Liever luisteren dan lezen? Jonah heeft zijn verhaal ook ingesproken.

1.Taxi

In een taxi van vliegveld Rome Ciampino naar de Sant’Anselmo-universiteit zit ik naast monnik en professor Thomas Quartier. Hij woont in de Sint-Willibrordsabdij te Doetinchem en is verbonden aan de universiteiten van Nijmegen, Leuven en Rome. Momenteel draagt hij geen pij maar een spijkerbroek en een zwarte polo.

Deze week zal hij colleges geven over hoe de christelijke traditie hedentendage gelezen kan worden en hoe je je daarmee kunt verhouden tot maatschappelijke problemen. De hamvraag is: hoe kun je actief of contemplatief betrokken zijn bij de lijdende wereld? Maar vooralsnog zwijgt Thomas en luisteren we naar ‘Blue (Da ba dee)’ van Eiffel 65 die door de taxi schalt.

Een paar jaar geleden leerde ik Thomas kennen op een Bob Dylan-fanclubdag. Hij gaf een lezing en vergeleek de zanger met een monnik: iemand die vragen stelt en geen antwoorden geeft. Ik vroeg of ik hem mocht opzoeken in zijn klooster. De dogmatische, prekerige houding van de atheïsten in mijn omgeving stoorde me al langer. Het was de hoogste tijd om eens in een wereld te verkeren waarin God wél bestaat.

‘Toen ik eens bij een klooster kwam, vroeg een man daar: “Betekent God ook iets in uw leven?” Ik dacht: Wat? Wie?!’

Ik leerde Thomas kennen als een opgewekte, praatgrage, progressieve denker binnen een conservatieve wereld. Hij is midden veertig maar heeft nog de bevlogenheid van een leergierige jongen. Soms vind ik het onvoorstelbaar hoe hij het uithoudt in zijn benedictijnse klooster, waar men leeft volgens een geschrift uit de zesde eeuw: De Regel van Benedictus. De leefregels zijn wel wat gemoderniseerd, maar nog steeds zingen ze zes keer per dag in de kerk, hebben ze weinig tot geen bezittingen en wordt er zo min mogelijk gesproken. Het werk van een monnik bestaat na al die jaren nog altijd uit het zoeken van God.

Lees hier Jonah's eerdere kloosterreportage‘Is hier ook wifi?’ Worstelen met doelloosheid in het klooster22 november 2018

Een uur geleden zaten we nog in het vliegtuig. Met zijn Duitse tongval zei Thomas radicaal, mateloos en agnostisch te zijn, en weinig taboes te kennen. Tegenstrijdigheden zijn hem niet vreemd. Vroeger zong hij voor hossende feesttenten Duitse schlagers met een dansorkest, nu staat hij elke dag voor dag en dauw gregoriaanse liederen te zingen.

Als theoloog ontwikkelde hij zo’n aversie tegen het woord God dat het verdween uit zijn vocabulaire. ‘Als ik geen monnik was geworden, was ik geen theoloog meer geweest. Ik sprak over ieders geloof maar niet over het mijne. Toen ik eens bij een klooster kwam, vroeg een man daar: “Betekent God ook iets in uw leven?” Ik dacht: “Wat? Wie?!” En nog steeds vind ik dat lastig, daar ben ik eerlijk in. Ik ben een gesocialiseerd mens, een kind van de post-verlichting. Mijn zoektocht naar heiligheid moest gecultiveerd worden en dat doe ik in het klooster. Soms is het meest onnatuurlijke om te doen het meest natuurlijke. Dat moet jij herkennen, als kunstenaar? Niet doen wat er van je verwacht wordt om tot iets nieuws te komen.’

We stappen de taxi uit en Thomas zegt dat er deze week genoeg tijd is om de stad in te gaan en ’s avonds een biertje te drinken. ‘Dan kunnen we politiek incorrecte gesprekken voeren.’

‘Niets liever,’ zeg ik.

‘Maar ga jij nog wel even biechten deze week? Er zijn Nederlandse priesters hoor, of is het voor jou verstandiger om naar een Italiaanse te gaan?’

‘Want?’

‘Die verstaan je niet,’ zegt hij lachend.

klooster
De binnenplaats van Sant’Anselmo. Foto: Werry Crone/HH
2. Posters

Universiteit Sant’Anselmo ligt op een heuvel. Het is een prachtige wijk met dure auto’s, goedgeklede mensen en grote villa’s die uitkijken op de stad. Ik waan me in de film La Grande Bellezza.

