Hoe schrijf je een boek waarvan niets beklijft maar dat je toch geamuseerd leest? Door niet onaardige rechte en kronkelige zinnen te schrijven, en wat je met veel aplomb hebt beweerd even later terug te nemen of af te zwakken. Door op water te schrijven. En door het een roman te noemen terwijl het overduidelijk een geheel nieuw genre is: de persoonlijke essayistische satirische vertelling.

In het recent verschenen Satirië noemt schrijver Arie Storm zichzelf August Voois. Om ervoor te zorgen dat je snel doorleest gaat hij maar weer eens tekeer tegen ‘de afbraak van de Nederlandse literatuur’: ‘Wat had je toch veel waardeloze schrijvers in Nederland!’. In talloze variaties heeft hij dit vele jaren uitgedragen in zijn recensies voor een bekende Amsterdamse krant. Het ging altijd het ene oor in het andere oor uit. Kennelijk vond men het bij die krant welletjes. Hij werd langzaam naar de marge geschoven. Zijn wrok hierover is de rode draad van Satirië. Een van zijn herhaalde bezwaren tegen de boeken die hij recenseerde was dat hij zich dood verveelde. Dat soort kritiek van de humeurige soort werkt altijd, zeker wanneer geïllustreerd met een zin waarin de schrijver even niet op zijn best is.

Zoals zo vaak in zijn ‘romans’ voert Storm in Satirië weer de nodige ingewikkelde capriolen uit. Terwijl hij zo pissig is op de krant koketteert hij graag met zijn toon, die altijd iets ironisch heeft. Sterker nog: hij ziet zichzelf als iemand die maar weinig dingen serieus neemt. Dan heb je het als criticus lastig. Hoe serieus is hij wanneer hij zomaar tekeergaat tegen álle boekhandels. Die zouden volstrekt niet solidair zijn met schrijvers, die denken alleen maar aan hun eigen commerciële belang. ‘De schaamteloze commercie was via een achterdeur het boekenvak ingeslopen.’ Ondertussen is hij (om het nog wat ingewikkelder te maken) sterk aan het twijfelen aan zijn eigen schrijverschap. Waarom heeft hij ooit alles op de literatuur gezet? Hij gaat zelfs filosofisch twijfelen aan zijn ‘werkelijkheidsgehalte’.

Dat je niet weet hoe serieus je hem moet nemen wordt pijnlijk wanneer hij het opneemt voor Israël en furieus tekeergaat tegen de Palestijnen. Alle uitingen van de Palestijnen staan stijf van het antisemitisme, wat in Nederland ‘op een warme ontvangst mag rekenen, omdat Nederland nu eenmaal een antisemitisch land is’. Dat twijfelen aan zichzelf kun je beter met een korrel zout nemen. Het houdt hem ook niet tegen om zonder twijfel een aantal bij naam genoemde schrijvers (onder wie Nescio, Tommy Wieringa en Adriaan van Dis) tot ‘afbrakers’ van de Nederlandse literatuur te verklaren. Je vraagt je af wat je hiermee aan moet als hij even later verklaart dat hij helemaal niet geschikt is om schrijver te zijn. Daarvoor moet je belangstelling hebben voor mensen, vindt hij, en die heeft hij niet. Om precies te zijn: hij ‘walgde van mensen’. Al die tegenstrijdigheden zijn best, maar ze wissen elkaar uit of ze zitten elkaar in de weg. Storm schrijft geen zin zonder bedoeling. Hij wil dus iets met die twijfel, maar wat? Niet één keer, maar wel drie keer zegt hij tegen zichzelf dat ‘hij het niet meer weet’.

Misschien heeft hij wel gelijk. Is dit de moed hebben ‘het niet meer te weten’?