalde politieke of wetenschappelijke discoursen. ‘Het is een retorisch spelletje, waarbij academisch jargon wordt overgenomen. Een voorbeeld is de kritiek op intersectionaliteit. Intersectionaliteit is voor wetenschappers een manier om vormen van sociale uitsluiting die elkaar kruisen, zoals discriminatie op afkomst en op geslacht, te analyseren. De aandacht daarvoor wordt door columnisten als Ewald Engelen neergezet als het einde van links, omdat het hierdoor te weinig over economie en klasse zou gaan.’
Intersectionaliteit als term lijkt wat dat betreft aan het begin van dezelfde ontwikkeling te staan die identiteitspolitiek en cultuurrelativisme doormaakten: oorspronkelijk een neutraal (voor academici) of positief (voor activisten) begrip, maar na verloop van tijd in de sfeer van verdachtmaking getrokken. Het woord viel in de grote dag- en opiniebladen in 63 verschillende artikelen, het merendeel uit 2017 en 2018.
Academisch jargon komt niet alleen via jonge linkse activisten het politieke debat binnen, stelt De Koning. ‘Ook via alt-right-aanhangers, die die linkse activisten dan weer aanvallen. Alt-right heeft hun eigen – in mijn ogen twijfelachtige – wetenschappelijke bronnen in de vorm van mensen als psycholoog Jordan Peterson. En Thierry Baudet heeft ook gewoon een PhD.’
‘Als je jong bent en grote onvrede voelt, wil je aan die onvrede een vorm en een taal geven. Omdat je ook student bent, ga je daar dan een wetenschappelijke analyse op leggen.’
Taalkundige Marc van Oostendorp geeft toe dat hij niet altijd weet waar social justice-activisten, die ook aan zijn universiteit rondlopen, het over hebben, ‘maar dat hoort er ook een beetje bij. Als je jong bent en grote onvrede voelt, wil je aan die onvrede een vorm en een taal geven. Omdat je ook student bent, ga je daar dan een wetenschappelijke analyse op leggen. Dat helpt om je te organiseren en te benoemen waar je denkt dat problemen zitten.’
Niets nieuws
Academisch taalgebruik in het politieke debat is niet nieuw, zegt Van Oostendorp – noch het feit dat daar met spot en hoon op gereageerd wordt. ‘In de jaren twintig en dertig gebruikten marxisten ook ingewikkelde terminologie in het debat: klassen, kapitaal, onderbouw en bovenbouw. Hun tegenstanders beschimpten hen daarom. En in de jaren zeventig en tachtig werd de spot gedreven met de taal van de ‘zachte’ gedragswetenschappers, psychologen en pedagogen, bijvoorbeeld door Van Kooten & De Bie.’
Wél nieuw is dat er anno 2018 uit een ander academisch vaatje wordt getapt. ‘De invloed vanuit sociale wetenschappen als antropologie is betrekkelijk nieuw. Voorheen waren geschiedenis en economie de belangrijkste inspiratiebronnen voor politieke retoriek.’
‘Deze woorden lijken vooral gratuit te worden gebruikt, in interviews en columns, om te laten zien hoe goed je kunt meekomen met moderne discussies.’
De opkomst van terminologie uit wetenschappen als sociologie en antropologie is ook ombudsman van de Volkskrant Jean-Pierre Geelen opgevallen. ‘Veel woorden komen in onze krant ongeveer vanaf 2010 en 2012 op, en doen vanaf 2015 enorm opgeld. Ik betwijfel of dat komt doordat media en hun lezers slimmer worden. Deze woorden lijken vooral gratuit te worden gebruikt, in interviews en columns, om te laten zien hoe goed je kunt meekomen met moderne discussies. Het is een oud principe dat je met dure woorden laat zien dat je niet van de straat bent. De verleiding om daarin mee te gaan is groot, ook voor journalisten.’
Het zijn woorden die ‘intellectueel prestige’ overdragen, zegt taalkundige Van Oostendorp. ‘Je roept niet zomaar wat, maar er zit bij wijze van spreken een hele literatuur achter. Al maak je het jezelf ironischerwijs ook juist makkelijker om vaag te blijven door dat soort woorden te gebruiken.’
Ombudsman Geelen vermoedt dat veel Volkskrant-lezers er weinig mee kunnen. ‘Als je mij zou vragen wat identiteitspolitiek is, zou ik het moeten opzoeken. Ik ken wel de sferen waarin het gebruikt wordt, maar ik zou het niet kunnen definiëren.’
Gentrificatie en gender
Geelen bespeurt in zijn krant ook een opkomst van de woorden gentrificatie – ‘vroeger noemde je dat veryupping, maar gentrificatie klinkt natuurlijk geleerder’ – en intersectionaliteit. ‘Dat woord viel in 2010 voor het eerst in de krant. Tekenend is dat dat in een bijdrage was van sociaal-wetenschapper Gloria Wekker.’
De ombudsman noemt ook het woord gender – een bij uitstek verraderlijk begrip. Elke student sociale wetenschappen leert dat er verschil is tussen sekse en gender: waar sekse verwijst naar aangeboren geslachtskenmerken, verwijst gender naar de invulling daarvan. Wat als ‘mannelijk’ gedrag wordt gezien, bijvoorbeeld.
Komisch is een scène in de BNN-documentaire Genderbende. Gevraagd naar wat gender is, komen de jongeren allemaal met een compleet andere definitie.
