De ministeries van Buitenlandse Zaken en Economische Zaken willen af van ‘Holland’. Die naam roept een beeld op van molens, kaas en tulpen, terwijl aan de woorden ‘open’, ‘inclusief’ en ‘vindingrijk’ gedacht moet worden als je het rood-wit-blauw ziet wapperen. Daarom wordt Nederland buiten de landsgrenzen ‘ge-rebrand’ als The Netherlands. Een land waar we trots op kunnen zijn.

Ergens vind ik het jammer. Bij Holland voel ik de warme, nostalgische deken van mijn jeugd in een klein, provinciaal dorp. Met schaatsen naar school als het gevroren had. Ganzenborden terwijl het buiten regent. Stroopwafels opwarmen door ze op een kop thee te leggen. En natuurlijk elke dag aardappels, vlees en groenten, al dan niet door elkaar geprakt als stamppot. Soms macaroni, uit te spreken als ‘makroni’.

Durf ik nog trots te zijn op een land waarin zoveel van mijn landgenoten lijnrecht tegenover mij lijken te staan?

Nederland voor Nederlanders

Maar tijden veranderen: ik heb geen schaatsen meer en eet slechts bij hoge uitzondering gekookte aardappels. Waar ik vroeger op Koninginnedag nog met rood-wit-blauwe lintjes in mijn haar op het dorpsplein het Wilhelmus zong, kan ik de Nederlandse vlag nu niet meer met goed fatsoen dragen. Want hoe de ministeries ons land ook willen neerzetten als inclusief en open, de woorden ‘trots op Nederland’ hebben voor mij toch een andere lading. Die van ‘Nederland voor de Nederlanders’, van boze mensen die bereid zijn een achterhaalde, racistische traditie met geweld te verdedigen: een Nederland waar ik niets mee te maken wil hebben. Dan heb ik liever het Holland waar ik op vrijdag makroni at. Maar is nostalgie alleen genoeg? Durf ik nog trots te zijn op een land waarin zoveel van mijn landgenoten lijnrecht tegenover mij lijken te staan?

Soms moet je wat afstand nemen om de dingen helder te zien. En wat blijkt, er is nóg een Holland, vlakbij Lake Michigan in de Verenigde Staten. Met windmolens, trapgevels en een heus tulpenfestival. Ze hebben zelfs een strand met een vuurtoren.

Misschien maakt een bezoek aan dat Holland mij wijzer.

Het Holland Museum

Het eerste dat je ziet als je Holland binnenrijdt, is een reuzenrad in de vorm van een windmolen. We passeren diners met namens als The Wooden Shoe en The Windmill. Er is een bloemenwinkel die ‘Gezellig’ heet. In het centrum staan gebouwen met trapgevels.

Ontbijt bij The Windmill. Er staat een lange rij voor de deur. Hier eet je pancakes en hashbrowns en spek, je koffie wordt om de vijf minuten bijgevuld. De bar is versierd met tulpen, molens en de bekende Delftsblauwe figuurtjes die elkaar een kusje geven. Stel je een Amerikaanse diner voor in een openluchtmuseum, of een Nederlandse diner in Amerika.

Om de hoek bij de diner staat het Holland Museum, een goed startpunt. Het bestaat uit verschillende zalen. Een ervan is gewijd aan de geschiedenis van de plaats. Er staat gereedschap van de eerste immigranten opgesteld naast gebruikte melkflessen, klederdracht, Indonesisch snijwerk en agrarisch werktuig.

Er komt meteen een man op me af die me door de zaal leidt.

Barre omstandigheden

Het begon allemaal in 1847, toen een groep van zo’n zestig gereformeerde dissidenten onder leiding van dominee Albertus van Raalte uit Wanneperveen neerstreek in een moerassig gebied in het westen van de Amerikaanse staat Michigan. Van Raalte voelde zich niet meer thuis in Nederland. Hij kon zich niet vinden in de steeds lossere houding van de Nederlandse gereformeerde kerk en besloot, mede onder invloed van een hongersnood als gevolg van mislukte aardappeloogsten, op zoek te gaan naar een plaats waar hij en zijn volgelingen opnieuw konden beginnen. Een plaats waar ze geen honger zouden hebben en in alle vrijheid konden leven volgens hun eigen principes.

In 1952 bezocht koningin Juliana het plaatsje tijdens een staatsbezoek. Duizenden kinderen op klompen zwaaiden langs de weg met hun Nederlandse en Amerikaanse vlaggetjes.

