Voor ze aan hun zomervakantie beginnen, moeten de bijna één miljoen middelbare scholieren in Nederland nog één laatste hobbel nemen: de toetsweek die hun leerjaar kan maken of breken.
Dat de toetscultuur op Nederlandse scholen manische vormen heeft aangenomen, blijkt uit de cijfers die hoogleraar Onderwijswetenschappen aan de Vrije Universiteit Martijn Meeter onlangs aanhaalde in het radioprogramma Spraakmakers.
‘Gemiddeld genomen krijgt een leerling 102 cijfers per jaar’, vertelde Meeter. Dat komt neer op grofweg drie cijfers per lesweek.
De doorgeschoten toetscultuur zou wellicht te billijken zijn als deze de prestaties van onze kinderen tot grote hoogten zou brengen. Het probleem is dat dit niet het geval is. De schoolprestaties van Nederlandse kinderen raken steeds verder achter bij die van andere ontwikkelde landen.
Het eenmalig stampen van feitjes leidt slechts tot oppervlakkige, vluchtige kennis. Bovendien zijn de meeste leerlingen al lang tevreden met een zes of zeven. Onze huidige toetscultuur stimuleert leerlingen onvoldoende om achteraf aandacht te besteden aan de opgaven die ze fout hadden.
De huidige toetscultuur is hiermee niet alleen schadelijk voor kinderen die bezwijken onder de stress van acht of meer toetsen in slechts vijf dagen tijd. De eenzijdige focus op cijfers staat ook de maximale ontplooiing van leerlingen die hun schooltijd wél met een diploma afsluiten in de weg.
Het Nederlandse onderwijs moet daarom hoognodig op de schop. We moeten onze kinderen weer opkweken tot nieuwsgierige jonge mensen, die maximaal worden gestimuleerd om hun eigen verwondering te volgen. En die buiten de gebaande paden durven te treden.













