Drie keer per dag wandelt ecoloog Serena Rivero met haar hond langs de Noordzee. ‘In Nederland voel ik me soms een beetje opgesloten,’ zegt ze. ‘Zoveel mensen, zoveel regels. Als ik naar de Noordzee kijk, krijg ik nog het gevoel dat het hier wordt gedreven door natuurlijke processen.’ Rivero, werkzaam bij Stichting de Noordzee, weet dat het een van de drukst bevaren zeeën ter wereld is waar gewoekerd wordt met ruimte voor scheepvaart, natuur, visserij en energie – maar maakbaar is de Noordzee allerminst. ‘Het is geen kweekland, waar alles sterk wordt beïnvloed door nutriënten die je erin stopt en dat jaarlijks wordt omgeploegd.’

Ook deze zee is gevoelig voor klimaatverandering, al zijn de grauwe golven daarvan zelden het symbool; bij opwarmend zeewater denken de meesten eerder aan verbleekt koraal of aan zeewater met de temperatuur van een jacuzzi, zoals vorig jaar in de Florida Keys, waar het water 38 graden werd. En misschien is dat wel omdat een branding zo warm als een bubbelbad of de depressief stemmende aanblik van verbleekt koraal direct het probleem in beeld brengt. Die troebele plas voor onze deur geeft minder makkelijk prijs wat er onder het oppervlak gebeurt. Onhandig, omdat er juist zoveel gebeurt: de Noord- en Waddenzee warmen namelijk sneller op dan bijvoorbeeld de Atlantische Oceaan, weten we dankzij de wetenschap, die dat donkere water wél kan doorgronden. 

De gemiddelde zeeoppervlaktetemperatuur van de ‘extrapolaire oceaan’ (alle zeeën, minus de twee die direct aan de polen liggen) steeg sinds de industriële revolutie met bijna een graad Celsius. De afgelopen veertig jaar waren verantwoordelijk voor 0,6 graden van die stijging. In de Noord- en Waddenzee gaat het zelfs een tandje sneller: de zeeoppervlaktetemperatuur van de Noordzee steeg sinds 1991 met 0,3 graden per decennium, de Waddenzee werd bijna twee graden warmer sinds 1980. ‘De Noord- en Waddenzee zijn omsloten zeeën,’ verklaart hoogleraar Productiviteit Kustsystemen Katja Philippart. ‘Daardoor warmen ze sneller op dan oceanen. Ze liggen een beetje beschut en zijn ondieper.’

De gemiddelde watertemperatuur in de Waddenzee steeg van 10 naar 12 graden. Dat is veel en gaat gepaard met consequenties voor het Hollandse zeeleven, zeggen ecologen. Deels is het eenvoudig: warmteminnende soorten trekken naar de Nederlandse zeeën als die opwarmen, terwijl koudeminnende soorten het water ontvluchten. Rivero ziet nu veel vaker kortsnuitzeepaardjes in de Noordzee. Klassieke Hollandse vissen zoals de kabeljauw, tong en schol ziet ze steeds minder. Die waarderen kou. 

Een afname in platvissen als schol valt ook Wouter van der Heij, ecoloog en waarnemend directeur bij de Waddenvereniging, op. De Waddenzee is normaliter hun kraamkamer. Maar: ‘Er zijn duidelijke signalen dat jonge platvissen korter blijven en eerder naar de Noordzee trekken, omdat het ze te warm is geworden.’ Zeebaarzen daarentegen zijn de afgelopen veertig jaar juist in opkomst in de Waddenzee.

VRIJ NEDERLAND VERNIEUWT

Er gaat veel veranderen bij Vrij Nederland. Zo gaan we de redactie uitbreiden, de website en het blad opnieuw vormgeven en ons meer richten op onze oorspronkelijke missie. Benieuwd? Lees hier meer!

roofvissen

Minder schol, meer zeebaars. Is dat nou erg? ‘Dat is de eeuwige discussie: kan je het ene puzzelstukje niet gewoon vervangen door het andere?’ zegt Van der Heij. Nou, lang niet altijd. Een zeebaars vertolkt een andere rol binnen een ecosysteem dan een schol. ‘Jonge platvisjes zijn zo groot als de nagel van je pink. Ze moeten oppassen dat ze niet worden opgegeten door een garnaal, terwijl een zeebaars een roofvis is die predeert op krabben en andere vissen.’

Zodra er minder jonge platvisjes in de Waddenzee zijn, heeft dat effect op soorten die afhankelijk van ze zijn in hun dieet, zoals de lepelaar. Dat is waar zowel Van der Heij als Rivero zich druk om maken: de gevolgen voor het voedselweb – de voedselrelaties, het ‘wie eet wie’ binnen een ecosysteem – als er een schakel wegvalt. 