In Sant’Anselmo staat ook het klooster waar we zullen verblijven. Het gebouw heeft een binnentuin, de hortus conclusus. Overal waar je kijkt zie je monniken, ze lijken de hele wereldbevolking te vertegenwoordigden in pij. Volgens De Regel van Benedictus is de monnik geroepen om: ‘het wereldse gebeuren achter zich te laten.’ Maar de deuren staan hier open. Sommige monniken staan te praten, andere halen een smartphone, pakje sigaretten of zonnebril uit hun gewaad.

Een Amerikaanse gastenbroeder brengt me naar mijn kamer. Onze voetstappen galmen door de lange, lege gangen. Het pand is grotendeels verlaten, op een paar leerlingen van zomerscholen na. Normaal gesproken wonen hier zo’n tweehonderd studenten.

Mijn kamer is klein en bloedheet. Gelukkig is er een ventilator. Boven mijn bed hangt een houten kruisje met daarop een Jezus van glimmend metaal.

Een paar uur geleden stond ik nog op de rommelige kamer van Thomas in zijn klooster in Nederland. Boven zijn bed posters van Bob Dylan, Joan Baez, de Heilige Maagd Maria en de zoon van God. Hij zei: ‘Binnenkort krijg ik een mooie nieuwe poster van Rosanne Cash, de dochter van, met de tekst: “Art is a more trustworthy expression of God than religion.” Meteen werd de toon gezet. God wordt door Thomas tegenwoordig in alles gezocht. Maar waarom zou je het beest ook steeds bij de naam God willen noemen?

3. Monastiek

In de binnentuin tref ik Thomas in zijn pij. Hij geeft me de drukproef van zijn laatste boek Liefdesgeboden. Ik begin te lezen maar hij zegt dat we haast hebben. Voor het avondeten is er een kerkdienst. We zijn te laat en schuiven achterin de kerk aan, tussen de toeristen. Voorin de kerk, achter grote pilaren, staan de monniken. In de kerk is het nog warmer dan buiten. Thomas is rusteloos en lijkt zich nog niet over te kunnen geven aan de hitte en de liturgie. Ik vind de gregoriaanse zang rustgevend.

Na het avondeten treffen we twee Belgen. Het zijn vrienden van Thomas. De een is in burgerkleding, hij is bij een Vlaamse abdij betrokken als secretaris. De ander is een kleine monnik met pretoogjes achter ronde brillenglazen. Thomas stelt voor om wat te gaan drinken vanavond. Voor we de stad in gaan worden alle habijten verruild voor burgerkleding.

‘Als je in bed ligt merk je daar niet zoveel van, maar als je op het toilet zit denk je toch: hier heeft de Dalai Lama gezeten.’

Als we bij het klooster weglopen, vertelt Thomas dat hij de ‘Dalai Lama’-suite heeft, de kamer waar de Dalai Lama logeerde toen hij Sant’Anselmo bezocht. Ik vraag hoe dat voelt. Hij zegt: ‘Als je in bed ligt merk je daar niet zoveel van, maar als je op het toilet zit denk je toch: hier heeft de Dalai Lama gezeten.’

Op het terras zitten jonge Italianen. Er komt een bedelaar aan onze tafel. Hij laat zijn astmapompje zien en vraagt geld voor medicijnen. Als hij wat geld heeft gekregen, vraagt hij om een sigaret. De Belgische monnik zegt: ‘Er was ooit iemand die beweerde dat Petrus een roker was, hij meende dat te kunnen bewijzen door zijn manier van doen in bijbelteksten.’ Lachend steekt de Belg een sigaret op.

Ben je gelukkig?

In het vliegtuig gaf Thomas me het monastieke tijdschrift De Kovel. Ik moest zijn artikel over Het boek der rusteloosheid van Fernando Pessoa eens lezen. Enthousiast begon ik eraan, want dit boek ligt al jaren op mijn nachtkastje. Er uren in lezen is onmogelijk omdat het té vol zit met ideeën. De analyses van Thomas zijn net als Pessoa’s teksten gekmakend, en niet omdat ik ze zo goed vind. Telkens lijkt hij Pessoa erop te willen betrappen ‘een monnik’ te zijn, omdat hij ook buiten de wereld staat. Maar echte overeenkomsten zijn er volgens mij niet, want Pessoa belichaamt ‘de leegte’ en ‘het absurde’, en niks goddelijks.

Ik ga altijd weer terug naar de bron, mijn innerlijk. De moderne mens doet dat niet.

