Wat hebben rookworsten, autobanden en staalrollen met elkaar gemeen? Ze worden allemaal geproduceerd door concerns die maar in één ding geïnteresseerd zijn: winst voor de aandeelhouder. Dat deze winsten worden gecreëerd door tienduizenden werknemers die voor hun bestaan afhankelijk zijn van deze fabrieken, is voor hen van ondergeschikt belang.

Zoveel kunnen we wel concluderen na de eerste acht afleveringen van onze podcast Fantoomgroei. Sinds mei bespreken we wekelijks de economische stand van het land. En we kunnen er niet omheen: het rommelt binnen de Nederlandse bedrijven met een buitenlandse aandeelhouder.


Luister hier de aflevering over HEMA met kenner Stefan Vermeulen. (Of hier via een andere podcast-app)

Zo voeren de staalarbeiders van de voormalige Hoogovens in IJmuiden een verwoede strijd tegen hun Indiase aandeelhouder om een aangekondigd massaontslag te voorkomen. Opmerkelijk genoeg genieten de stakers alle steun van de Nederlandse werkgevers en politiek, want de afgelopen twintig jaar heeft de Nederlandse staalfabriek overwegend goed gedraaid. IJmuiden kon steevast winsten overleggen. Dat kan niet worden gezegd van de andere onderdelen van het conglomeraat. Aan de overzijde van de Noordzee is de staalproductie al decennialang verlieslatend. De Indiase aandeelhouder heeft genoeg van de verliezen en maakt geen onderscheid tussen de verschillende Europese dochters; ze moeten allemaal bloeden om Tata Europe weer gezond te krijgen.

Vrezen voor de toekomst

De strijd tussen een belangrijke lokale Nederlandse werkgever en een buitenlandse aandeelhouder is verre van uniek. De werknemers van de van origine Twentse autobandenfabrikant Apollo Vredestein voeren een vergelijkbare strijd. Hun eveneens Indiase aandeelhouder wil een deel van de productie van autobanden naar Hongarije verplaatsen.

Met de operatie schrapt het concern 750 van de 1.200 Twentse banen, zo meldde NRC in juni. De ondernemingsraad van Apollo Vredestein legt zich er nog niet bij neer en probeert koste wat kost de ontmanteling van het bedrijf te voorkomen. Als dat niet lukt, zou dat een hard gelag zijn voor de onderneming die al 75 jaar van groot belang is voor de regio. Premier Rutte erkende contact te hebben gezocht met de Indiase directie in een poging tot een oplossing te komen.

Ook het personeel van de HEMA kan alleen maar vrezen voor wat de toekomst voor hun bedrijf in petto heeft. Sinds het warenhuis is overgenomen door het Britse Lion Capital is de firma met schulden overladen. De omzetten van de winkels zijn altijd op peil gebleven, de werknemers hebben de hebzucht van hun aandeelhouders de afgelopen jaren met hun arbeidsvoorwaarden betaald.

De exhibitionistische zelfverrijking en het financiële wanbeleid van de voormalige Britse aandeelhouder hebben het bedrijf vervaarlijk aan het wankelen gebracht.

Van het ooit zo kenmerkende zelfvertrouwen van het HEMA-personeel is sindsdien weinig meer over, stelt journalist en HEMA-watcher Stefan Vermeulen in onze podcast. ‘HEMA kan nooit failliet gaan’ was een gevleugeld gezegde binnen het bedrijf. Das war einmal. De exhibitionistische zelfverrijking en het financiële wanbeleid van de voormalige Britse aandeelhouder hebben het bedrijf zo vervaarlijk aan het wankelen gebracht, dat het nog maar de vraag is of het concern de coronacrisis zal overleven.

Hebzuchtige aandeelhouders

In deze verschillende situaties is een gemene deler te ontwaren: een agressief aandeelhoudersmodel ondergraaft in principe gezonde bedrijven. Zowel voor HEMA, Apollo Vredestein als Tata geldt: met ander, geduldiger, leiderschap zijn het bedrijven met voldoende potentie. Maar dat geduld is er niet meer; het moet op korte termijn renderen.

De irritatie over hebzuchtige aandeelhouders beperkt zich al lang niet meer tot de gestaalde kaders van de vakbonden.

Niet alle ondernemingen zijn gelijk. Sommige komen de samenleving iets brengen, andere zijn er vooral om te halen.

In een interview met het Financieele Dagblad sprak Bavaria-topman Peer Swinkels zijn ongenoegen uit over de manier waarop de politiek multinationals bevoordeelt terwijl het juist zíjn familiebedrijf is dat voor welvaart in zijn gemeenschap zorgt: ‘Ik denk dat er een moreel debat in Nederland moet gaan komen over het bedrijfsleven,’ aldus Swinkels.

Hij wijst erop dat 53 procent van het bbp in Nederland afkomstig is van familiebedrijven. ‘En die betalen alle belastingen.’ Daartegenover staan bedrijven zoals de HEMA, dat dankzij de kunstmatig gecreëerde schulden de afgelopen tien jaar effectief 0,3 procent belasting heeft betaald. Swinkels in het FD: ‘De aandeelhouder trekt al het geld eruit, en de Belastingdienst krijgt niets, want er moet eerst rente over de schuld worden betaald. Op die manier wordt de winst kunstmatig laag gehouden, waardoor er weinig tot geen belasting betaald wordt. Maar dat interesseert ze niet, want er moet maximaal cash uit dat bedrijf worden gehaald.’

