Dit verhaal is ook te beluisteren. Hoofdredacteur Ward Wijndelts heeft het voor je ingesproken.
Lang heb ik niet geweten wie Rocky T. was en hoe hij heeft geprobeerd mijn leven in de war te sturen. Nou ja, gedurende één avond dan en het liep goed af, ik ben er nog, maar het was genoeg, het zou genoeg kunnen zijn om eeuwigdurend kwaad te blijven op die Molukse gluipkop met dat dunne snorretje. Niet dat ik iets tegen Molukkers heb, niet in het algemeen. Mijn zwager zal toch niet de enige zijn die deugt? Enfin, hier volgt het verhaal van wat Rocky met mij deed.
Sterke verhalen
Dit is een van de twaalf sterke verhalen uit een speciale VN-uitgave, getiteld (geloof het of niet) ‘Sterke verhalen’. Meer sterke verhalen van onder anderen Minka Nijhuis, Arnon Grunberg en Daan Heerma van Voss lees je hier.
Het was 1 december 2004 tegen een uur of zeven toen vanaf spoor 9b de intercity naar Amsterdam het station van Rotterdam verliet. Ik was moe en humeurig, na een lange dag in dienst van de verbeelding, en daarmee bedoel ik het verzamelen van geld voor de beeldende kunst, want dat was wat ik deed in die tijd – breek me de bek niet open, of doe het op een andere avond. Al na een paar minuten stond de trein weer stil. Ook dat nog.
Het duurde een minuut of tien voor iemand, de conductrice vermoedelijk, liet weten dat er mensen op het spoor liepen. Voetbalsupporters.
Inderdaad: later die avond zou Feyenoord in De Kuip spelen tegen Schalke ’04. Maar waarom stonden die idioten dan nu op een spoorbrug over de Schie?
Ik heb me niet lang beziggehouden met die vraag. Ik ben namelijk niet bijzonder geïnteresseerd in voetbal en dat de vrouwenstem die het bericht verkondigde nogal dun en benauwd had geklonken, realiseerde ik me pas later.
Voorlopig dacht ik: dit kan er ook nog wel bij, een vertraging van, als ik pech had, zeker een half uur, en straks dus te laat om de kinderen naar bed te brengen.
Maar ik had een krant en een boek. Daar ging ik me dus maar eens grommend in verdiepen.
Er ging een half uur voorbij.
Er verliep een uur.
Het begon koud te worden in de trein.
Toen was er een nieuwe stem uit het luidsprekertje in de coupé. De stem van een man.
Zakelijk, misschien kon je het zelfs wel ‘vastberaden’ noemen. De trein zou voorlopig blijven staan waar hij stond. De passagiers werden verzocht hun zitplaatsen niet te verlaten.
Op de een of andere manier leek het me vooral de schuld van de NS en niet van de Molukkers wanneer ik mijn kinderen niet alleen vanavond niet maar helemaal nooit meer een kus op hun geurige wangetjes zou kunnen drukken.
Nee, nou werd-ie mooi. Alsof ik dat van plan was. Het concept van openbaar vervoer is toch dat de trein in beweging komt, niet de reizigers?
geen spoor van paniek
Dat stilzitten hielden we nog zeker een tweede uurtje vol. Maar toen ontstonden toch de eerste contacten tussen de rijtuigen. Data op de mobiele telefoon hadden we in die tijd nog niet, maar er kon wel gebeld worden met vrienden en bekenden en die hadden naar de radio geluisterd. Dit was het nieuws dat werd doorgegeven: onze trein was het station uitgereden omdat er terroristen aan boord waren. Rotterdam CS was ontruimd en voor het publiek gesloten, alle treinverkeer gestremd, het stationsplein afgezet. De stad was veilig. Maar wij dus niet.
Rocky verkneukelde zich natuurlijk. Dat neem ik nu tenminste aan, want op het moment zelf wist ik nog niet van zijn bestaan, ik had zijn naam zelfs nog nooit gehoord. Maar ik stel me voor dat hij zich geïnstalleerd had in een van de hoerententen op de Mathenesserlaan en zich nog eens liet bijschenken. Tevreden over zijn geslaagde operatie en bepeinzend hoe hij straks de tent kon verlaten zonder de rekening te betalen.