De Belgische monnik blijkt de hoofdredacteur van De Kovel. Ook hij zoekt de monastieke traditie in kunst en mensen die niet religieus leven. Ik vraag wat ‘monastiek’ voor hem betekent: ‘Eén zijn, als een alles omsluitend geheel, waar alle facetten van het leven in zitten. Ik ga altijd weer terug naar de bron, mijn innerlijk, en bekijk het leven vanuit daar. De moderne mens doet dat niet. Die probeert aan de periferie van zijn leven alles onder controle te hebben en meerdere rollen te spelen. Daardoor weet je soms niet met wie je praat, of wat die ander eigenlijk van je wil. Een monnik heeft geen dubbele agenda.’

Ik knik maar ik kan de gedachte niet onderdrukken dat deze monnik een ander leek in zijn habijt dan nu op dit terrasje, in overhemd, al rokend en bierdrinkend.

Er wordt nog een rondje besteld en Thomas vraagt de Belgische monnik: ‘Ben je gelukkig?’

Lachend antwoordt die: ‘Dat doet hij nou altijd, dan belt hij me op en vraagt: “Ben je gelukkig?”’

Een antwoord op die vraag wordt niet gegeven.

4. Studenten

De volgende ochtend verzamelen zich in een lokaaltje zo’n tien studenten rond een beamer en een airco. Thomas vraagt of iedereen zich wil voorstellen aan de hand van hoe hij of zij zich verhoudt tot spiritualiteit.

Een grote man zegt dat hij na de dood van zijn moeder ‘last’ kreeg van existentiële vragen. Een vrouw vertelt dat ze begon te zoeken naar spiritualiteit toen een moslim haar vroeg: ‘Wie is Jezus?’ Een gedrongen roodharige missionaris uit Amerika spreekt als een geboren verkoper: ‘Jezus kent jou, ik wil ervoor zorgen dat jij hem kent. Dat is mijn werk.’ Een andere Amerikaan zegt: ‘Veel mensen noemen zich spiritueel maar ze zijn niet gelovig. Ze zijn net sporters die wel trainen maar nooit een wedstrijd spelen. Ik maak me zorgen over de secularisatie.’ Een volgende student zegt met een zalvende glimlach: ‘Een mens is meer dan een lichaam. Het moderne leven is erg oppervlakkig.’

Is religie de wandelstok voor de kreupele mensheid?

Ik weet niet goed wat ik moet zeggen. Hakkelend begin ik: ‘Ik ben meer geïnteresseerd in de spiritualiteit van anderen, dan die van mezelf…’ Er wordt geknikt. Het volstaat.

De vrouw naast me zegt serveerster, verpleegster, leerkracht, moeder, theologe en student te zijn. ‘Ik ben hier om weg van huis te zijn en mezelf te zoeken.’

Een besnorde man is vrijmetselaar. ‘Ik ben agnost, maar toch maak ik me zorgen over de secularisatie.’ Een monnik uit Kenia is het roerend met hem eens.

Als laatste is er een monnik uit Zwitserland die staccato zegt: ‘Ik hou van liturgie, stabiliteit, ritme en continuïteit.’

In alle verhalen meen ik te horen: het ‘moderne’ leven is complex. Er wordt naar houvast gezocht. Is religie de wandelstok voor de kreupele mensheid?

klooster
De Sant’Anselmo tijdens een dienst. Foto: Werry Crone/HH
5. Contemplatio in actione

Thomas belooft zijn studenten een frisse blik op hedendaagse maatschappelijke problemen aan de hand van De Regel van Benedictus. Maar hij waarschuwt ervoor om het document te letterlijk te nemen. ‘Wie wil er nou terug naar de hiërarchische samenleving van de zesde eeuw? Vergeet de positie van vrouwen en al dat soort dingen dan maar. Alleen als je kritisch bent kom je bij een gezonde uitwisseling tussen traditie en heden. Mijn vraag is vandaag: wat is de relatie tussen actie en contemplatie?’

In de geschiedenis van de christelijke spiritualiteit is het vaak een actief óf een contemplatief leven. Contemplatie wordt gezien als de geestelijke zoektocht naar God. Maar de scheiding tussen actie en contemplatie vindt Thomas te simpel. ‘Ze lopen al door elkaar als nonnen een ziekenhuis of school runnen. Maar als je geen contemplatieve basis hebt, zul je snel droog staan in wat voor geëngageerd werk je ook doet.’

Ik zie op tegen de dag dat ze zestien is en vraagt: “Waar was jij toen die mensen in zee verdronken?”

