Sinds de Duitse bezetting was Nederland niet meer zo eensgezind als tijdens de eerste weken van de coronacrisis. Terwijl zorgpersoneel en mensen met andere vitale beroepen overuren draaiden om de slachtoffers van de pandemie zo goed mogelijk te helpen, telden miljoenen anderen thuis geduldig de dagen, weken en maanden die we nodig hadden om de verspreiding van het virus in te dammen. In de tussentijd sleutelde het kabinet − met de steun van vrijwel de hele oppositie − binnen mum van tijd een steunpakket in elkaar om zoveel mogelijk bedrijven en banen te redden van een zeker faillissement.
De eerste resultaten van die gezamenlijke aanpak zijn hoopgevend. Het aantal ziekte- en sterfgevallen is drastisch afgenomen. Vele tienduizenden bedrijven hebben het hoofd gedurende de lockdown boven water weten te houden dankzij de reddingsboei die het kabinet hen toewierp. En mensen die werkloos thuis zaten, hebben hun inkomen tot nu toe kunnen behouden. Liefst één op de vier werknemers dankt zijn of haar inkomen aan de zogenoemde NOW-regeling voor werkgevers.
Gelet op de Kamerbrede steun voor het eerste noodpakket, is het verleidelijk om te veronderstellen dat het een apolitieke keuze in crisistijd was. Het land was in gevaar, de samenleving moest op slot. Zodoende kon het kabinet niet anders dan de schatkist openen: dit was geen politiek besluit, maar pure economische noodzaak.
We hoeven maar naar de Verenigde Staten te kijken om te zien dat deze stelling geen hout snijdt. De Amerikaanse regering besloot juist heel bewust om geen speciale maatregelen te treffen om banen te redden. Het gevolg? In amper twee maanden tijd verloren 40 miljoen Amerikanen hun baan. De werkloosheid steeg begin juni voorbij de 20 procent.
Zo bezien is er niets vanzelfsprekends aan de steunpakketten die ons kabinet heeft afgekondigd. Sterker, de daadkracht waarmee het kabinet in actie is gekomen, getuigt juist van een diepgewortelde politieke wens om zoveel mogelijk Nederlanders zowel lijfelijk als financieel gezond door de crisis te loodsen. Het kabinet heeft er nadrukkelijk voor gekozen om de pijn van de crisis te delen en te verzachten. De ploeg van Rutte zette hiermee de lijnen uit voor een politieke koers waar we (bijna) allemaal achter konden staan.
Begin dit jaar spraken we in onze podcast met auteur Sander Heijne over fantoomgroei en hoe ons economische systeem onze persoonlijke welvaart niet dient.
Harde landing
Nu de eerste fase van de pandemie onder controle is, lijkt ook de saamhorigheid die de eerste weken van de crisis tekende af te brokkelen. In maart sprak minister Wopke Hoekstra nog over ‘de diepe zakken van de overheid’. Inmiddels vreest het kabinet dat de crisis langer gaat duren dan gehoopt.
We mogen onze borst natmaken voor wat ons te wachten staat: oplopende werkloosheid en een duizelingwekkend gat in de rijksbegroting.
Een tweede steunpakket loopt tot eind september, daarna zal de aanpak naar verwachting veranderen: minder steun en meer gericht op het begeleiden van de harde landing. We mogen onze borst natmaken voor wat ons te wachten staat: oplopende werkloosheid en een duizelingwekkend gat in de rijksbegroting, dat volgens de huidige ramingen kan oplopen tot 100 miljard euro of meer.
De recessie die volgt op de pandemie, zal onze onderlinge solidariteit opnieuw op de proef stellen. Blijven we saamhorig in ons verlangen om de pijn van de crisis zo eerlijk mogelijk te verdelen? Of grijpen we terug op het aloude principe waarmee alle kabinetten sinds het aantreden van Lubbers-I in 1982 economische crises hebben bestreden: bezuinigen op publieke uitgaven en het verzwaren van lasten voor werkenden.
Aan het begin van de crisis spraken talloze opiniemakers en commentatoren hardop de wens uit dat het dit keer anders zal gaan. Ze putten onder meer hoop uit de woorden van de premier zelf, die het ‘een illusie’ noemde om te denken dat ‘de wereld voor corona’ ooit weer zou terug keren. Maar tijdens het Kamerdebat over het coronavirus op 20 mei bekende de premier weer ouderwets kleur toen hij GroenLinks-leider Jesse Klaver toebeet dat het onmogelijk is om én de leer van de Franse econoom Thomas Piketty (die pleit voor zwaardere lasten op grote bedrijven en vermogens) aan te hangen én meer banen te willen.
De premier leek hiermee alvast een voorschot te nemen op hoe de wereld na corona er wat hem betreft uitziet. Met Ruttes aanpak van de vorige crisis nog vers in het geheugen belooft dit weinig goeds voor al die mensen met een vitaal beroep die ons door de pandemie hebben gesleept.
