De droom van Clarence

Oom Henry weet het zeker. Tijdens het WK voetbal in 2014 zit hij op de tribune in Brazilië. Bij de wedstrijden van Suriname wel te verstaan. Toegegeven, een fraai luchtkasteel voor wie op dit moment het nationale elftal bekijkt. De laatste anderhalf jaar is het niet in actie geweest. Kost alleen maar geld, zo’n selectie. Pas tegen de tijd dat de loting voor het WK 2010 eraan komt, wordt een nieuwe bondscoach benoemd. Geen wonder dat Suriname ook voor landen als Guyana of Cuba tegenwoordig geen partij is. Dat was vroeger wel anders. Bij de kwalificatie voor het WK in 1978 ging het pas mis in de allerlaatste wedstrijd, tegen Mexico. Wel een paar keer Caribisch kampioen in die tijd, net als bij de clubs. Maar let op: de komende jaren gaat dat veranderen, zegt Henry Seedorf. Laat dat maar aan zijn neef Clarence over. Wanneer die jongen eenmaal iets in zijn hoofd heeft, zal het gebeuren ook. Dat hebben we toch gezien met de aanleg van het stadion?

Daar heeft Henry een punt. In de zomer van 2001 reisde de Surinaamse gemeenschap massaal richting Para, op een half uurtje rijden van Paramaribo. President Ronald Venetiaan verrichtte opening en aftrap en daarna barstte een volksfeest los. Zes wedstrijden kreeg het publiek voorgeschoteld, van jeugdspelers en Suriprofs tot veteranen. Henry maakte destijds de eerste goal in het nieuwe stadion. Was het toch een Seedorf die scoorde.

Daarna is het stil rond het stadion. Een enkele keer een toernooi of benefietwedstrijd, maar meestal blijft de poort gesloten. Surinamers die het stadion passeren met het metershoge billboard van Clarence – en profil, strakke pose, zonnebril – trakteren hem niet zelden op een tjoerie. Zie je wel, hij heeft het vooral ter meerdere eer en glorie van zichzelf laten bouwen.

Tot de vedette deze zomer met de Champions League-bokaal in Suriname arriveert en opnieuw het land op zijn kop zet. En hij is niet voor de show ingevlogen. Deze weken siert een andere Clarence het Surinaamse straatbeeld. Breed grijnzend kijkt hij de voorbijgangers aan. Onder het motto dream, believe, create,?succeed kondigt hij de lancering van de Para Junior League aan, een competitie waarin vanaf eind oktober zeshonderdveertig jonge voetballers uit het district tegen elkaar uitkomen. Clarence zorgt voor kicksen, voetbaltenues, materiaal en vervoer.

En dat is nog maar het begin. Volgend jaar komt hij terug om nieuwe projecten te lanceren die de basis moet leggen voor het Surinaamse elftal. Future With Values heet de vereniging die Clarence heeft opgericht. Oom Henry heeft hij tot voorzitter benoemd. Niet zozeer vanwege diens gevreesde linkerbeen. Henry zet zich als politieman al jaren in voor de begeleiding van kansarme jongeren. Twee jaar geleden rondde hij zijn rechtenstudie af met een scriptie over alternatieve jeugdstraffen. Want dat vinden de Seedorfs minstens zo belangrijk als het halen van het WK: het creëren van een prettige en veilige omgeving voor de Surinaamse jeugd.

Diederik Samwel

Barbie op leeftijd

‘Is dit jurkje niet wat?’ zegt een man van middelbare leeftijd. Hij haalt zijn hand door zijn vettige grijze haar. ‘Het glittert wel leuk.’ Uit de bak met barbiekleertjes heeft hij een blauw exemplaar gegraaid, afgezet met fonkelende steentjes. Zijn vrouw stemt in en haalt uit haar kalfslederen jas een portemonnee te voorschijn.