Voor Thomas is het niet duidelijk wat de bijdrage voor de lijdende wereld is van de mensen met een uitsluitend contemplatief leven. ‘Ik kan jullie zeggen dat ik boos ben op de wereld van vandaag en me schaam over de vluchtelingen die verdrinken in zee. Ik heb respect voor mensen die hen illegaal te hulp schieten.’

Hij vertelt over Hannah, zijn zesjarige petekind. ‘Ik zie op tegen de dag dat ze zestien is en vraagt: “Waar was jij toen die mensen in zee verdronken?” Hetzelfde vroeg ik aan mijn Duitse grootouders over het regime van de nazi’s. Niemand had een antwoord. Daarom probeer ik manieren te vinden om nu een antwoord te construeren. Tegen iemand zei ik eens: “Als ik in de kerk sta te zingen, verbind ik me met het lot van de vluchtelingen.” Diegene zei scherp: “Kom op, dat is niet iets wat je Hannah kunt vertellen, dat je gebeden hebt voor de stervenden.” Hij had gelijk. Het is niet makkelijk om erachter te komen waar jij bent voor de lijdende wereld. Mensen die zeggen dat ze strikt actief óf contemplatief zijn, vind ik verdacht. Mijn hypothese luidt: je hebt beide nodig.’

occupy

Thomas vertelt over een zustercongregatie. Hun werkzame leven bestond uit het zorgen voor de zieken en armen. Maar nu ze ouder zijn kunnen ze niet meer werken. Het klooster waar ze wonen is een bejaardentehuis geworden. Een zuster zei Thomas: ‘Toen wij stopten met de liturgie, met ons dagelijks gebed samen, en onze habijt uitdeden om burgerkleding te gaan dragen, ging onze contemplatie verloren.’

Ze willen niet terug naar de strikte tijden, want ze zijn erg ruimdenkend, volgens Thomas. ‘Maar door al dat werk zijn ze steeds actiever geworden. Ze kregen op hoge leeftijd last van een gevoel van zinloosheid. Ik vroeg ze: “Kunnen jullie niet juist dichter bij de contemplatieve kant komen nu?” Dat kon. Ze hebben het gebed en het gemeenschapsleven herontdekt. En ze hebben nu toch een zeer relevante manier van solidair zijn met de wereld gevonden. Ze bieden onderdak aan mensen met een burn-out of vluchtelingen, omdat vele kamers leegstaan vanwege overleden zusters. In hun contemplatieve leven zijn ze veel meer activistisch betrokken dan de meeste mensen vandaag de dag.’

Thomas vergelijkt het nonnenklooster met de Occupy-beweging. ‘Dat was ook een soort contemplatief activisme. In het centrum van Londen maakten ze een kampement. Mensen vroegen wat hun agenda was. Ze zeiden: “We zijn tegen verlammend kapitalisme.” Dat zijn we toch allemaal? Dus ze hadden niet echt een agenda. Ze bezetten slechts een plek en hielden het open voor verandering. Maar een manco is dat ze geen contemplatieve bron hebben. Veel Occupy-activisten hebben dan ook een burn-out gekregen.’

Het voordeel van het praktiseren van christelijke spiritualiteit is volgens Thomas dat het je een kader biedt, iets waar je op terug kunt vallen. ‘Maar toch, in alle eerlijkheid, dit kader helpt mij tot nu toe nog niet echt op een antwoord voor mijn petekind, Hannah. Ik weet niet wat jullie denken, maar ik vind het beangstigend. Net als de klimaatverandering die niemand kan negeren. Jullie kleinkinderen zullen vragen: “Waar was jij toen het misging?”’

Thomas kondigt aan dat hij hoofdstuk 72 uit De Regel van Benedictus zal voorlezen. ‘Dit hoofdstuk gaat over hoe je betrokken kunt zijn bij de lijdende wereld vanuit het innerlijk. Daarna is er een pauze en mag je hierover nadenken of naar het toilet gaan, of beiden. Contemplatio in actione.’

Er wordt gelachen.

6. Straatschoffie

De studenten staan wat na te praten in de binnentuin. Het gras is onnatuurlijk groen voor dit klimaat; de sproeiers staan dag en nacht aan.

Aan de vrouw die ‘zichzelf zoekt’ in Rome vraag ik hoe zij tegen het actie-en-contemplatie-dilemma aankijkt. Ook zij is voorstander van een combinatie: ‘Ik vind dat ieder mens om de vier jaar even tussen de hoeren of daklozen moet werken. Anders verlies je het contact met de realiteit, dat is voor niemand gezond. Ik ben eigenlijk een straatschoffie en ik kon niet altijd studeren, ik moest eerst mijn kinderen onderhouden. Nu ben ik theoloog maar ik ben blij dat ik niet alleen in de academische wereld leef.’