In het dagelijks spraakgebruik loopt dat door elkaar. De term ‘genderneutraliteit’ kan daardoor worden misbegrepen als het ontkennen van biologische verschillen. Komisch is een scène in de BNN-documentaire Genderbende over jongeren die zich man noch vrouw voelen. Gevraagd naar wat gender is, komen ze allemaal met een compleet andere definitie.
Geelen is geen fan van overmatig gebruik van het woord. ‘Als je het over geslacht of sekse hebt, lijkt het me beter om een van die woorden te gebruiken.’ Dat zal nog niet makkelijk zijn: in zijn krant valt het woord ‘gender’ steeds vaker: in 2018 een slordige 1.300 keer, waarbij verschillende invullingen van het begrip worden gebruikt.
Héél ziek
Politici munten ook zelf termen. Zo lanceerde Thierry Baudet de term ‘oikofobie’ en schreef Jesse Klaver een boek over ‘economisme’. Zelfbedachte woorden, die desalniettemin lijken te profiteren van een wetenschappelijke klank.
Baudet blies ook de negentiende-eeuwse term cultuurmarxisme (ook wel cultureel marxisme) nieuw leven in, samen met ideologische geestverwanten als voormalig VVD-gemeenteraadslid en publicist Sid Lukkassen. De FvD-leider definieert cultuurmarxisme als ‘de variant van het marxisme die (…) vervreemding via de cultuur wil realiseren’. Buiten zijn rechtse bubbel wordt het beschouwd als obscure complottheorie – niettemin besteedde Buitenhof er ruimhartig aandacht aan.
‘Cultuurmarxisme’ viel in de afgelopen drie jaar 82 keer in de grote kranten en bladen; vóór 2012 maar één keer. Ook in de Haagse politiek duikt het begrip op, bijvoorbeeld wanneer de PVV de SP van ‘politieke correctheid en cultureel marxisme’ beticht.
‘Politici scheppen met neologismen een manier om mensen naar de wereld te laten kijken.’
In 2014 werd cultureel marxisme aangehaald door voormalig SGP-Europarlementariër Bas Belder. Belder dacht daarbij overigens aan iets anders dan Baudet. ‘De doorwerking van het cultureel marxisme is in West-Europa volgens de Europarlementariër duidelijk merkbaar bij politici die er steeds meer van uitgaan dat het kind niet van de ouders, maar van de staat is,’ schreef het Reformatorisch Dagblad. Tussen neus en lippen door sprak Belder onheilspellend dat het cultureel marxisme de ‘ondergang van de westerse beschaving’ zou veroorzaken.
‘Politici scheppen met neologismen een manier om mensen naar de wereld te laten kijken,’ zegt Van Oostendorp. ‘Met oikofobie zeg je dat je tegenstanders aan een ziekte lijden, en dat ze bang zijn voor hun oikos, hun thuis. Nou, dan moet je wel héél ziek zijn. Dit woord is ook weer heel abstract; wat zijn de symptomen van die ziekte dan? Ook identiteitspolitiek is in die zin een frame. Ik kan me voorstellen dat Denk niet blij is dat ze op die manier neergezet worden. Maar hoe harder je ontkent, hoe meer het idee zich vestigt.’
Achter de woordenstrijd schuilt volgens antropoloog De Koning een bredere ‘slag om de samenleving’. ‘Waarbij diegenen die kritisch zijn ten opzichte van een nationalistisch verhaal en uitsluiting en discriminatie willen aankaarten, tegenover diegenen staan die de “gewone Nederlander” willen beschermen, die al zo veel heeft moeten inleveren. Dat laatste is in mijn ogen een manier om politiek munt te slaan uit ongemak over het benoemen van racisme en privilege van de meerderheid.’
‘Ik beloof je: deze woorden verdwijnen ook weer een keer. Over tien jaar zijn we ze weer vergeten.’
Achteloos
Voor wetenschappers zijn begrippen als identiteitspolitiek en intersectionaliteit theoretische concepten, waarbij de vloeibaarheid ervan wordt ondervangen door een bepaalde definitie aan te houden. Voor activisten helpen ze hun denken over structureel onrecht in de samenleving vorm te geven. En in de media kunnen ze helpen discussiëren over vraagstukken als racisme of de Nederlandse identiteit. Maar als ze achteloos worden gebruikt, vervormd, of ingezet om een karikatuur te maken van andersdenkenden, gebeurt eerder het tegenovergestelde.
Journalisten kunnen helpen om orde te scheppen, denkt Volkskrant-ombudsman Geelen, door bij iemands gebruik van abstracte begrippen door te vragen: wat bedóélt u er precies mee? ‘Maar ik beloof je: deze woorden verdwijnen ook weer een keer,’ zegt Geelen, en in zijn stem klinkt iets van hoop. ‘Over tien jaar zijn we ze weer vergeten, zoals tegenwoordig ook niemand het meer over “veryupping” heeft.’
Verantwoording
Voor dit artikel is met LexisNexis en Delpher gezocht naar vermeldingen in de vijf grootste landelijke dagbladen, Algemeen Dagblad, De Telegraaf, NRC, de Volkskrant en Trouw, en de opiniebladen Vrij Nederland, De Groene Amsterdammer en Elsevier. Voor het doorzoeken van de inhoud van politieke en journalistieke NPO-programma’s is de 888zoeker gebruikt; voor het doorzoeken van Tweede-Kamerdebatten vanaf maart 1999 het archief van 1848.nl. Er is rekening gehouden met variaties op termen (bijv. cultuurrelativisme → cultuurrelativistisch).
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.