Sander Heijne en Hendrik Noten zijn auteurs van het boek Fantoomgroei: waarom we steeds harder werken voor steeds minder, dat vandaag verschijnt.
Gebrek aan alles
De coronacrisis volgde op wat we Het jaar van de Grote Protesten zouden kunnen noemen. Hoewel de economie jarenlang groeide, stond het Malieveld om de haverklap vol met een beroepsgroep die niet of nauwelijks leek te profiteren van alle rijkdom die we samen creëren in dit land.
Zo vechten de leerkrachten in het primair onderwijs al jaren voor een betere beloning en minder werkdruk. Ieder gezin met opgroeiende kinderen weet uit ervaring hoe nijpend het lerarentekort inmiddels is. Uitpuilende klassen zijn eerder regel dan uitzondering en zodra de vaste docent een keer ziek is, worden kinderen naar huis gestuurd omdat er geen invalkracht meer beschikbaar is.
Na de introductie van marktwerking in de zorg werd het personeel overstelpt met bureaucratie, steeg de werkdruk en bleven de lonen achter.
Slechts maanden voor de uitbraak van de coronacrisis legden 150.000 ziekenhuismedewerkers het werk neer om min of meer dezelfde reden. Na de introductie van marktwerking in de zorg werd het personeel overstelpt met bureaucratie steeg de werkdruk en bleven de lonen achter.
De coronacrisis heeft meer dan eens zichtbaar gemaakt wat twintig jaar marktpolitiek met de zorg heeft gedaan. Bij de uitbraak van de pandemie was er gebrek aan alles. Zorgpersoneel werd zonder afdoende beschermende kleding en mondkapjes op kwetsbare patiënten afgestuurd, bij gebrek aan IC-capaciteit hebben we grote delen van de reguliere zorg moeten platleggen om voldoende extra bedden te creëren.
Groeicijfers zijn een fantoom
De goede groeicijfers van voor de crisis hebben ons evenmin in staat gesteld om afdoende woonruimte te organiseren. Nederland heeft een tekort van honderdduizenden woningen, en voor veel starters en gezinnen is het bezit van een eigen woning verder weg dan ooit. In diezelfde jaren zijn de voedselbanken sterk gegroeid, evenals het aantal mensen met problematische schulden.
In de zomer van 2019 constateerde zelfs de premier dat er iets fundamenteels schort aan ons economisch model. Tot ieders verrassing opende Rutte de aanval op het bedrijfsleven. ‘Er is iets aan de hand in Nederland dat mij absoluut niet bevalt,’ aldus de premier. ‘De winsten in de grote ondernemingen klotsen tegen de plinten op. Maar het enige wat echt stijgt binnen die ondernemingen zijn de salarissen van de topmannen. Niet de cao’s. Die gaan onvoldoende omhoog. Ik vind dat niet acceptabel.’
Met zijn woorden op het partijfestival van de VVD legde Rutte haarfijn bloot wat er al bijna veertig jaar misgaat in Nederland. We hebben onze hele samenleving in het teken gesteld van de vraag hoe we de economie laten groeien. Maar ondertussen zien miljoenen werkenden die groei zelfs in de goede jaren amper terug in hun portemonnee, terwijl er in de slechte jaren wel rigoureus wordt gesneden in de publieke voorzieningen waar we allemaal zo afhankelijk van zijn. Voor hen zijn de goede groeicijfers niet meer dan een fantoom. Ongrijpbaar en niet tastbaar. En zonder enig positief effect op hun dagelijks leven.
Van middel tot doel
Economische groei was ooit een geweldig middel om het uitgehongerde en kapotgeschoten Nederland na de oorlog te herbouwen. Maar ergens onderweg is die groei verworden van middel tot doel op zich. Nu zien we dat die groei al lang geen antwoord meer biedt.
Wat heeft het voor zin om groei te ambiëren wanneer een groot deel van Nederland daar helemaal niet van profiteert?
De vraag die we onszelf zouden moeten stellen, is wat het nog voor zin heeft om deze groei te ambiëren wanneer een groot deel van Nederland daar helemaal niet van profiteert.
Dat we andere keuzes kunnen maken, hebben we gezien aan het begin van de coronacrisis. Voor de eerste keer in ons leven stond niet de economie, maar de volksgezondheid op de eerste plaats. Natuurlijk moeten we onszelf uiteindelijk de vraag stellen hoe we de begroting weer op orde brengen. Nog belangrijker is de vraag hoe we werken weer voor iedereen laten lonen. Hoe we voldoende huizen bouwen om iedereen te huisvesten. Hoe we weer aan voldoende leerkrachten komen. En hoe we een leefbare wereld kunnen doorgeven aan onze kleinkinderen.
Onszelf opnieuw uitvinden
Zoals vaker met revoluties in ons denken, zou ook deze zomaar in Frankrijk kunnen beginnen. President Macron zei op 13 april in een toespraak: ‘We moeten onszelf opnieuw uitvinden, ik voorop.’