7. Wereldvlucht

Voor de avondmaaltijd is er een kerkdienst. De voorzanger begint uit het niets te zingen. Zijn gezicht zit vol acne, zijn stem is zo fragiel en hoog alsof hij ieder moment in huilen kan uitbarsten en zijn oren doen een carrière als bokser of straatvechter vermoeden. In een adempauze kijkt hij vlug naar drie blonde meisjes die voorin de kerk zitten. Ze dragen korte rokken en hebben lange benen. Dan zingt hij weer verder.

In de eetzaal schuiven tientallen monniken en studenten aan. Ze zingen hier wel dagelijks over het lijden van Christus maar tijdens het diner wordt er gepraat, gelachen en wijn gedronken. De stilte, die volgens Benedictus bijdraagt aan de zoektocht naar God, is ver te zoeken.

Thomas zegt: ‘Als je hier niet aan een dienst meedoet, zal niemand dat opmerken.’ Het schijnt vaak te gebeuren dat mannen uit Afrika of Oost-Europa zich te buiten gaan aan alles wat er kan hier in het Westen. ‘Ze worden overvallen door de vrijheid,’ zegt hij.

8. Geëngageerd boeddhisme

Ter aanvulling op het actie-en-contemplatie-vraagstuk spreekt Thomas de volgende ochtend over geëngageerd boeddhisme in zijn college. Zenboeddhist Bernie Glassman kon de zen-centra op een gegeven moment niet meer verdragen. Hij begon z’n retraites te geven tussen de daklozen of in Auschwitz. ‘Zijn idee was om de wereld niet te ontvluchten door in een zen-centrum te zitten,’ vertelt Thomas, ‘maar om daar te zijn waar de grootste marginalisaties plaatsvonden.’

Geïnteresseerden betaalden Glassman duizend dollar om een week op straat te leven. Critici vonden dit toneelstukje belachelijk. Maar er doemen volgens Glassman juist in dit model momenten van gemeenschapszin op. ‘Tijdens een kerstavond op zo’n straatretraite ontstond er tussen gelovigen en ongelovigen gemeenschapszin en ruimte voor contemplatie. Glassman noemt dit actie ín contemplatie.’

Onder de participanten in Auschwitz zaten joden van wie hun opa daar was vermoord en Duitsers van wie hun grootvader kampbeul was. ‘Mensen willen vluchten of vechten, niet fysiek maar emotioneel. Dit gevecht is ook een vorm van actie-binnen-de-contemplatie,’ zegt Thomas. Glassman hanteert, vertelt hij, drie stappen om de reflectie die bijdraagt aan het veranderen van de wereld, te bevorderen: niet-weten, getuigenis afleggen en liefdevolle actie.

‘Niet-weten is het niet veroordelen van de ander. Getuigenis afleggen is bedoeld om anderen niet te vertellen hoe de wereld in elkaar zit. Met deze stappen in je achterhoofd is de onvermijdelijk laatste stap: liefdevolle actie.’

‘Humaniteit is altijd hét heilige ideaal als je de lijdende mens of de wereld wilt dienen.’

Thomas leest hoofdstuk 36 van de Regel van Benedictus voor. Over hoe een benedictijn in liefdevolle actie zieken dient te verzorgen. Het idee is: dien iedere zieke alsof hij Christus is. ‘Ziekenzorg kun je interpreteren als een constante terugkeer van Jezus op aarde. De gift van God is dat hij mens is. Je verzorgt niet één persoon, maar het is een universele heilige dimensie die wordt gediend. Jezus is voor mij een theologische expressie van radicale openheid jegens de ander.’

Thomas lijkt het denken van Glassman en Benedictus samen te voegen: Jezus is de ander en die ontvang je radicaal-open. ‘Maar,’ zegt hij met opgeheven vinger. ‘Als het écht op sociale verandering aankomt hebben we een idealistische basis nodig.’ En daar wordt het ingewikkeld in kloosters, op retraites, in de samenleving of de Occupy-beweging, want wat is die boodschap? ‘Het ideaal is zelden helder, zeker niet in een geseculariseerde samenleving. Maar ik zeg: humaniteit is altijd hét heilige ideaal als je de lijdende mens of de wereld wilt dienen. Ik hoop dat deze ideeën jullie inspireren bij het uitvoeren van welk geëngageerd werk dan ook.’

Klooster
De kerk van Sant’Anselmo. Foto: Werry Crone/HH
Niet-bestaande problemen

Het college is voorbij en het ergerde me. Want als je bij humaniteit uitkomt, wat brengt de omweg in naam van Jezus, de gemeenschapszin of geëngageerd boeddhisme dan nog?

