De bedoeling was dat de Engelse dichter William Wordsworth een langeafstandsloper zou worden, iemand die lange gedichten zou schrijven waarin hij in drie delen zijn leven vertelt, elk zo’n tweehonderdvijftig pagina’s lang. Daar was hij op zijn dertigste ook met grote animo mee begonnen, met na vijf jaar in 1805 als resultaat de tweehonderdzestig pagina’s van de Prelude – de naam zegt het al.
Maar Wordsworth wilde het toen nog niet uitgeven. Hij vond het aanmatigend om al met zo’n omvangrijk gedicht over zijn jeugd en jongvolwassen jaren te komen wanneer hij als dichter nog niets gepresteerd had, alleen maar had beschreven hoe hij dichter was geworden. ‘Growth of a Poet’s Mind. An Autobiographical Poem’, luidde de ondertitel. Er zouden nog veel gedichten volgen, maar Wordsworth zou de Prelude nooit zelf publiceren. Dat gebeurde pas in 1850, een paar maanden na zijn dood toen hij een afstand van tachtig jaar had afgelegd.
Over het ontstaan van een dichter
De door Jan Kuijper nu onverschrokken integraal en met acribie vertaalde Prelude is een gedicht over het ontstaan van een dichter, meer speciaal van een romantische dichter, zelfs de eerste Engelse romantische dichter die in de befaamde inleiding van zijn Lyrical Ballads van 1800 de poëtica van de Engelse romantiek had geschreven.
Zo’n ontstaansgeschiedenis van een dichterlijke sensibiliteit was uniek. Het ging om de ontwikkeling van een gevoeligheid voor stemmingen, seizoenen, weer, landschap, bergen, dalen, luchten, bossen en kleuren: ‘Alles wat ik waarnam was me dierbaar.’ En het ging over ‘de passies waar de menselijke ziel van is gemaakt’, zoals verlangen, lust, pijn, twijfel, verdriet, angst en blijdschap. Gevoel en denken gaan er in samen zodat er gedachten en beelden ontstaan die ‘’t eeuwige denken’ uitmaken.
Wordsworth ontwikkelde een gevoeligheid voor stemmingen, seizoenen, weer, landschap, bergen, dalen, luchten, bossen en kleuren. ‘Alles wat ik waarnam was me dierbaar.’
Hier zie je een sensibliteit en sensitiviteit ontstaan die het niet bij gevoeligheid laat, met een speciaal zintuig voor de grootsheid van het alledaagse. Wordsworth kan zwijmelen (‘O ziel van de natuur, die overvloeit van hartstocht en van leven’), maar zich ook ‘meedogenloos’ kan ‘doorvorsen’ en met ‘zinnescherpte’ kennis tot zich kan nemen, tot in de allerkleinste aspecten. Hij is in staat tot ‘vervoeringen’, maar zijn poëzie is bedachtzamer dan hij zelf dacht toen hij schreef dat ‘all good poetry is the spontaneous overflow of powerful feelings.’
De Prelude is geen spontaan of lyrisch gedicht, het vertelt over allerlei gemoedsbewegingen. Je zit dicht op Wordsworths geest, je wordt onderdeel van zijn wereld. De meestal eenvoudige taal sleept je makkelijk mee.
paradijselijke omstandigheden
Wordsworth vindt in het gedicht bij herhaling dat hij tekortschiet, niet voldoet aan zijn eigen standaard. Dat komt omdat hij passend wil betalen voor zijn gelukkige jeugd. De Prelude is een ode aan de paradijselijke omstandigheden van zijn jongens-en kostschooljaren rond Windermere in het Lake District, Noordwest-Engeland: ‘vertroeteld als ik was geweest, gevormd in het paradijs.’
Het is begrijpelijk dat Wordsworth de bedenker is van de uitspraak dat ‘het kind de vader is van de man’. In alle stadia van zijn leven heeft zijn gelukkige jeugd hem beschermd, zoals hij schrijft in het gedicht ‘My heart leaps up.’ Dat veelgeroemde ruige landschap was wat Wordsworth onder ‘natuur’ ging verstaan: hij was ‘in de schoot van de natuur gekweekt’.
‘s werelds tucht
Helemaal zonder rimpelingen verliep zijn jeugd nu ook weer niet: voor zijn tiende jaar waren zijn moeder en vader overleden. De achtergebleven kinderen (drie broers en zijn zuster Dorothy) werden niet van harte opgevangen door familie. Maar hij ging naar een kostschool die hem beviel (Hawkshead) in een regio die hij een ‘klein paradijs’ noemde.
Hij was acht jaar onder de pannen bij Ann Tyson, een hospita die hij vereerde als een moeder. Zijn geliefde zuster Dorothy zou hij negen jaar niet zien, maar toen ze weer opdook werden ze onafscheidelijk, culminerend in een innige samenwerking en een levendig dagboek waaruit hun zielsverwantschap blijkt.
Toen zijn geliefde zuster Dorothy weer opdook, werden ze onafscheidelijk, culminerend in een innige samenwerking en een levendig dagboek.