De eerste jaren waren minder idyllisch dan gehoopt: barre omstandigheden en een uitbraak van pokken kostten vele levens, maar de Nederlandse kolonisten bleven komen. Van Raalte gaf het goede voorbeeld. Naast dominee was hij advocaat, politicus, rechter, financieel adviseur en hij ging over het kadaster. En Holland, Michigan groeide. Er werden scholen gebouwd, weeshuizen, kerken en een universiteit: Hope College.

De grootste augurkenfabriek

Honderdvijftig jaar later staat Hope College er nog steeds. Holland is een welvarende stad geworden. Religie is er nog steeds belangrijk. Holland wordt met zo’n 170 kerken wel ‘The City of Churches’ genoemd. Wie kent het armbandje met daarop ‘What would Jesus do’ nog? Dat werd voor het eerst in Holland gedragen. Holland heeft een windmolen, tulpen en Nederlandse namen op de winkelpuien. En de grootste augurkenfabriek ter wereld.

In 1941 kwam er een dependance van het Nederlands Informatiebureau, ons eigen propagandabureau dat de Amerikanen moest overtuigen hulp aan Nederland te bieden. In 1952 bezocht koningin Juliana het plaatsje tijdens een staatsbezoek. Duizenden kinderen op klompen zwaaiden langs de weg met hun Nederlandse en Amerikaanse vlaggetjes.

Die Hollanders aan de andere kant van de oceaan moeten iets goed hebben gedaan, want in 2010 stond het plaatsje plotseling uit het niets op de tweede plaats van de ‘Gallup Happiness Index’. Voor geluk moet je in Holland zijn.

We blijven staan bij een Mexicaans ‘Dag van de doden’-schilderij. ‘De augurkenfabriek trok Latino’s aan,’ zegt de man die me rondleidt door het museum in het Engels.

Ik bedank hem voor de rondleiding en vraag of hij veel ‘echte’ Nederlanders op bezoek krijgt. ‘Ik werk hier niet, hoor,’ zegt de man. Verbaasd kijk ik hem aan en vraag naar de reden van de rondleiding. ‘We zijn hier trots op onze geschiedenis,’ zegt hij.

Ik vraag me af of ik me het verwijt dat ik daarin denk te horen, verbeeldt.

Nederlandse roots

Een vrouw zwaait naar me vanuit haar auto. Ik heb haar eerder voor de ingang van het Holland Museum ontmoet, waar ze uit de bosjes opdoemde met een ‘Hallo, hoe gaat het?’ in dik Amerikaanse tongval. Ze had tuinhandschoenen aan en kleine, groene blaadjes in haar grijze haar. Sara Simmons heet ze. Haar talenkennis dankt ze aan de periode dat ze in Almere woonde voor een stage in de tuinbouw. Op mijn vraag of ze Nederlandse roots heeft, antwoorde ze: ‘Do you know Van Raalte?’

Ja, ik weet wie dominee Van Raalte is. Nu, bij haar auto, wil ze me haar stamboom laten zien. Die bestaat uit vele A4-tjes die ze heeft uitgeprint en aan elkaar geplakt als een meterslange tijdslijn. ‘Kijk,’ wijst ze. ‘Van Raalte.’ Het staat er echt. Sarah Simmons is een directe afstammeling van de oprichter van Holland. Haar achternaam komt van haar man.

‘Soms heb je een buitenstaander nodig om je eigen cultuur te waarderen.’

Meester-molenaar

We gaan naar Windmill Island Gardens, waar Simmons jaren verantwoordelijk was voor de tuinen en, niet onbelangrijk, de tulpen die elk jaar tijdens het tulpenfestival glorieus bloeien. Maar eerst gaan we het pronkstuk van het park bekijken: De Zwaan. Een échte Nederlandse molen die in de jaren zestig naar Holland werd verscheept. Sarah Simmons heeft geregeld dat ik de molenaar kan spreken. En straks zal een collega ook het draaiorgel aanzetten. We steken een Nederlands aandoend bruggetje over.

Aan de overkant staat de molenaar, Alisa Crawford, op ons te wachten. Ze is de enige officiële Nederlands-gecertificeerde (wind)molenaar in Amerika en als vrouw in het vak een bijzonderheid. Crawford heeft geen Nederlandse wortels, het is haar om de molen te doen. De liefde begon toen ze voor het eerst op de traditionele manier meel gemalen zag worden. Ze woonde een tijdje in Nederland om het te leren en is al tien jaar als molenaar verbonden aan een Nederlands gilde. Dit jaar najaar hoopt ze eindelijk meester-molenaar te worden.