Ik liep eens een week stage in een ziekenhuis en geen mens leek daar God nodig te hebben om zijn werk te doen of vol te houden.

Het slot van Thomas college kwam me voor alsof hij een handvat bood voor niet-bestaande problemen. Mijn medestudenten leken daar anders over te denken. Ze knikten vaak en maakten driftig aantekeningen. Waren ze echt zo zoekende naar een manier om het goed te doen voor de ander? Zo ingewikkeld lijkt me dat ook weer niet. Plant je voort of koop een hond. Een baby of dier moet je verzorgen, onderhouden, liefhebben enzovoorts. Daar heb je je realiteit, zingeving, hoop én humaniteit ineen.

Terwijl we opstaan om het lokaaltje te verlaten, zegt een vrouw: ‘Het kan zo verrijkend zijn om een sterfproces mee te maken.’ Mensen stoppen met lopen.

Thomas zegt: ‘Ja, dan opent de wereld zich. God is voor mij niets anders dan zulke ervaringen.’

Als we het collegezaaltje verlaten, regent het. Een student zegt lachend: ‘Kijk! God bestaat, het regent!’

De keurige monnik uit Zwitserland kijkt hem vragend aan. De student herhaalt zijn woorden. De monnik kijkt ongelovig naar de hemel en lacht dan geforceerd. Hij lijkt niet te willen laten merken dat de spot hem ontgaat.

9. Christelijke kitsch

Die middag nemen Thomas en ik een metro de stad uit. De praal vervliegt, de graffiti op de huizen neemt toe. We bezoeken het graf van apostel Paulus. Bij de ingang van de San Paolo fuori le Mura-basiliek staan palmbomen en bewakers met machinegeweren.

Ik vraag of Thomas het erg vindt dat zijn geloof marginaliseert. ‘Helemaal niet, ik hou wel van die outsiderrol. Als het had gefloreerd was ik nooit monnik geworden. Ik ben blij met de verlichting en de secularisatie. Te lang zijn mensen bang gemaakt. Het zijn altijd twee dingen waar je ze mee kunt pakken: de angst voor de dood en begeerte.’

Ik weet dat hij niet bang is voor de dood, toch vraag ik: ‘En het sterven van je petekind Hannah dan?’

‘Bij haar geboorte zei iemand het een beangstigende gedachte te vinden dat ze er ooit niet meer zal zijn. Ik ken dat gevoel niet. Want voor mij zal ze er altijd zijn. Wat uit liefde voorkomt is voor eeuwig. Het is de manifestatie van levenskracht die de grenzen van tijd en ruimte ver overstijgt. Tuurlijk bid ik iedere dag dat zo’n drama niet voorvalt, maar ze zou onmiddellijk opnieuw geboren worden. Levenskracht is eeuwig en kan alleen maar verslappen wanneer we de liefde verwaarlozen.’

We knielen op een bankje voor het graf van Paulus. Meer dan een gat in de grond met wat onafgewerkte stenen is het niet. Thomas zegt dat hij in deze kerk de paus eens zag. ‘Dat deed me meer dan ik had verwacht. Ik was erg zoekende toen, dat heb ik nu minder. Als ik nu de paus of Bob Dylan mocht ontmoeten, zou ik waarschijnlijk voor Dylan kiezen.’

Thomas koopt een olijfhouten schijfje met het woord ‘Pax’ erop. ‘Voor Hannah koop ik nog wel een surprise-ei, is ze veel blijer mee.’

We staan weer op en hij zegt: ‘Ik zal nooit van eerbied door de grond zakken. Ik ben ergens agnostisch ja, maar dat kan alleen omdat ik nog nooit een seconde heb getwijfeld aan de heiligheid die onder alles ligt.’

Ik kijk omhoog. Door de hele kerk zijn alle pauzen geportretteerd die er ooit waren. De huidige paus wordt uitgelicht met een spotje, de rest verkeert in het schemerdonker. Thomas zegt lachend: ‘Hier kun je zien wanneer de wereld vergaat. Even kijken.’

Er zijn nog vier plaatsen voor afbeeldingen van pauzen beschikbaar.

Voor Hannah en haar familie wil hij iets in de souvenirshop kopen. ‘Ik heb een enorme zwak voor christelijke kitsch, een Maria in zo’n glazen sneeuwbol, prachtig!’