Swinkels opent een interessante discussie: niet alle ondernemingen zijn gelijk. Sommige komen de samenleving iets brengen, andere zijn er vooral om te halen. Daarmee stelt hij het huidige economische discours van het aandeelhouderskapitalisme ter discussie: bedrijven zijn er om waarde te creëren voor de héle gemeenschap, niet alleen om winst te maken voor hun aandeelhouders.

HEMA in het bezit van klanten?

Het kan ook anders. In de strijd om HEMA kwam het Alternatief Voor Vakbond (AVV) met het voorstel van het bedrijf een coöperatie te maken. Een coöperatie is niets anders dan een groep mensen – werknemers, ondernemers of klanten – die samen een organisatie vormen om een gemeenschappelijk doel te bereiken.

De exhibitionistische zelfverrijking en het financiële wanbeleid van de voormalige Britse aandeelhouder hebben het bedrijf vervaarlijk aan het wankelen gebracht.

Van oudsher kent Nederland ontzettend veel coöperaties. Neem bijvoorbeeld zuivelbedrijf FrieslandCampina: in 1871 besloot een groep boeren dat ze sterker stonden wanneer ze gezamenlijk een melkfabriek zouden oprichten. En zo geschiedde. Hetzelfde zagen we bij verzekeringen (Univé) of banken (Rabobank). Het voordeel van een coöperatie is dat het succes van de onderneming niet wordt afgeroomd door aandeelhouders die weinig binding voelen met het bedrijf. Bovendien doet de coöperatie precies waarvoor ze bedoeld is: zo veel mogelijk haar leden dienen. Ze zijn daardoor vaker en beter geworteld in de gemeenschap.

Op het eerste gezicht klinkt het misschien als een wereldvreemd idee: HEMA in het bezit van klanten. Is dat überhaupt denkbaar? Het antwoord is ja. En het gebeurt al.

Veertig jaar geleden besloot een groep inwoners van de wijk Brooklyn in New York dat ze betaalbaarder biologische producten wilden kunnen kopen. Wie de Verenigde Staten wel eens heeft bezocht weet: de meeste supermarkten liggen vol met bewerkt voedsel en versproducten zijn over het algemeen zeer duur. Financieel is het als inwoner makkelijker om naar het diepvriesvak te grijpen of een rondje door de plaatselijke McDrive te rijden. De buurtbewoners besloten hun krachten te bundelen om het tij te keren. Het resultaat is de Park Slope Food Coop (PSFC).

De ambitie van PSFC is simpel: een supermarkt creëren die lokale en biologische producten verkoopt, maar dan 20 procent tot 40 procent goedkoper dan in reguliere winkels. Met een jaaromzet van 48 miljoen dollar slagen ze er in een serieus bedrijf te zijn. De sleutel daartoe zijn de inmiddels 16.000 leden van de coöperatie.

De winkel is beschikbaar voor leden van de coöperatie. En iedereen die wil kan lid worden om op die manier goedkoper en gezonder levensmiddelen te kopen. In ruil daarvoor moet elk lid van de coöperatie één keer per vier weken een dienst van drie uur draaien in de winkel. Dat kan zijn als vakkenvuller, kassière of bij de klantenservice. Voor ouderen en mensen met een beperking zijn er speciale commissies opgericht zodat zij anderszins een bijdrage kunnen leveren. Op die manier blijven de kosten laag en heeft de winkel alleen een relatief klein team van betaalde coördinatoren in dienst.

Het is de vraag of dit model HEMA nog kan redden. De schuldeisers zullen waar voor hun geld willen en dat is waar het coöperaties vaak aan ontbreekt: grote bergen kapitaal. Daarmee is niet gezegd dat coöperaties geen toekomst hebben. Sterker nog, nu het verzet tegen destructieve aandeelhouders groeit, valt er veel van te leren.

Een nieuw speelveld

In de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk inspireren coöperaties groepen activisten tot het veranderen van eigenaarschapsmodellen van ondernemingen. Zo willen ze dat werknemers een plaats krijgen in bedrijfsbesturen om hun belangen beter mee te laten wegen. Een andere mogelijkheid is het uitgeven van aandelen aan werkenden, zodat zij als collectief mede-eigenaar worden van het bedrijf. Ook wanneer het voor HEMA te laat komt, is het goed mogelijk om nieuwe coöperaties op te richten: in de zorg, voor energieopwekking of voor het inkopen van levensmiddelen.

Door nieuwe wet- en regelgeving kan de politiek bedrijven met coöperatieve elementen voordelen bieden en tegelijkertijd het uitzuigende soort kapitalisme tegengaan.

Niets van dat alles zal echter lukken zonder een nieuw speelveld. Zoals Peer Swinkels ook constateert: er moet een debat komen over wat voor soort bedrijfsleven ons land verder helpt. Door nieuwe wet- en regelgeving kan de politiek bedrijven met coöperatieve elementen voordelen bieden en tegelijkertijd het uitzuigende soort kapitalisme tegengaan.

Zolang ze dat niet doet, ligt het lot van de werknemers van HEMA, Tata Steel en Apollo Vredestein in andermans handen en zal de Nederlandse overheid keer op keer aan het werk worden gezet wanneer een volgende onderneming in de problemen komt.

Meer weten? Luister dan naar de podcast Fantoomgroei. Of lees het boek Fantoomgroei. Waarom we steeds harder werken voor steeds minder van Sander Heijne & Hendrik Noten (Atlas Contact).