Deze analyse is ook te beluisteren.

Het kabinet-Rutte IV is halverwege de rit gevallen over het migratiedossier.

Het trad in december 2021 aan in de laatste fase van de coronapandemie. De formatie duurde eindeloos en het vertrouwen was broos. De verwachtingen waren niet hoog gespannen. Het kabinet had al eerder kunnen vallen over de parlementaire enquêtes voor de gaswinning, de toeslagen en het coronabeleid. Maar tegen die lage verwachtingen heeft Rutte IV nog lang doorgeregeerd. Daar kwam op 7 juli een einde aan.

Het is daarom tijd voor de eindafrekening. Wat al werd voorzien, is bewaarheid geworden: het economisch beleid van Rutte IV is een kostbaar misbaksel geworden.

Rutte IV trad aan met een ongekend pakket van 75 miljard euro aan uitgavenverhogingen, vooral via de fondsen voor klimaat en stikstof. Dat was al te veel voor de hoogconjunctuur waarin Nederland toen verkeerde. Maar toen de energiecrisis kwam, werd dat beleid ten onrechte niet bijgestuurd. Het kabinet gaf toen nog eens ruim 20 miljard euro extra aan inkomenssteun en compensatiemaatregelen voor de hoge energieprijzen. De beleidsfouten van de oliecrisis in de jaren zeventig werden herhaald. Nóg hogere uitgaven leverden een belangrijke bijdrage aan de torenhoge inflatie en de krapte in de economie.

Tegelijkertijd werden de begrotingsprocessen volkomen ontregeld door de begrotingsfondsen en tussentijdse besluitvormingsmomenten. Het CPB, de Raad van State en hoogleraren overheidsfinanciën: ze zijn allemaal het spoor bijster geraakt, waardoor de democratische controle op de overheidsbegroting werd ondermijnd.

Uitermate kostbaar

De overheid gaf niet alleen veel te veel geld uit gezien de stand van de economie, ze schoof ook een aanzienlijke rekening door naar toekomstige generaties. Op korte termijn hoeft Nederland zich nog geen grote zorgen te maken – de overheidsschuld is nog ruim beneden de 60 procent van het bbp – maar Rutte IV heeft de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op lange termijn sterk ondermijnd.

Hoewel daar nauwelijks iets over wordt geschreven, was misschien het grootste beleidssucces van Rutte IV het klimaatpakket van minister Jetten: 28 miljard euro aan klimaatmaatregelen beogen de CO2-uitstoot in 2030 met 22 megaton te verminderen, oftewel een daling van 55 procent ten opzichte van 1990 in zes jaar tijd. Maar de prijs die we daarvoor betalen is hoog.

Stel dat de CO2-uitstoot vanaf 2024 lineair, met 3,67 megaton ieder jaar, zou afnemen, dan zou tot aan 2030 cumulatief 77 megaton CO2 worden bespaard. De prijs voor een ton uitgespaarde CO2 bedraagt dan gemiddeld 363 euro in de kabinetsplannen. Dat is grofweg een factor 4 boven de huidige CO2-prijs van 89 euro per bespaarde ton CO2 in het Europese emissiehandelssysteem, en ook veel hoger dan conservatieve schattingen van de maatschappelijke kosten van CO2-uitstoot. En dat is volgens het Planbureau voor de Leefomgeving bij nog uitermate optimistische inschattingen van het kabinet over de verwachte CO2-reductie. Misschien krijgen we daar op lange termijn een systeemomslag voor terug in de energievoorziening, of laat de ondoelmatigheid van de kabinetsplannen zich niet zo eenvoudig becijferen als hierboven, maar vooralsnog lijken de milieumaatregelen van Jetten uitermate kostbaar.

Dit komt vooral omdat maar een klein deel van de milieumaatregelen bestaat uit het beprijzen van CO2-uitstoot en het grootste deel uit het uitdelen van subsidies. Onder economen bestaat nagenoeg unanimiteit dat beprijzing de beste manier is om milieudoelen te bereiken.

Blunder

Dat andere grote fonds, voor stikstof, ter grootte van 24 miljard euro, bestaat alleen nog maar op papier. Niet-uitgewerkte kabinetsplannen, boze boeren, falende ministers van Landbouw, angstige politieke partijen en de opkomst van BBB droegen allemaal bij aan een tot nu toe fatale mislukking van het stikstofbeleid van Rutte IV.

Het kabinet grossierde bovendien in het uitdelen van vele miljarden die welbeschouwd niet economisch zijn te onderbouwen. Zo werd het minimumloon met 10 procent verhoogd, en daaraan gekoppeld de uitkeringen, waaronder de AOW. Het minimumloon is niet de meest doelmatige manier om arme werkenden een hoger inkomen te geven, dat zijn lagere belastingen en uitkeerbare heffingskortingen of toeslagen. Ook al is de arbeidsmarkt krap, bij een hoger minimumloon hebben mensen op het minimum minder kans op werk.