Van der Heij: ‘Het voedselweb in de Waddenzee is weinig biodivers. Het wegvallen van één soort kan een behoorlijk effect hebben op het hele web.’ Soorten die als voedselbron dienen, worden niet langer opgegeten en kunnen zich gigantisch uitbreiden, soorten die voor hun voedsel afhankelijk zijn van de verdwenen soort nemen af. 

Het verdwijnen van soorten is slecht nieuws voor de visserij. Visquota zullen krapper worden.

Iedere soort is van belang in zo’n web – ook de allerkleinste. Algen bijvoorbeeld, zegt hoogleraar Philippart. ‘Het nonnetje, een schelpdier, laat haar eieren los bij het bereiken van een bepaalde drempelwaarde qua temperatuur. Door warmer wordend water plant het nonnetje zich steeds vroeger in het voorjaar voort,’ zegt ze. De larven eten algen, maar die verschijnen níet eerder in het jaar.

Nog zo’n soort die last heeft van de warmte is de kokkel. Massasterfte onder kokkels werd voorheen alleen veroorzaakt door strenge winters, maar nu ook door hittegolven, vertelt Philippart. Tussen 2018 en 2023 zag Philippart in vier van de zes jaren uitzonderlijk veel kokkelsterfte door de warmte. Dat heeft vervolgens invloed op de miljoenen trekvogels die op kokkels rekenen als ze het Waddengebied aandoen, zegt Philippart.

En, voegt Rivero toe, zeeën worden zuurder als het warmer wordt op aarde. Het CO2-gehalte in het water stijgt. ‘De Noordzee is volgens modellen tussen 1970 en 2006 zelfs 17 procent zuurder geworden,’ zegt ze. Daardoor wordt de schelp van weekdieren dunner. ‘Door die verzuring kunnen ze minder goed groeien en worden minder weerbaar tegen roofdieren.’

Uiteindelijk heeft het ook effect op de de mens. Het verdwijnen van soorten is slecht nieuws voor de visserij. Visquota zullen krapper worden. Er komen wel andere vissoorten voor in de plek – inktvis, rode mul – maar die zijn minder populair op de Nederlandse markt dan bijvoorbeeld kabeljauw, zegt Rivero. 

Record op record

Ook dit jaar volgen de records elkaar op. April was de warmste april sinds 1940. Mei was de warmste mei sinds 1940. En juni? Juist, de warmste juni sinds 1940. Dat gaat al dertien maanden op deze manier. Juni was zelfs de vijftiende opeenvolgende maand dat het zeeoppervlaktewater een temperatuurrecord brak, blijkt uit cijfers van de Copernicus Climate Change Service.

Die temperatuurstijging kan als een boemerang terugkomen naar West-Europa. Dat heeft te maken met de Golfstroom, zegt Erik van Sebille, hoogleraar Oceanografie. De Golfstroom vervoert warm water uit de Golf van Mexico, via Groenland, naar West-Europa. ‘In eerste instantie naar Ierland,’ zegt Van Sebille, ‘daarna knalt het door het Kanaal de Noordzee in.’ 

Wouter van der Heij verwacht dat de watertemperatuur gelijkenissen gaat vertonen met de Atlantische kust van West-Frankrijk of Noord-Frankrijk.

De Golfstroom wordt zwakker. Platgeslagen komt dat doordat Groenland, vanwege klimaatverandering, smelt. Het zoete smeltwater vormt een soort laagje op het zoute oceaanwater, dat zwaarder is. Dat zoute water wil zinken en naar het zuidelijk halfrond worden afgevoerd, maar dat wordt steeds lastiger omdat er meer zoet water in de weg ligt. Daardoor neemt de sterkte van de Golfstroom af en bereikt er uiteindelijk minder warm water Nederland en de Noordzee.

Uit een begin dit jaar verschenen onderzoek in Science blijkt dat de gevolgen daarvan desastreus kunnen zijn, zegt Van Sebille. Afhankelijk van hoeveel de aarde opwarmt en hoeveel poolijs er daardoor smelt, kan het in Nederland ‘zomaar vijf tot tien graden kouder worden’ terwijl de zeespiegel door blijft stijgen, zegt hij. ‘Ik heb het laatst uitgezocht. Een tien graden kouder klimaat ten opzichte van Nederland is er nu in Lapland.’ Of en wanneer zoiets gebeurt, is speculeren, zegt Van Sebille. Het kan decennia, eeuwen of millennia duren. 

De komende jaren is het in ieder geval realistischer dat het water in de Noord- en Waddenzee opwarmt dan afkoelt. Wouter van der Heij verwacht dat de watertemperatuur gelijkenissen gaat vertonen met de Atlantische kust van West-Frankrijk of Noord-Frankrijk. Dat heeft implicaties voor de soorten die in de zee leven: er zullen soorten verdwijnen en bijkomen. Maar wat de precieze gevolgen voor de zee-ecosystemen zijn? Dat is allerminst zeker. Veel vragen, zegt Van der Heij, maar weinig antwoorden. Wat slechts vaststaat is dat Van der Heij en zijn collega’s zich zorgen maken.