Sterke verhalen

Dit is een van de twaalf sterke verhalen uit een speciale VN-uitgave, getiteld (geloof het of niet) ‘Sterke verhalen’. Meer sterke verhalen van onder anderen Minka Nijhuis, Arnon Grunberg en Daan Heerma van Voss lees je hier.

Een vriend van ons, Cirkel, meldde een half jaar geleden dat hij was gestorven. Je zag verder niks aan hem, maar hij wist het zeker: ik ben dood. Wij, zijn vrienden, probeerden hem die illusie uit het hoofd te praten, maar toen dat niet lukte, dachten we: nou, dan niet. Want wat maakte het uit? Hij ging gewoon elke dag naar zijn werk, at, dronk, sliep én werd weer wakker.

Maar voor hem was het problematisch. Zijn geest, zo meende hij, kon zich niet losmaken van zijn lichaam, waardoor dat lichaam zich maar bleef voortbewegen met een vrijgevochten (zijn woord) geest erin. Dat zat hem dwars, maar het lag niet in zijn aard er kwaad over te worden.

Binnen onze vriendengroep, Cirkel meegeteld zeven man sterk, was hij altijd de stille geweest. Zo iemand heb je nodig in een gezelschap om de temperamenten van de anderen enigszins te neutraliseren. Hij fungeerde als lijm voor ons verbond. Lijm is transparant, bijna onzichtbaar. Pas met de aankondiging van zijn dood werd hij het middelpunt van ons kringetje.

Na de eerste schrik besloot hij zijn nieuwe toestand te accepteren. Weet je, Vierkant, zei hij tegen mij, er zitten ook voordelen aan. De oppervlakkigheid van het alledaagse leven heeft plaatsgemaakt voor een nieuwe dimensie. In mijn hoofd, althans. Ik weet zeker dat mijn lichaam op den duur zal volgen, ik hoef alleen maar af te wachten.

Daar was hij altijd goed in geweest: zijn handicap te verdraaien tot een weloverwogen beslissing om in te stemmen met waarnaar het leven hem ook maar meevoerde.

Alleen, zijn lichaam bleef gewoon functioneren als tevoren, en na een maand of twee van mentaal doodzijn begon het incongruente gedrag van lichaam en geest Cirkel toch te frustreren. Hij opperde voorzichtig dat het misschien tijd werd om in actie te komen.

Ik moest lachen en zei: da’s voor het eerst van je leven, dat je tegen de keer ingaat. Daar was hij het enerzijds wel mee eens, zei hij, maar anderzijds zou je ook kunnen zeggen dat hij zijn lichaam ertoe wilde aanzetten mee te bewegen met zijn geest en dat hij dus precies handelde zoals hij altijd had gedaan.

Samen bezochten we een pentagram met een astrologiepraktijk. Ik geloofde niet in die onzin, maar ik hoopte dat Cirkel van zo’n sterrenwichelaar wél zou aannemen wat hij van ons, zijn vrienden, niet aannam: dat zijn dood een illusie was.

Helaas. De horoscoophandelaar ging helemaal mee in de waan van Cirkel en verkocht hem met introductiekorting een fluwelen zakje gevuld met maanstenen voor onder zijn hoofdkussen. Na een paar nachten zou het universum dan zijn lichaam de juiste richting wijzen.

Gebeurde natuurlijk geen reet.

Cirkel meldde zich nu toch maar eens ziek op zijn werk. Somber maar gelaten bracht hij hele dagen door in zijn vensterbank, met koffie en chocola, zonder dat er iets veranderde aan zijn toestand.

Wat iedereen dacht maar niemand durfde uit te spreken, werd uiteindelijk geopperd door Trapezium. Als Cirkel werkelijk dood was, dan had hij er vast geen bezwaar tegen als iemand hem in kleine partjes zou snijden, zoals een dode kip niet protesteerde wanneer hij tot blokjes kipfilet verwerkt werd.

Trapezium stelde: als je écht dood bent, dan maakt het niet uit als we blokjes cirkelfilet van je maken en dan is het probleem opgelost. Ben je niet echt dood terwijl je het wel zo ervaart, dan kunnen we met de dreiging van deze ingreep wellicht de werkelijkheid in overeenstemming brengen met jouw gevoel: je geest zal van schrik beseffen dat je wel degelijk leeft. Probleem óók opgelost.

Dit kwam voor Cirkel toch een tikkeltje onverwacht. Weliswaar ging hij akkoord met Trapeziums gedachtengang – lichaam en geest in overeenstemming brengen – maar hij stelde een andere methode voor. Eindelijk was hij bereid een psychiater te bezoeken (drongen wij al maanden op aan). Die constateerde dat Cirkel leed aan een verstoorde lichaamsbeleving met psychotische kenmerken en schreef intensieve psychotherapie en een cocktail van medicatie voor.