Wat me tot op de dag van vandaag verbaast: er was geen spoor van paniek te bekennen in de trein. Dacht dan niet iedereen onmiddellijk aan de tijd dat kapingen en bezettingen aan de orde van de dag waren? Aan Wijster? Aan De Punt? Ik wel. Al zou ik niet meer precies weten wat precies waar gebeurde, samen had het allemaal een stevige indruk gemaakt. Twee, drie weken lang hadden we dezelfde televisiebeelden uit een grijs Drenthe gezien, de wagons met afgeplakte ramen en de locomotief met de hondenkop roerloos in het winterse land, de tanks, de soldaat die in een deuropening werd gezet en met een nekschot was geëlimineerd, de straaljagers die laag over scheerden en de commando’s die met hun mitrailleursalvo’s dood en verderf zaaiden toen de trein werd bestormd, daarna de getuigenissen van de gijzelaars. Wie de jaren zeventig had meegemaakt, droeg die beelden en die verhalen de rest van zijn leven met zich mee.
Maar er was geen rumoer in de trein. Volgens mij waren de mensen eerder nieuwsgierig dan angstig, er werden grappen gemaakt. Ook ik was niet bang. Op de een of andere manier leek het me vooral de schuld van de NS en niet van de Molukkers (of de Ieren of de Palestijnen) wanneer ik mijn kinderen niet alleen vanavond niet maar helemaal nooit meer een kus op hun geurige wangetjes zou kunnen drukken. Ik voelde me meer consument dan slachtoffer, meer veeleisende burger dan aanstaand lijk, meer lezer dan echtgenoot en vader. Zo leer je iets over jezelf en over de tijd waarin je leeft.
volkomen gepacificeerd
De overheid had dan ook op een bijzondere manier een einde aan gemaakt aan het Molukse terrorisme, niet door het hardhandig de kop in te drukken maar door het te verstikken onder een deken van welzijnswerk en wat er dan nog van over was een plek te geven, letterlijk, fysiek, in de vorm van monumenten voor slachtoffers én daders waar jaarlijks toespraken konden worden gehouden en kransen gelegd, door het inrichten van een museum zelfs.
Treinkapingen? Ik hechtte er gewoon geen geloof meer aan, al zat ik er middenin.
Ik was er geweest, op een zaterdagmiddag, in Utrecht, de enige bezoeker. Er hingen foto’s van de treinkapingen, maar uit de begeleidende teksten viel alleen maar op te maken dat het een spannende tijd was geweest en dat beide partijen aan een nieuw hoofdstuk waren begonnen. Ik parafraseer, mijn aantekeningen van destijds heb ik niet meer en het museum is inmiddels geruisloos gesloten, het had zijn werk gedaan, de geschiedenis, de werkelijkheid, de daders en de slachtoffers en ook het publiek, alles was volkomen gepacificeerd.
Wanneer ik er buitenlandse vrienden over vertel, vallen de monden steevast open en kijken ze me ongelovig aan. Een monument voor Al Qaida op Manhattan? Een museum over de Servische vrijheidsstrijd in Sarajevo? Ondenkbaar. De unieke Nederlandse aanpak, het is een sterk verhaal, ik leg er steevast eer mee in. Maar ze had gewerkt, ook bij mij. Treinkapingen? Ik hechtte er gewoon geen geloof meer aan, al zat ik er middenin.
En dus bleef ik nukkig zitten terwijl de temperatuur in de trein het vriespunt naderde en sommige medereizigers wel degelijk een deur hadden weten te ontgrendelen en over de rails de vrijheid tegemoet waren gewandeld. Maar ook dat heb ik later pas gehoord.
Kaartjes controleren
Toen ik tegen elven toevallig naar buiten keek, zag ik hoe figuren langs het spoor heen en weer kropen. Ze droegen zwarte pakken, ze hadden maskers voor hun gezicht en automatische wapens in hun handen. Ze deden hun best maar. Ik dook dieper weg in mijn jas. Ik had voor mijn kaartje betaald en dan hoef je niet te lopen.
Die kaartjes werden kort voor twaalven inderdaad gecontroleerd. De conducteurs waren met z’n drieën en hadden een potig postuur. Hun uniformen spanden strak om hun gespierde lijf en ze keken aanmerkelijk scherper om zich heen dan de gemiddelde spoorwegemployee.
Nadat ze hun werk hadden gedaan, kwam de trein piepend in beweging. Achteruitrijdend keerden de wagons terug in het doodstille station.
Het was na middernacht. In een personeelskantine werden broodjes bal en bamischijven geserveerd waarvoor we niet hoefden te betalen. De directeur van het crisisteam hield een toespraak waarin hij duidelijk maakte dat het protocol voor de situatie was gevolgd en dat wij door het verlaten van het treinstation de rest van reizend Nederland misschien wel voor een ramp van grote omvang hadden behoed.
