Een man in roze pak probeert de honderden aanwezigen te laten zingen. De melodie van ‘All you need is love’ van The Beatles galmt door de paars belichte zaal met discobal. Hij zingt voor: Dezelfde uitdaging centraal / Maar hoe gaan we samen knallen? / Met liefde voor lokaal / All you need is love / Roep het allemaal / All you need is love / Liefde voor lokaal.
Het is de aftrap van ‘HIER Opgewekt’, een jaarlijks evenement voor ‘lokale duurzame energie-initiatieven’. Het wordt vooral bezocht door burgers, het merendeel vijftigplussers, die in hun wijk of dorp aan de slag zijn gegaan met duurzaamheid of energie, maar tussen de aanwezigen zitten ook tal van ZZP-adviseurs, ambtenaren, projectontwikkelaars en lobbyisten van het bedrijfsleven.
Na de dagopening trekken de aanwezigen naar kleinere zaaltjes. Waar de opening nog een en al gemoedelijkheid uitstraalde, zijn de spanningen tussen de aanwezigen in deze zaaltjes voelbaar. In een van de sessies vertellen medewerkers van energiebedrijf Greenchoice, de hoofdsponsor van het evenement, hoe het bedrijf 130 coöperaties ondersteunt met zaken als financiering en ledenwerving. Waarop een man uit de zaal opmerkt: ‘Maar wel in het belang van jullie aandeelhouders!’
Nederland telt zo’n zevenhonderd energiecoöperaties: clubs van burgers die de handen ineenslaan om zonnepanelen op een dak te leggen, huizen te isoleren of zonneparken en windmolens te bouwen. Deze clubs worden vaak aangeprezen als een soort smeermiddel van de energietransitie. In september 2021 beschreef toenmalig staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat Yeşilgöz-Zegerius ze als ‘een belangrijke en professionele partner in de energietransitie en een onmisbare bouwsteen in het maatschappelijke draagvlak’. Burgers verenigd in coöperaties kunnen de weerstand tegen nieuwe windmolens of zonneparken te verminderen, zo is het idee. Maar een kleine club coöperaties wil meer dan fungeren als een bouwsteen in andermans energietransitie. Zij dromen van en bouwen aan een fundamenteel ander energiesysteem – een systeem waarin burgers het voor het zeggen hebben.
mismatch van regie
Op een woensdagavond, in een ‘belevingsboerderij’ aan een onverlichte weg in de Gelderse gemeente Heumen, houdt Pim de Ridder een vurig pleidooi. Hij bouwde eerder windmolens in Canada, Ierland en Kenia, maar landde uiteindelijk in Nijmegen. Hier ontwikkelde hij samen met een Nijmeegse coöperatie in hoog tempo een windpark. Sindsdien werkt hij aan projecten met coöperaties in Gelderland en Noord-Brabant. En vandaag in Heumen. De lokale energiecoöperatie wil een zonnepark gaan bouwen. Vanavond denken de leden na over wat te doen met de stroom. De Ridder wil de aanwezigen ervan overtuigen dat ze de stroom lokaal kunnen gebruiken door een eigen energiebedrijf op te richten.
‘In de energielevering zit een totale mismatch van regie. Winst lekt weg naar bedrijven met hoofdkantoren in Stockholm, Berlijn of Tokyo.’
Er worden bierviltjes uitgedeeld met daarop kleurrijke illustraties van alle schakels van onze stroomvoorziening. De Ridder puzzelt met behulp van de viltjes een beeld van onze huidige stroomvoorziening in elkaar: energiebedrijven met buitenlandse aandeelhouders bezitten elektriciteitscentrales en de energieprijs wordt bepaald door de grillen van de markt. ‘In de energielevering zit een totale mismatch van regie. Winst lekt weg naar bedrijven met hoofdkantoren in Stockholm, Berlijn of Tokyo,’ houdt hij de aanwezigen voor. Met een lokaal energiebedrijf kan dat volgens De Ridder rechtgezet worden.
het gedroomde model
In zijn pleidooi heeft De Ridder het over de gemeentelijke energiebedrijven van vroeger. Lang waren alle gas- en kolencentrales en de kabels in de grond in handen van overheidsbedrijven. Die waren per regio de enige aanbieder en zijn door de jaren heen gefuseerd tot een paar bekende namen, zoals Nuon, Eneco en Essent. De aandeelhouders van deze bedrijven, gemeenten en provincies, verdienden er jaarlijks miljoenen, en in sommige gevallen zelfs miljarden mee.