Ria en Gerard zijn vanuit Meppel naar het Mercure Hotel in Amsterdam gereisd om hun slag te slaan op de barbiebeurs: de Dutch Fashion Doll Convention 2007. De bureautafels op het bruine tapijt in de congreszaal zijn volgeladen met barbies en aanverwante zaken: barbiepoppen, kleertjes, dvd’s en boeken. Hun hobby begon toen hun dochter het ouderlijk huis voorgoed verliet, ‘na onenigheid, ze was aan de drank en drugs’.

Ria: ‘Ik had haar ooit mijn vier barbies beloofd, dus die heeft ze opgeëist. Toen ben ik op het internet en op rommelmarkten gaan kijken of ik ze terug kon kopen. Dat was nog maar het begin, nu doe ik niets anders dan barbies verzamelen. Op Koninginnedag kocht ik er vijfenvijftig voor nog geen vijftig euro!’ ‘Ik adviseer Ria,’ zegt Gerard. ‘We doen het allemaal samen. We kijken of het gezichtje mooi is, en of alles gaaf is: nageltjes, tenen, oren, ze moet helemaal puntjegaaf zijn.’ Om de paar maanden krijgen de barbies nieuwe kleren aan, die ?Ria zelf vervaardigt. De woonkamer staat er vol mee. ‘Het is tijd voor weer een extra plank,’ lacht Gerard. ‘Het lijkt wel een obsessie.’?Een verkoopster, een zestiger met kort, gebleekt haar, heeft nieuwsgierig meegeluisterd en probeert nu haar ‘zeldzame zwarte barbie’ te slijten. Normaal voor 1250 euro, nu voor de helft. ‘Sommige mensen denken dat ze miljonair worden door barbies te verkopen,’ mompelt Gerard en ook Ria schudt van nee. ‘Jammer,’ roept de verkoopster. ‘De volgende beurs sta ik er misschien met veel hogere prijzen!’

Ze wijst naar de ontelbare plastic boodschappentassen achter de stand. Honderd barbies moet ze zien te verkopen, voordat ze op haar oude dag kleiner gaat wonen. ‘Ik ben met verzamelen begonnen toen ik vanwege mijn gezondheid niet meer kon werken. Ik ging barbiekleertjes breien en poppen opknappen. Maar nu wil ik er vanaf.’ Haar dochter en kleindochter, eveneens blond, kijken verveeld. Zij rijden moeder naar elke barbiebeurs in het land, totdat alles verkocht is.?‘Tot 8 maart, in Nieuwegein,’ roepen Gerard en Ria naar het drietal. Dan is de volgende barbiebeurs. ‘Wij blijven verder zoeken!’

Carolina Lo Galbo

Kinderen kopen Echte Kunst

‘Die! Die! Die!’ Lotte (3) heeft duidelijk grote moeite met het maken van een keuze. ‘En die, en die, en die!’ Driftig wijst ze rond, rent haar vinger achterna en vergeet in alle opwinding te kijken naar de tentoongestelde lithografieën waaruit ze mag kiezen. Lotte mag vandaag, met haar broertjes Stijn (8) en Fons (7) en nog een heleboel andere kinderen, in Museum Boijmans Van Beuningen een Echt Kunstwerk kopen. Voor maar vijfendertig euro. ‘Verboden voor boven de achttien,’ is van tevoren aangekondigd: het is niet de bedoeling dat ouders op de ‘Kinderen kopen kunst’-tentoonstelling zich bemoeien met de aankoop van hun kroost.

Daar heeft organisator Magda van Gils, een naar Nieuw-Zeeland geëmigreerde Vlaamse, anders nog haar handen vol aan. Talloze verhalen heeft ze, over volwassenen die er alles aan doen (verrekijker mee, telefooncontact met het kind, zich voordoen als journalist) om erachter te komen van welke kunstenaars de werken zijn, hoe bekend die zijn en wat de ‘echte’ waarde is.

Met andere woorden: hoe ze hun kinderen een spotgoedkoop kunstwerk op de kop kunnen laten tikken waar ze later het honderdvoudige voor kunnen krijgen.