Deze jeugd zorgde wel voor een solide ondergrond, maar bereidde Wordsworth niet voor op het echte leven: ‘Mijn ziel was niet gedrild in ‘s werelds tucht’. In Cambridge was hij daarom de eerste tijd een vreemdeling die geen deel had aan de ‘diepere emoties die rondom mij heersten.’ Afgunst, jaloezie, vrees, hoop, trots, eerzucht, schaamte, rivaliteit en losbandigheid nam hij waar maar hij was er geen onderdeel van. Hij was de dromende jonge dichter in nette kleren die zich stortte in het studentenleven, ‘een vreemde transformatie voor een jonge bewoner van de noordelijke bergen’.
de hoogste waarheid
Maar hij werd zich daar ook bewust van zijn eigen kracht: ‘Alsof ‘k gewekt was, gesommeerd, gedwongen,/ging ik op zoek naar het universele,/doorvorste het gelaat van aarde en hemel,/richtte de geest naar binnen, tuurde, keek,/verwachtte, luisterde, liet mijn gedachten/kruipen waar zij niet konden gaan, en voelde/duurdere plichten, aangemoedigd door/de zielenrust, de steun en toeverlaat/die onder alle hartstochten een veilig,/standvastig leven leidt. Kalm aan, ‘t volstaat/te melden dat ik me aan het verheffen was/tot zo’n verbinding met de hoogste waarheid.’
Dat komt steeds terug bij Wordsworth: waar hij zich ook ging bevinden, studerend in Cambridge, bergbeklimmend in de Alpen, onderdeel uitmakend van de Franse Revolutie, een verliefdheid met een dochter tot gevolg in Parijs, wandelend met zijn vriend Coleridge (tot wie hij zich richt in de Prelude): altijd heeft hij iets ‘na te streven’. Een hoger inzicht, een zuivere verwoording van zijn gevoelens, nog meer één worden met de natuur, het zoeken naar ‘de hoogste waarheid’.
Altijd heeft Wordsworth iets ‘na te streven’: een hoger inzicht, een zuivere verwoording van zijn gevoelens, nog meer één worden met de natuur.
Het achtste hoofdstuk (van de dertien) heeft als onderwerp de ‘liefde voor de natuur uitlopend op liefde voor de mens’. Dat is nogal wat, maar bij Wordsworth gaat die liefde voor dat abstracte wezen ‘de mens’ via de liefde voor de natuur uit zijn jeugd (‘opgegroeid in zo’n groots en mooi gebied’). Dat veroorzaakt een soort verzoening met de wereld en met ‘de mens’. Hij denkt dan ook dat zo’n mensliefde Coleridge niet zal lukken met zijn grotestadservaringen. Daarvoor moet je een ruig Arcadië met weinig mens in je hoofd meedragen.
oogsollicitanten
De Prelude is wel een gedicht van tweehonderzestig pagina’s geschreven in een aangenaam ritme, maar leest voor het grootste deel als proza. Wordsworths romantische breuk met het formalistische classicisme hield in dat hij de eenvoudige taal van gewone mensen (‘the very language of men’) wilde schrijven, ver weg van de ‘poetic diction’ waarin elk woord wordt opgeblazen, een woordkunst die afleidt van wat wil worden gezegd.
Onze gevoelens, zei hij, willen verbonden worden met belangrijke onderwerpen, ze een ziel geven, en dat steekt nauw. Dan moeten ze niet worden afgeleid door woordenpraal. De combinatie van alledaagse taal en verheven gevoelens brengt Wordsworth soms op het pad van de exaltatie, maar diezelfde alledaagse taal brengt hem ook weer terug bij ‘the good sense die deel is van alle goede poëzie,’ zoals hij zelf schrijft.
Onze Albert Verwey (schreef Bianco Graat in 2007 in het tijdschrift Vooys) schaarde zich achter de eenvoud van Wordsworth door tussen 1914 en 1935 dertig gedichten van hem te vertalen. Hij kwam eerder al in conflict met Willem Kloos omdat die vasthield aan de gekunstelde woordenpraal van de Tachtigers.
Onze gevoelens, zei Wordsworth, willen verbonden worden met belangrijke onderwerpen, ze een ziel geven. En dat steekt nauw.
De Prelude is in alle toonaarden een individualistisch werk, alles draait om Wordsworth. Maar daarbinnen wil hij alleen al door in een algemene, begrijpelijke taal te schrijven het individuele overstijgen. Hij wil het algemeen menselijke onder woorden brengen van ‘elementary feelings’ en ‘the essential passions of the heart’.
Tijdens zijn leven, dat nooit meer de creatieve hoogte zou bereiken van de jaren 1797-1807, had Wordsworth een aantal tegenvoeters, onder wie ene Peter Bailey. Vanwege zijn eenvoudige taal noemde die Wordsworth ‘that most simple of all simple poets’. Er mag van veel simpel taalgebruik sprake zijn in de Prelude, er zijn nog genoeg passages waarbij je kan stilstaan om te achterhalen wat er staat, ook in het Nederlands.
Jan Kuijper is schrander en virtuoos in het achterhalen van wat er precies wordt bedoeld en brengt het ook nauwkeurig onder woorden. Daar komt zelfs een aardige collectie zelfbedachte of in onbruik geraakte woorden bij kijken, zoals ‘zwerfsprong’, ‘zeereep’, ‘overwachts’, ‘lommerpannen’, ‘blakke’, ‘avenant’ en ‘oogsollicitanten’. Die laatste voor iets dat mooi gevonden wil worden.
Prelude door William Wordsworth is vertaald door Jan Kuijper, van een Nawoord voorzien door Anneke Brassinga en uitgegeven door Querido.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.