Cirkel ging uiteraard akkoord, maar de effecten van de medicatie beperkten zich tot onaangename bijwerkingen terwijl de psychotherapie leidde tot de conclusie dat er eigenlijk helemaal niets mis met hem was. Zijn redeneertrant was zuiver, er lagen geen verstoorde cognities aan zijn problematiek ten grondslag, en los van de gewaarwording dood te zijn, wees helemaal niets op een psychose, zo bleek ook uit hersenscans.

Een lichaam dat niet wil meesterven met je geest: persoonlijk zou ik ervoor tekenen, maar Cirkel kon niet langer zo door. Mijn ziel, zei hij, rot weg in dit levende lichaam, terwijl het andersom zou moeten zijn.

Toch maar het mes erin, dan? Die methode was Cirkel inmiddels gaan omschrijven als euthanasie en hij wilde zijn vrienden de strafvervolging die daaruit voort zou vloeien niet aandoen; evenmin was hij in staat, hoezeer hij het ook zou willen, eigenhandig het mes in zijn lijf te zetten. Patstelling.

Op een dag ging ik met hem lunchen in een bageltent.

Zag je dat decolleté? zei ik over de serveerster die zojuist onze smoothies en bagels had opgediend. Hij antwoordde dat hij er niet op had gelet, wat me hoogst onwaarschijnlijk leek, want als er één iemand in mijn vriendenkring was die er altijd mee had ingestemd dat het een plicht was om te genieten van elke smakelijke borstpartij die zich maar langs je ogen bewoog, dan was hij het wel. Hij gaf toe dat het hem zelf ook verbaasde, maar dat hij zijn interesse voor aardse zaken als seksualiteit volledig was kwijtgeraakt. En niet alleen dat. Ook zijn eetlust had hem verlaten.

Oei, zei ik.

Ja, gek, hè, antwoordde hij. Maar het stemt me ook optimistisch. Een lichaam dat niet gevoed wordt, sterft een natuurlijke dood, tenzij je jezelf actief uithongert, dat is allerminst natuurlijk, maar dat doe ik dus niet. Ik kan gewoon geen hap meer door mijn keel krijgen, daar zit niets actiefs achter.

Heb je helemaal geen honger, dan? vroeg ik, voordat ik mijn tanden in mijn bagel met gerookte kip en avocado zette.

Nee, zei hij, terwijl hij zijn smoothie naar mijn kant van de tafel schoof. En ook geen dorst.

Cirkel begon te slinken, zijn actieradius werd steeds beperkter. We brachten hem boodschappen, maar hij sloeg elke vorm van voeding vriendelijk af. Het enige wat we konden doen, was af en toe zijn bed verschonen en hem naar het toilet tillen, waar hij uit beleefdheid een tijdje verbleef – onverrichterzake. Wat er niet ingaat, komt er ook niet uit.

Toen hij te klein was geworden om nog voor zichzelf te kunnen zorgen, nam ik hem in huis. Eerst sliep hij op een luchtbed op zolder, later volstond een oude schoenendoos met twee washandjes op de bodem bij wijze van matras. Van een cirkel werd hij een dikke stip, van een stip een steeds moeilijker waarneembare punt en op een dag was er niets meer.

Wanneer iemand vermist raakt, is dat doorgaans voor de nabestaanden onverdraaglijk: de onzekerheid, het gebrek aan een stoffelijk overschot. De rouw krijgt er iets onbestendigs van, en een soortgelijk proces zie je bij nabestaanden van slachtoffers waar niets van over is: door een ontploffing, door een vliegtuigongeluk.

Maar voor onze vriendenkring kwam de totale verdwijning van Cirkel toch als een opluchting. De vele maanden die zijn aardse dood, zoals we die waren gaan noemen, geduurd had, bleek ons allemaal behoorlijk wat stress te hebben opgeleverd en die viel nu weg. Bovendien had Cirkel gekregen wat hij wilde.

Een begrafenis was vanzelfsprekend niet nodig, maar we hielden wel een herdenkingsbijeenkomst voor hem, enkele dagen nadat er zelfs met een vergrootglas geen spoor meer van hem te vinden bleek. Geen toespraken, we zaten gewoon met zijn allen aan een lange tafel bij een van ons in de achtertuin. De zon scheen, het bier vloeide rijkelijk, er was bittergarnituur en aan het begin van de avond ging de barbecue aan.

We haalden herinneringen op aan Cirkel, voor zover die er waren want iemand die de rol van stille bekleedt in een vriendengroep, maakt geen al te grote indruk.

Je begint met de mooie dingen. Sinds onze middelbareschooltijd gingen we elk jaar met z’n zevenen, aan het begin van de zomer, een weekje naar het buitenland. Feesten, knallen. De ene na de andere anekdote rolde over tafel, gemarineerd in nostalgie.