De prijzen zijn absurd. Jezus is niet in de uitverkoop. Thomas koopt een olijfhouten schijfje met het woord ‘Pax’ erop. ‘Voor Hannah koop ik nog wel een surprise-ei, is ze veel blijer mee.’

We drinken wat op een terrasje tegenover de kerk. Onder een tafel ligt een grote hond te slapen. Thomas gaat op zijn knieën zitten en aait het dier. Hij zegt: ‘Ik heb een hekel aan verjaardagen, dan ben ik altijd blij als er een hond is, kan ik uren mee spelen.’

Rond het metrostation stikt het van de zwervers. Thomas begint over vluchtelingen. In de metro spreek ik mijn sympathie uit voor Angela Merkels rol in Europa. Hij zegt: ‘Ben je gek, Merkel waait met alle winden mee. Het wordt snel schijnheilig. Elke vluchteling die verdrinkt is er gewoon een te veel. Jouw generatie lijkt veel gematigder en minder radicaal, haast blasé, wij demonstreerden tenminste nog.’

‘Hoe rijm je radicaliteit met het “niet-weten”-principe?’

Aarzelend zegt hij: ‘Dat kan eigenlijk niet,’ dan herpakt hij zichzelf en zegt stellig: ‘Medemenselijkheid is voor mij het fundament van alles. Álles! Daarvoor moet je tot de wortel gaan, dat is de letterlijke betekenis van radicaal.’

Als we van het metrostation naar het klooster lopen vraag ik: ‘Ben je gelukkig, Thomas?’

‘Depressiviteit ken ik eigenlijk niet, nee. Elke ochtend heb ik zin in de dag.’

‘Hoe kun je je dan identificeren met het lijden van Christus?’

‘Dat overkomt je volgens mij vroeg of laat vanzelf. Maar sinds ik monnik ben ben ik gelukkiger dan ooit, dat weet ik wel.’

10. Sushi

Ter afsluiting van de zomerschool wordt er onbeperkt sushi gegeten. Ik zit naast een student die aan exorcisme doet, het uitdrijven van demonen door mensen in naam van Jezus toe te spreken. Verder is het een vriendelijke kerel. Hij werkt in het voormalige Oostblok en vertelt vrolijk over de corruptie aldaar.

Ik maak Thomas nu een paar dagen mee in een sociale context. Het valt me op dat hij in zijn rol als professor, monnik of onder bekenden op zijn plek lijkt, maar zodra hij iets aan een vreemde moet vragen, aan de bediening bijvoorbeeld, laat hij dit altijd liever aan een ander over. Als er een hond was geweest in dit restaurant, was hij daar vermoedelijk mee gaan spelen.

Na het dessert stelt hij voor om de groep zo snel mogelijk te verlaten en nog een grappa te drinken in de stad. Ik vraag of de vlucht van zo’n diner te vergelijken is met zijn drang om weg te gaan uit sociale structuren, het klooster in. Dat beaamt hij.

Ik vertel hem over de man die aan exorcisme doet.

‘Tja, het kan dat je daarin gelooft, maar ik vind dat daar gevaarlijke kanten aan zitten. Dan sta je zover van de moderne wereld af waarin mensen in therapie gaan voor een depressie. Psychoanalisten zijn ook niet allemaal gekken, toch? vraagt hij lachend.

We bestellen een grappa. De volgende ochtend zal ik terugvliegen naar Nederland. Thomas ziet ertegenop alleen achter te blijven. Ik zeg: ‘Dat is toch goed voor je als monnik, om de eenzaamheid te doorleven?’

Plat gezegd gelooft hij wél in een happy-end van de film, het leven, want Gods liefde is voor de eeuwigheid.

‘Nee, dat is niks voor mij, dan voel ik me de eenzaamste mens ter wereld. Ik was ooit op een congres in Amerika. Iedereen ging weg maar ik bleef nog wat langer. Ik kwam mijn hotelkamer bijna niet af. ’s Avonds ging ik naar de bioscoop, iets wat ik anders nooit alleen zou doen. En toen draaiden ze ook nog eens Cast Away met Tom Hanks.’

‘Maar die film loopt toch goed af?’

‘Nou,’ zegt hij lachend. ‘Zijn vrouw heeft een ander en hij stapt in een pick-up en gaat er alleen vandoor.’

Wie echt God zoekt, zoekt de ander

In zijn nieuwe liefdesboek schrijft Thomas: ‘Het open einde van ons verlangen is in onze huidige tijd niet makkelijk te verdragen. We zijn gewend dat levenskwaliteit vooral afhangt van wat we ons kunnen veroorloven, in eigen hand hebben. Maar wie echt naar de ander in zijn leven blijft zoeken, zoekt uiteindelijk God. En wie echt God zoekt, zoekt de ander.”

