Het is moeilijk onbevangen naar Budapest te kijken als je net Geluk van György Konrád hebt gelezen. De zon schijnt, de Donau glinstert, maar door de opgeruimde stad schemert voortdurend dat monsterlijke Budapest waar de Joods-Hongaarse Konrád in ’44-’45 zijn toevlucht zocht.

Nadat zijn ouders door de nazi’s waren afgevoerd, vluchtte hij als elfjarig jongetje met zijn zus en twee neefjes vanuit geboortedorp naar familie in de hoofdstad. Een dag na hun vertrek werden al hun schoolgenootjes op de trein naar Auschwitz gezet. Van de bijna tweehonderd kinderen kwamen er drie terug; een tweeling op wie in het kamp experimenten waren uitgevoerd en een veertienjarig nichtje dat bij de volwassen was ingedeeld en dus tewerkgesteld.

‘Tussen de ijsschotsen in de Donau dreven de lijken van wie minder geluk had gehad.’

Met hulp van zijn jonge tante Szofi bracht Konrád samen met zijn zus en neefjes een rampzalige winter door in een ‘beschermd huis’ van de neutrale ambassade...