En wat een gedoe was het altijd, zei Ellips na de zoveelste herinnering (Kreta, ketamine), om überhaupt tot een bestemming te besluiten.

Dat klopte. Doorgaans begonnen we al in de vroege lente met het maken van plannen. Als we de mogelijke bestemmingen hadden teruggebracht tot twee opties, was meestal een ruime meerderheid voor een van die twee.

Maar soms stemden drie van ons voor bestemming A en drie voor B. Dan was het altijd Cirkel die het verlossende woord moest spreken, maar die had geen voorkeur en dat was in deze beslissende fase nu juist het probleem, dat irritante Es ist mir egal van hem. (Hij zei dat ook altijd in het Duits, God weet waarom, misschien om af te zwakken hoe flauw het eigenlijk was dat hij geen mening had.)

Zo ging het ook als er ruzie was in de vriendengroep (en dat wilde nogal eens voorkomen met zulke uitgesproken figuren als wij). Cirkel weigerde partij te kiezen.

Of nog zoiets: als je een ideetje voorstelde (bioscoopje pakken, avondje naar de hoeren) en hij daarmee instemde, wist je nooit zeker of hij dat deed uit overtuiging of dat hij het gewoon de makkelijkste weg vond.

Die bescheidenheid, die zogenaamde onbaatzuchtigheid: was het niet eigenlijk vreselijk arrogant om je zo op te stellen, verheven boven oordeel of beslissing? Alsof keuzes maken iets voor kleine luiden was, een minderwaardig menselijk neiginkje.

Of toen zijn vriendin hem verliet voor een ander, alweer jaren geleden, en dat hij sindsdien alleen bleef, berustend, ergerlijk berustend.

Het gevolg was dat wanneer wij, de anderen, een etentje met partners organiseerden, hij de enige was die in z’n eentje aan tafel zat, en nee, hij wilde niemands aandacht claimen, maar toch ging je dan automatisch het gesprek met hem aan, probeerde je hem bij de avond te betrekken en voelde je je godverdomme nog schuldig ook als dat niet lukte en hij met zo’n tis-niet-anders-smoelwerk aan het eind van de avond alleen naar huis ging.

We smeten nog wat hamburgers op de barbecue, uit de kelder werd een nieuw krat bier naar boven gehesen en terwijl we meer herinneringen aan Cirkel ophaalden, sloeg steeds meer de vertwijfeling toe.

Een vriendengroep kent een dynamiek waarbinnen ieder zijn eigen rol heeft. Er is de wild-associatieve plannenmaker. Er is de regelneef. Er is de rebel, je weet wel, die ene die altijd in de contramine ligt – en zo de groep scherp houdt. Er is het geweten (ja, bij ons ben ik dat) en natuurlijk de clown. O, en er is de misdadiger: degene die graag de grenzen opzoekt en er soms in slaagt de anderen mee te krijgen óver die grenzen.

Maar wat was de rol van Cirkel nu helemaal? Ja, lijm, zei ik eerder, maar waar heb je eigenlijk lijm voor nodig? Een bouwwerk van Lego houdt toch ook prima stand zonder lijm?

De duisternis viel, we spoelden onze hamburgers weg met bier, we herdachten onze dode vriend Cirkel en we ontdekten dat we die zeikerd eigenlijk beter kwijt dan rijk waren.

Misschien heeft Cirkel dat zelf ook wel zo gevoeld, al die jaren, en liet hij zich daarom zo mak door de dood meevoeren toen die zich aandiende.

Maar aan de andere kant – en er is altijd een andere kant – voelden we hoe onze eigen rol in de anekdotes die we maar bleven opdissen, steeds glorieuzer en heroïscher werd. Hoe kleiner we hém maakten, al scheldend op zijn miezerige karakter, hoe groter wij werden.
Het was alsof de totale verdwijning van Cirkel ruimte had gecreëerd voor een nieuw verhaal, en als we hem ergens dankbaar voor mogen zijn, dan is het daarvoor: dat hij ons nieuwe levens in oude herinneringen schonk, met terugwerkende kracht, grootser en meeslepender dan toen die lul nog in ons midden vertoefde.

Jamal Ouariachi (1978) studeerde psychologie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij debuteerde in 2010 met de roman De vernietiging van Prosper Morèl en was enkele jaren werkzaam als therapeut, tot hij eind 2011 besloot zich fulltime aan het schrijven te wijden. Hij schreef korte verhalen voor de bundel Agents-Provocateurs: 20 onder 35 en voor tijdschriften als De Revisor, Tirade en Vogue. Daarna verschenen de romans Vertedering (2013) en Een honger (2015). Nu werkt hij aan de romans M.O. en Bloedmaan, die samen een tweeluik vormen. Verwachte publicatie: begin 2020.