Tekende zich hier het verschil af tussen Thomas en mij? Plat gezegd gelooft hij wél in een happy-end van de film, het leven, want Gods liefde is voor de eeuwigheid. Terwijl ik geen verlossing verwacht of hoop. Het heft in eigen hand nemen door het elders te zoeken, lijkt mij de enige mogelijkheid.

Maar misschien is het verschil uiteindelijk kleiner dan gedacht. Het artikel dat ik schreef over mijn vorige kloosterbezoek eindigt met de laatste zin van Jospeh Roths roman Vlucht zonder einde: ‘Niemand in de wereld was zo overbodig als hij.’ Die zin lijkt alles te behelzen wat een klooster of zelfs een leven van je vraagt: vormgeven aan de eenzaamheid en onvolmaaktheid, in naam van God of wat dan ook, in een poging om je eigen overbodigheid te accepteren.

Thomas stelt voor om nog één grappa te bestellen om het eind van mijn bezoek wat uit te stellen.

11. Gemeenschapszin

De vragen die gesteld zijn deze week, over hoe je je kunt verhouden tot actie en contemplatie betreffende de lijdende wereld, lijken me terug te voeren op: gemeenschapszin en een gedeeld ideaal helpen je in de strijd van het individu tegen de geseculariseerde maatschappij, concurrentie, maakbaarheid en efficiëntie.

De mens is een kuddedier en een paard dat een andere kant op wil rennen ineen. Hortend en stotend komt de koets die hij trekt vooruit.

De christelijke traditie als redder van de westerse mens zien lijkt mij een vervlogen ideaal. Je zou Thomas heel makkelijk voor een ouderwets denker kunnen verslijten. Maar als je het begrip God weglaat, kom je dicht bij het gedachtegoed van iemand als de populaire psycholoog Dirk de Wachter. Die stelt dat de westerse mens vaak de kenmerken van een patiënt met borderline vertoont. Zie de achterflap van zijn bestseller Borderline times: ‘Hechting, engagement, solidariteit en gemeenschapszin zijn waarden die broodnodig zijn om weerwerk te bieden tegen de huidige borderlinegesteldheid van dreigende verbrokkeling, impulsiviteit en zinloosheid.’

Verlossende gemeenschapszin klinkt mooi maar lijkt me uiteindelijk onmogelijk en verstikkend voor een individu. Die paradox zit ook in het denken van Thomas en Benedictus: ze bewieroken de gemeenschapszin én de eenzame wereldvlucht. De overleden Denker des Vaderlands René Gude zei eens, ik parafraseer: de mens is een kuddedier en een paard dat een andere kant op wil rennen ineen. Hortend en stotend komt de koets die hij trekt vooruit.

Thomas laat zelden een stilte vallen. De mensen om ons heen op het terrasje waar we zitten praten onverstoorbaar door en hij begint aarzelend en zonder enig spoor van ironie: ‘Vind je het niet narcistisch of naïef wat mensen in een klooster doen? Is het geen gekkenwerk om je leven lang rondom een paar boeken te verkeren? Nadenken over de lijdende wereld, met goed eten en wijn en vriendelijke mensen, terwijl de wereld in brand staat…’

‘In zekere zin, maar eigenlijk is dat niet veel anders dan de mensen op dit terras doen, of wanneer je door het volgen van het nieuws weet wat er speelt in de wereld… Ik vond het een even grote teleurstelling als geruststelling dat jij geen hapklare antwoorden gaf in je colleges.’

‘Hoezo?’

‘Anders zou je preken en zieltjes winnen. Eenduidigheid over hoe je de lijdende wereld als mens of monnik moet helpen bestaat niet.’

‘Maar ben je niet een beetje veranderd in je opvatting over het actie-en-contemplatie-dilemma?’

‘Dat durf ik niet te zeggen. Maar waar ik wel van doordrongen ben, is dat de hulpverlener ook altijd zichzelf helpt met zijn daden.’

Thomas knikt en kijkt zwijgend om zich heen.

12. Stilte

Als we het terras hebben verlaten en de heuvel naar het klooster opsloffen, zeg ik: ‘Daar gaan we weer, de gevangenis in. Is het niet wonderlijk wat de mens allemaal bedenkt?’ Thomas lacht wel maar ontkracht noch bevestigt mijn woorden.

De deur naar de binnentuin van het klooster slaat hard achter ons dicht. De stilte die volgt is oorverdovender dan het rumoer van de stad.