Rutger Bregman, schrijver van De meeste mensen deugen, wil een idealistisch instituut opzetten ‘om de wereld tot een betere plek te maken’, vertelde hij in onder meer HP/De Tijd. Daarvoor heeft hij mensen nodig, ook mensen die je niet meteen met idealisme associeert, maar die praktische vaardigheden in huis hebben, zoals ‘superslimme advocaten, consultants en lobbyisten’. Ze mogen zelfs van de Amsterdamse Zuidas komen – doorgaans geen plaats waar je idealisten aantreft.

Als hij het over zijn nieuwe boek Morele ambitie heeft, valt het woord zonder reserves: Bregman heeft consultants nodig, een beroep dat in kringen van maatschappijcritici niet bepaald populair is. Je denkt al gauw aan geritsel. In de buurt van idealisme kom je het niet vaak tegen.

Rutger Bergman is bezig met een herwaardering van begrippen en woorden die onder idealisten geen goede pers hebben, vooral de woorden ambitie, geld en succes.

Ambitie hoort van oudsher bij mensen die hogerop willen en daar alle moeite voor doen, als het moet met de ellebogen, al zijn er ook genoeg mensen met fatsoenlijke ambities.

Bregman heeft het woord geadopteerd omdat hij vindt dat het niet kan blijven bij een platonische solidariteit met het aanpakken van de grote wereldproblemen: het is mooi als mensen deugen en daarover ijverig twitteren, maar het komt eropaan dat je iets concreets doet. ‘Ambitie’ staat voor het doen. ‘Deugen is niet genoeg.’

Bregman betreedt moreel schemergebied: hij wil ‘dat goed doen modieuzer wordt.’

Geld is ook zo’n woord dat, vooral in geval van grote hoeveelheden, niet populair is onder idealisten. En niet zonder reden: geld is inderdaad vaak vies. Maar Bregman heeft ontdekt dat geld noodzakelijk is als je van de wereld een betere plaats wilt maken. Bijvoorbeeld door het op grote schaal aanpakken van de tabaksindustrie en van de sigaret, door hem in HP/De Tijd ‘het dodelijkste object in de geschiedenis van de menselijke beschaving’ genoemd.

En van het woord ‘succes’, het derde uit Bregmans rijtje, moet van hem de hele beeldvorming veranderen. Nu is ‘succes’ het sluitstuk van een race naar de top. ‘Succes’ staat voor een rechte lijn vooruit waar niet van mag worden afgeweken, hoeveel geliefden, vrienden en collega’s er ook bij sneuvelen. Maar succes kan ook op een deugdelijke manier bereikt worden, stelt hij.

Ambitie, geld en succes zijn woorden die bij uitstek behoren tot het vocabulaire van het neoliberalisme. Bregman bedient zich ervan omdat ze volgens hem ook voor iets fatsoenlijks kunnen staan.

Tegelijk committeert hij zich daarmee wel enigszins aan de graaimentaliteit die er vaak aan vastzit. Na de jaren waarin links afkerig was van deze woorden, zijn velen gaan inzien dat het van realiteitszin getuigt om die afkeer niet te verabsoluteren. Dat is niet onredelijk, want de begrippen kunnen inderdaad ook op een moreel zuivere manier worden gebruikt.

Maar meegaan met dit handelsdenken heeft zijn gevaren. Bregman is daar niet bang voor. Hij stelt zich een samenwerking voor van idealisme en kapitalisme: het idealisme van een klimaatactivist gecombineerd met de ambities van een start-up.

En daar laat hij het niet bij.

Bregman betreedt ook een moreel schemergebied: hij wil ‘dat goed doen modieuzer wordt.’