Een groot deel van haar werk bestaat uit vertellen over de molen, ook aan de honderden Nederlanders die elk jaar het park bezoeken. ‘Soms heb je een buitenstaander nodig om je eigen cultuur te waarderen,’ zegt ze. Ze vraagt me of ik weleens een windmolen van binnen heb gezien. Ik zeg van wel, en volgens mij is het ook zo, maar ik durf niet toe te geven dat ik het niet zeker meer weet. De Zwaan ziet er vanbinnen in ieder geval heel indrukwekkend uit.

Daarna overtuigt Sara Simmons haar collega, een grote Mexicaan in Volendamse klederdracht, ervan een Beach Boys-medley van een kwartier af te spelen. ‘Hij is Mexicaans, maar er is niemand die meer weet over draaiorgels dan hij,’ zegt Simmons.

Tulip Time

Op mijn eerste dag in Holland ontmoette ik ook Nella Kennedy. Ook zij sprak me in het Nederlands aan op straat, accentloos. Zij is een ‘echte’ Nederlander die jaren geleden naar Amerika emigreerde, en nodigde me uit om langs te komen op haar werk. Kennedy werkt bij het Van Raalte Instituut, dat zich bezighoudt met de Nederlands-Amerikaanse geschiedenis van de negentiende en twintigste eeuw

In het Van Raalte instituut word ik begroet door zo’n zes onderzoekers. We gaan aan een grote, ronde tafel zitten. Er is koek, cake, fruit, koffie. Het gesprek is in het Engels. Anders dan de toevallige ontmoetingen op de eerste dag deden vermoeden, spreekt bijna niemand in Holland nog Nederlands. Dr. Donald Bruggink, afstammeling van een van de eerste immigranten, legt in het Engels uit hoe dat zit. ‘De immigranten kwamen hier niet met het idee om ooit nog naar Nederland terug te keren. Hier in Amerika lag hun toekomst, dus de eerste immigranten waren helemaal niet bezig met het behoud van de Nederlandse cultuur. Ze wilden het trauma van de overtocht, die velen niet overleefden, achter zich laten en zo snel mogelijk Amerikaan worden. Dan is de taal de eerste stap.’

Klompendansen

Pas later, zo’n twee generaties verder, kwam er een herwaardering van de Nederlandse cultuur. ‘Als je kon zeggen dat je van Nederlandse afkomst was, dan stond je toch net iets hoger in aanzien dan je buren met wortels elders in Europa. De Nederlander werd gezien als bescheiden, hard werkend. Dat was wel iets om trots op te zijn,’ zegt Bruggink.

Vanaf de jaren twintig wilde Holland wel gezien worden als Hollands. Dus kwamen er trapgevels, leerden schoolkinderen klompendansen op school en werd in 1929 voor de eerste keer het jaarlijkse tulpenfestival Tulip Time georganiseerd.

‘Holland pretendeert niet Nederlands te zijn. Het is een Amerikaanse stad met een Nederlandse geschiedenis.’

‘Ik noem het Disney Dutch,’ zegt Nella Kennedy. ‘Met het echte Nederland heeft het weinig te maken, maar het is een manier voor onze stad om zich te onderscheiden. Met waardering voor de Nederlandse cultuur, maar op een eigen manier.’

Dr. Henk Aay: ‘Dat wordt nog weleens verkeerd begrepen. Wij hebben vaker journalisten op bezoek, op zoek naar de Nederlandse cultuur in Holland. En dat resulteert vaak in cynische, lacherige stukken waarbij er vooral wordt gezocht naar de zogenaamd “foute” interpretaties hier. Maar Holland pretendeert niet Nederlands te zijn. Het is een Amerikaanse stad met een Nederlandse geschiedenis.’

Ik sluit de dag af op het strand van Lake Michigan met uitzicht op de houten vuurtoren. Een gezin zit aan een picknicktafel terwijl de vader hamburgers uitdeelt uit een grote papieren zak. Kinderen rennen het koude water in en uit. Verderop zit een Amish stelletje op een kleedje in het zand. Een man zit op een klapstoel met een biertje in zijn hand, op zijn T-shirt staat: I kneel for the cross and stand for the flag. Niemand op het strand spreekt Nederlands.