Maar dat is dus niet de bedoeling. Magda van Gils weet precies waarom ze de verkooptentoonstellingen voor kinderen organiseert. ‘Kinderen letten niet op de geldwaarde. Ze kiezen iets omdat ze het mooi vinden, en dat is wat de kunstenaar eigenlijk het meest op prijs stelt.’ Vandaar dat ze ook geen moeite heeft om kunstenaars te vinden die willen meewerken aan het project, tegen kostvergoeding. Als vergoeding krijgen ze een vliegticket naar Nieuw-Zeeland, ‘economy class, want meer kan ik niet betalen,’ zegt Van Gils verontschuldigend.

‘Het moeten écht goede werken zijn,’ zegt van Gils beslist. ‘Niet iets speciaal voor kinderen gemaakt.’ Het gaat over kiezen, vindt ze. ‘Dat kinderen zelf die beslissing mogen nemen, is al iets bijzonders. Later zullen ze pas ontdekken dat het belangrijk is dat ze een origineel kunstwerk hebben gekocht.’

Lotte is ondertussen nog niet opgeschoten met haar beslissing. Ook al doen de broertjes hun geduldige best om haar te helpen. ‘Allemaal!’ krijst ze ten slotte. Lotte heeft schoon genoeg van het kiezen: ‘Ik ga naar mama.’

Padu Boerstra

Een hondendood

Ik zit aan mijn bureau en schrijf. Halverwege een zin klinkt van beneden geschreeuw. Het zijn de moslims die van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat scharrelen rond de door een Saoedische sjeik gerenoveerde moskee op mijn binnenplaats.

Ik hoor ze – behalve op vrijdag, wanneer het Allah tettert uit de luidsprekers – eigenlijk nooit. Wel spugen ze grote kwakken spuug uit. In het spuug zitten resten zonnebloempitten. Meisjes en vrouwen op espadrilles komen ’s zomers derhalve niet meer bij me op bezoek. Maar nu is het herfst, en ze komen weer, op laarzen.

Dan hoor ik het aanslaan van honden. In roedels trekken ze hier ’s nachts door de straten. Een vent in een kort jasje staat met een pistool op een zwarte herder te schieten. Twaalf magere honden en hondjes staan er, de longen uit hun lijf blaffend, omheen. Even verderop kijkt een groepje moslims gefascineerd toe.

Misschien ben ik wat gevoeliger – de vorige bewoner van mijn flat is op de overloop geëxe­cuteerd – maar ik stuif op, open het raam en roep: ‘Hé idioot, hou daarmee op!’ Ik ren naar beneden, denk: waarom deden die kerels nou niks? Zijn honden voor hen soms onrein? Kunnen ze na het aanraken van een hond geen salaat meer verrichten? Ik weet het niet.

‘Mijn lul op! Allemaal mijn lul op! Jullie smerige vieze mormels!’ hoor ik de vent nog roepen, en de burger rent over een bladertapijt weg.

Het groepje gelovigen is verdwenen. Nog nooit was het op mijn binnenplaats zo stil. Dan hoor ik gepiep – ik draai me om en zie de zwarte herder, gevloerd naast een kistje. Op het kistje staan lege flesjes frisdrank. ‘Godverdomme hond, wat moet ik doen?’ Ik weet het weer niet. Een minuut later is hij gestorven.

Een oude man met een grijs puntbaardje komt aanlopen – ik denk Tadzjikstan – en hij mompelt: ‘Wat moet dat vieze beest hier?’ Ik had eerder een hond zien sterven, op de schoot van een vrouw in de metro. Ik had haar toen begeleid naar het crematorium, aan de Vakbondstraat. Ik ken de weg; nu weet ik wel wat me staat te doen. ‘Vakbondstraat!’ roep ik, nadat ik een zwaar, in een deken gewikkeld pakket in de achterbak van een taxi heb laten vallen. Zo’n crematie is nog best duur: zestig euro. ’s Nachts hoor ik zijn vrienden en vriendjes weer blaffen. Ik droom van de man met het pistool. En dat ik dan een hond ben.

Pieter Waterdrinker