De stijging van de AOW-uitkeringen met het minimumloon was, dankzij dom doordrammen van de oppositie, een blunder. Deze maatregel kost structureel 6,3 miljard euro. Miljarden hadden kunnen worden bespaard door inkomenssteun te richten op de minder draagkrachtige ouderen, met een hogere (uitkeerbare) ouderenkorting, in plaats van de uitkering te verhogen voor álle 3,5 miljoen gepensioneerden.

Minister Dijkgraaf van onderwijs schafte het leenstelsel af en voerde de basisbeurs weer in. Hiermee wordt 1 miljard euro structureel per jaar en 1 miljard aan eenmalige compensatie verspild. Het leenstelsel had geen enkel aantoonbaar effect op de toegankelijkheid van het hoger onderwijs. Naar schatting driekwart van het profijt van de basisbeurs komt nu weer terecht bij de kinderen uit de rijkste helft van de bevolking. Dat geld had beter kunnen worden gestoken in beter onderwijs.

Het kabinet was voornemens de kinderopvang gratis te maken, maar stelde dit onverstandige plan met tweejaar uit. De kosten van ruim 2 miljard euro structureel zouden bij lange na niet worden goed gemaakt aangezien tweede verdieners nauwelijks meer gaan werken. Tegelijkertijd zouden de inkomensverschillen tussen één- en tweeverdieners nog groter worden. Het grootste profijt zou bovendien terechtkomen bij de hoogste inkomensgroepen. En de achterstanden voor kinderen uit minder bevoorrechte groepen zouden daardoor toenemen. Maar deze maatregel zal door de val van het kabinet gelukkig niet meer worden genomen.

Stagnatie

Het kabinet heeft tijdens de energiecrisis op Prinsjesdag voor zo’n 17 miljard euro aan inkomenscompensatie geboden, inclusief de energieprijsplafonds. Miljarden werden ook hier verspild omdat iedereen ervan profiteerde, ook de mensen die best wat meer konden betalen. De prikkels om energie te besparen werden voor een belangrijk deel om zeep geholpen. De mazzel voor het kabinet is – zo blijkt achteraf – dat de kosten van het energieplafond meevallen door de gedaalde energieprijzen.

Het beleid van minister De Jonge draagt bij aan de stagnatie op de woningmarkt, ondanks al zijn geroeptoeter dat er de komende tien jaar 900.000 huizen bij komen. De woningbouwproductie valt stil. Dat is niet alleen te wijten aan stijgende rentes, krapte op de arbeidsmarkt en hogere bouwkosten, maar ook aan De Jonges plannen voor het maximaliseren van de huurstijging, de lagere huurplafonds in de vrijehuursector en het hogere rendement voor de tweede woning in box 3. De nieuwbouw loopt bovendien grote vertragingen op door onopgeloste stikstofproblemen.

Er werd gesmeten met geld, in een economie met grote krapte en inflatie, met weinig doordachte of doelmatige plannen, in grote bestuurlijke onrust.

Het kabinet blonk, tot slot, uit in bestuurlijk onvermogen bij de compensatie van de Groningers voor schade door de gaswinning, bij de compensatie van ouders in de toeslagenaffaire, bij de ravage op het stikstofdossier en bij de herziening van box 3 van de belastingen.

Het economisch beleid van Rutte IV was beroerd; er werd gesmeten met geld, in een economie met grote krapte en inflatie, met weinig doordachte of doelmatige plannen, in grote bestuurlijke onrust.

Nieuwe verkiezingen lossen vermoedelijk niets op, want het is volkomen onduidelijk welke partij of coalitie het beter zou kunnen doen dan Rutte IV. Bij de oppositie, van links tot rechts, bestaat geen werkelijke belangstelling voor het verbeteren van het economische beleid. De meeste partijen maken al heel lang geen serieuze economische analyses meer en presenteren evenmin doorwrochte plannen.

De mislukking van het economisch beleid van Rutte IV is daarom een symptoom van een dieper falen van onze democratie. Eén belangrijke oorzaak daarvan is dat alle politieke partijen – coalitie of oppositie – vooral bezig zijn met een permanente strijd om media-aandacht en kiezers. Ruzies, stammenstrijd en polarisatie worden excessief beloond met media-aandacht én met stemmen. Goede plannen die daadwerkelijk worden uitgevoerd krijgen nauwelijks aandacht en kiezers lijkt het geen lor te interesseren. Zolang de politieke beloning voor goede daden in het niet valt bij de politieke beloning voor stemmingmakerij, zal het economisch beleid almaar slechter worden en leiden tot steeds groter wordende economische verspilling. De val van Rutte IV zal daaraan niets gaan veranderen.