Ook de koffie was daarom gratis, maar de taxi’s naar huis moesten zo efficiënt mogelijk worden benut. Zo kwam het dat ik pas om drie uur ’s ochtends, na een tocht door allerlei slaapsteden ten noorden van Rotterdam, de deur van mijn huis opendeed en naar de gezichten van mijn kinderen keek. Er ging opnieuw niet veel door mij heen.
De Nederlandse Spoorwegen stuurden na een paar dagen een boeket met een kaartje waarop in ontroerend kinderlijk handschrift ‘excuses voor de overlast’ werden gemaakt.
En hetzelfde gold voor de rest van Nederland. De volgende ochtend stond er helemaal niets over onze behouden terugkeer in de krant.
Feyenoord had met 2-1 van Schalke gewonnen en volgens de jonge Dirkie Kuyt had zijn club ‘een prima wedstrijd op de mat gelegd’.
Maar nog voor in De Kuip het eerste fluitje had geklonken en ongeveer op het moment dat wij piepend en knarsend voor de spoorbrug tot stilstand waren gekomen, blies die avond in het academisch ziekenhuis van Utrecht prins Bernhard zijn laatste adem uit – en zijn avonturen bleven nog dagenlang het grootste nieuws.
De Nederlandse Spoorwegen stuurden na een paar dagen een boeket met een kaartje waarop in ontroerend kinderlijk handschrift ‘excuses voor de overlast’ werden gemaakt; van reisgeld terug was natuurlijk weer geen sprake.
Anderhalf jaar later, op 12 juli 2005, veroordeelde de rechtbank te Amsterdam een man tot dertig maanden gevangenisstraf die de complete Nederlandse sportpers naar Schiphol had weten te lokken met het verhaal dat een Amerikaanse supermarktketen voor honderd miljoen dollar shirtsponsor wilde worden van het noodlijdende Vitesse. Diezelfde man had namens John de Mol aangeboden te investeren in buitenlandse voetbalclubs (Lazio Roma, Leeds United, Fiorentina, Atletico Madrid) en in de tv-rechten van het WK-voetbal. Aan de mediamagnaat zelf stuurde hij intussen brieven waarin gedreigd werd met ‘een portie geweld tegen u en u personeel die we allemaal weten te wonen’ wanneer hij niet in café-restaurant Van der Werff te Leiden zo’n 4 miljoen euro in contanten zou laten bezorgen. Ik ken dat café, het is aan de Steenstraat, het heeft niets onrustbarends.
O, en dan was er nog iets.
Op 1 december 2004 had hij de politie in Rotterdam valselijk gewaarschuwd dat in een trein die op het punt van vertrekken stond een man met een baard en een Arabisch uiterlijk en met wapens en handgranaten was ingestapt. Voor dit vergrijp werd hij veroordeeld tot het betalen van een bedrag van 225 euro aan NS Reizigers en 1233,60 aan de spoorwegbeheerder, ProRail dus. Maar dit alles weet ik pas, dankzij het internet, sinds een paar weken, vijftien jaar later.
Op foto’s van de veroordeelde is een mager kereltje te zien met een licht getinte huid en een oplichterssnorretje.
Hij werd op 7 januari 1970 geboren te Assen, heet Matheus Constantijn Tuanakotta maar noemt zich ‘Rocky’. Tot op de dag van vandaag schijnt hij spoorloos te zijn.
Maar suggereerde ik nou net dat ik kwaad was op Rocky? En ‘eeuwig-durend’ nog wel?
Schenk me nog eens in. Dat valt eigenlijk wel mee. Hij was een verhalenverteller, geen terrorist. Soms is er niet zoveel verschil.
H.M. (Hans Maarten) van den Brink (1956) was kunstredacteur, chef verslaggeverij en correspondent in de Verenigde Staten en Spanje voor NRC Handelsblad. Daarna was hij zes jaar hoofdredacteur van de VPRO-televisie, twee jaar directeur van kunstcentrum Witte de With, acht jaar directeur van het Mediafonds en daarnaast bestuurslid van verschillende culturele instellingen. Hij schreef vijf non-fictieboeken en vier romans, waarvan Dijk (2016) de meest recente is en Over het water (1998) de bekendste. Vorig jaar verscheen zijn (vakantie)verhalenbundel Het ontbijtbuffet.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.