Hij voegt de daad nu bij het woord: een groep internationale experts gaat zijn regering adviseren over ongelijkheid, klimaatverandering en vergrijzing.
‘Economische groei die vergezeld gaat van verslechterende sociale uitkomsten is geen succes. Het is een mislukking.’
In Europa en de Verenigde Staten pleiten progressieve politici en activisten voor een ambitieuze Green New Deal. Zij geloven dat het herstel uit deze crisis alleen mogelijk is door de economie fundamenteel te veranderen. De veelgeprezen Nieuw-Zeelandse premier Jacinda Ardern heeft haar ambtenaren al eerder opdracht gegeven te stoppen met het publiceren van economische-groeicijfers en in plaats daarvan een index te gebruiken die het brede welzijn van de bevolking meet. Ze vatte haar keuze simpel samen: ‘Economische groei die vergezeld gaat van verslechterende sociale uitkomsten is geen succes. Het is een mislukking.’
Het kan ook hier
De komende maanden en jaren moet blijken of Nederland ook klaar is om afscheid te nemen van een politiek die economische groei en de belangen van het grote bedrijfsleven structureel boven de welvaart en het welzijn van de eigen bevolking stelt. De coronacrisis heeft bewezen dat het ook hier kan, maar de voortekenen voor hoe het straks zal zijn, beloven weinig goeds.
Terwijl we het droogste voorjaar ooit gemeten doormaken, wordt de CO2-heffing die was afgesproken in het klimaatakkoord met enkele jaren uitgesteld. De reden: het kabinet wil de industrie in deze crisis niet verder belasten. Daar staat tegenover dat de klimaatdoelstellingen uit het akkoord van Parijs steeds verder uit beeld dreigen te raken.
Op het moment dat de politiek zich afvroeg of er toch een vangnet voor flexwerkers kon komen, rapporteerde het ministerie van Financiën dat de vermogensongelijkheid in Nederland nog veel groter is dan gedacht. En terwijl minister Hoekstra zich hard opstelde tegenover de zogenaamd spilzuchtige Zuid-Europese landen, bleek uit onderzoek dat belastingontwijking via Nederland anderhalf keer groter is dan eerder ingeschat. Oftewel: het ministerie van Hoekstra helpt ook Zuid-Europese bedrijven om de belastingen van hun eigen overheid te ontlopen.
Het heersende belang
Volgens sommigen is een crisis niet het moment voor verdeeldheid en debat. Dat is makkelijk gezegd wanneer je binnen de bestaande status quo aan het langste eind trekt. Waar een groot deel van de Nederlandse werknemers steeds minder profiteert van de groei, hebben de hoogste inkomens en de vermogenden hun rijkdom de afgelopen decennia fors zien groeien. Maar wie aan de verkeerde kant van kloof staat, heeft niets te winnen bij politici die constructief meewerken aan het in stand houden van het huidige economische model.
Politiek gaat over het maken van keuzes tussen verschillende belangen en waarden. En de status quo is uiteindelijk niets anders dan een tijdelijk overwicht van het ene belang over het andere, van de ene waarde boven de volgende. Het is een uitdrukking van de bestaande machtsverhoudingen. Hoe langer we als samenleving blijven verlangen naar constructief werkende politici, hoe meer we ons achter de status quo scharen. Hoe langer we elkaar vertellen dat dit vooral geen moment van reflectie is maar een moment van aanpakken, hoe dieper we ons ingraven. Dat dient niet het algemeen belang, maar het heersende belang.
Het is nu aan de politiek om het belang van duurzaam samenleven te blijven omarmen.
Sinds het begin van de lockdown is op de matrixborden van Rijkswaterstaat boven de snelwegen te lezen dat we corona alleen samen onder controle krijgen. De samenleving heeft haar deel geleverd. Met gevaar voor eigen gezondheid hebben de mensen met vitale beroepen ons door de eerste fase van de pandemie gesleept.
Het is nu aan de politiek om het belang van duurzaam samenleven te blijven omarmen. In een ideale wereld ziet het kabinet die noodzaak nu zelf ook in. Rutte vroeg zich in de zomer van 2019 niet voor niets af hoe het toch kon dat de lonen niet stegen. Dit voorjaar heeft hij als nationale crisismanager mogen ervaren hoe belangrijk een sterke publieke sector is voor een goede samenleving. Het is geen sluitstuk op de begroting, maar het fundament onder iedere vorm van economische activiteit.
Laten we hopen dat de crisis onze premier tot nieuwe inzichten heeft gebracht. Zo niet, dan is het aan ons als samenleving om de macht uit te dagen door onze leiders betere vragen te (laten) stellen dan we tot nu toe hebben gedaan. Dat is hard nodig, júist nu. Het recept dat ons in de problemen bracht, kan ons nu niet helpen uit diezelfde problemen te komen. In maart volgend jaar zijn er nieuwe verkiezingen. Deze zomer worden de partijprogramma’s geschreven. Nu is het moment voor iedereen om de kaarten op tafel te leggen.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.