Conimex mix

Ik wil het toch zien, die Amerikaanse schoolkinderen met klompen aan. In Dutch Nelis’ Village doen ze het zo’n vijf keer per dag. Ook kun je er zien hoe kaas en klompen worden gemaakt. De klompenmaker laat een speciaal paar zien met stiletto hakken. In de museumwinkel kun je stroopwafels kopen en Conimex mix voor nasi. Ook hebben ze een grote muur met koekoeksklokken uit het Zwarte Woud. Een meisje in klederdracht dat fudge en American cookies verkoopt, kan de drukte bijna niet aan.

Zonder gêne liep ik het Holland Visitors Centers binnen met de niet zo originele grap: ‘Hi, I’m from Holland.’

De klompendans is op het dorpsplein. Er zijn zes tieners van de lokale high school voor gestrikt. Ze staan er een beetje beschroomd bij in hun klederdracht en met die klompen aan. Om het houten schoeisel aan hun voeten te houden, hebben ze elk minstens zes paar sokken over elkaar aan. Dan wordt het draaiorgel ingezet en moeten ze aan de slag. In paartjes klossen ze ongemakkelijk op de maat van de muziek. De jongens durven de meisjes niet aan te kijken en zodra het kan, laten ze elkaars handen los. Een klomp die toch niet bleef zitten vliegt door de lucht. Boven hen wappert een gigantische Amerikaanse vlag.

Ik heb zelf slechts één keer in mijn leven op klompen gelopen en er nog nooit op gedanst. Het is het ongemak in de ogen van de jongeren dat ik nog het meest herken.

Nostalgie laat de kassa rinkelen

Holland, Michigan is inmiddels alweer uit de ‘Gallup Happiness Index’ verdwenen. Er wordt geklaagd over het verlies van normen en waarden, waarbij niet altijd even subtiel wordt verwezen naar de komst van de vele Latino’s die ongeschoold werk konden vinden in de augurkenfabriek. Holland was altijd al conservatief en ook nu zoeken inwoners naar oplossingen in het rechter deel van het politieke spectrum. Het is een stad die de nostalgische waarde van klompen, windmolens en tulpen precies zo uitbuit als wij dat doen in Nederland. Nostalgie laat de kassa rinkelen, dat weten ze ook in Amsterdam maar al te goed.

Is nostalgie alleen genoeg? Mag ik nog trots zijn op Nederland? Ik denk het wel. Tijdens mijn verblijf bij ons Amerikaanse zusje vertelde ik wie het maar wilde horen dat ik een ‘echte’ was. Zonder gêne liep ik het Holland Visitors Centers binnen met de niet zo originele grap: ‘Hi, I’m from Holland.’ De vrouw achter de desk was niet echt onder de indruk. Waar ik in Nederland het fenomeen ‘reuzenklomp’ angstvallig probeer te vermijden, heeft dit bezoek me wel vijf foto’s van mezelf in reuzenklomp opgeleverd. Ook bezocht ik voor het eerst een windmolen. En heb ik gezien hoe je kaas maakt.

Het verschil tussen Holland en Nederland

Het Amerikaanse Holland en het Holland dat wij kennen, zijn niet hetzelfde. Dat verschil wordt groter naarmate je verder van het getrapgevelde centrum komt. Buiten de binnenstad maakt de vreugde die het Disney-Dutch uitstraalt plaats voor de dreiging van maatschappelijke onvrede. De man die in de Walmart op blote voeten loopt en in zichzelf mompelend de Barbies bekijkt. Het grijs uitgeslagen stel dat een gangpad verder overlegt welk pistool ze zullen kopen.

Ik vond het ontluisterend. Toch leek ik iets te herkennen in de hardheid van die gezichten, de mate waarin inwoners tegenover elkaar zijn komen te staan. Iets daarvan, een klein begin, hoor ik soms ook in de verbeten stemmen hier in Nederland op straat, in de supermarkt, op televisie. Misschien is het helemaal niet zo’n gek idee om Nederland te re-branden, maar dan wel mét molens, klompen en makroni.

Anne Moraal

Anne Moraal (1987) is eindredacteur van het VPRO-radioprogramma Nooit meer slapen. Tijdens haar studie wetenschapsfilosofie woonde zij een half jaar in Zuid-Korea. In april van dit jaar verscheen haar debuutroman Honden huilen niet, die in Noord-Korea speelt.