Aan het begin van dit millennium ging dit model op schop. De Europese Unie besloot dat het afgelopen moest zijn met de dominantie van bedrijven met hun eigen territorium en bijbehorende klanten. In het kader van de ‘liberalisering’ kwam er stapsgewijs ruimte voor concurrentie, zodat stroomgebruikers zelf een aanbieder konden gaan kiezen. De hoop was dat aanbieders allemaal de beste service en de laagste prijs wilden bieden om klanten te trekken. Waar de eindgebruiker van zou profiteren.
Het is moeilijk om te bepalen of die eindgebruiker er ook echt beter van is geworden, maar het staat buiten kijf dat de gemeenten en provincies er schathemeltje rijk van werden. Dankzij de liberalisering mochten zij hun aandelen in de energiebedrijven gaan verkopen aan de hoogste bieder. Zo werd Essent in 2009 aan het Duitse RWE verkocht voor 9,3 miljard euro; Nuon in 2009 aan het Zweedse Vattenfall voor 10 miljard en Eneco in 2019 aan de Japanse bedrijven Mitsubishi en Chubu voor 4,1 miljard.
Terug in de belevingsboerderij in Heumen verlegt De Ridder de bierviltjes om het gedroomde model in elkaar te zetten: lokale stroomproductie door coöperaties en levering door een lokaal energiebedrijf. Nergens meer bedrijven met hoofdkantoren in Berlijn, Stockholm of Tokyo. Geen weglekkende winsten.
knagen aan de fundamenten
Maar waar de liberalisering multinationals de kans gaf om de Nederlandse energiebedrijven op te kopen, bracht deze ook kansen voor burgers, merkt Anne Marieke Schwencke op. Als zelfstandig onderzoekster volgt Schwencke de coöperatieve sector al ruim tien jaar. ‘De liberalisering maakte het voor iedereen mogelijk om actief te worden. De markt was niet langer dichtgetimmerd, waardoor ineens heel veel mogelijkheden ontstonden. In dit gat zijn de coöperaties gesprongen,’ legt ze uit.
In 2012 zag Schwencke een golf van burgerinitiatieven in Nederland, ‘maar niemand wist precies hoeveel dat er waren en wat de impact hiervan was.’ Op eigen houtje is ze energiecoöperaties gaan tellen. Ze trof zo’n vijftien windcoöperaties aan en telde nog eens honderd zon-initiatieven en veertig clubs die activiteiten combineerden. In het essay dat ze hierover schreef, heeft ze het over een beweging ‘die zich snel naar oppervlakte aan het dringen is’. Maar, zo voegde ze toe, ‘het zet nog weinig “harde” zoden aan de dijk in termen van fysieke verduurzaming van de energievoorziening.’
Toch zag ze de beweging als een potentiële ‘verandermacht’: ‘Er wordt hinderlijk geknaagd aan de fundamenten van de gevestigde marktpartijen in de energiesector.’
‘Het werd tijd om te gaan verduurzamen en dat kon met wind of zon. Technieken van een schaal die het mogelijk maken om het collectief te doen. Een kerncentrale ga je niet met je buren bouwen.’
Rond diezelfde tijd begon de noodzaak om onze energievoorziening te verduurzamen steeds verder door te dringen. In 2013 maakten veertig bedrijven, overheden en milieuclubs in het Energieakkoord afspraken over verduurzaming. Hierin werd afgesproken dat in 2020 14 procent van alle energie hernieuwbaar moest zijn, dus opgewekt moest worden met windmolens, zonnepanelen of biomassa. In 2013 stond de teller op 4,5 procent.
De combinatie van een opengebroken energiemarkt en een versnellende verduurzaming creëerde kansen. Schwencke: ‘Het werd tijd om te gaan verduurzamen en dat kon met wind of zon. Technieken van een schaal die het mogelijk maken om het collectief te doen. Een kerncentrale ga je niet met je buren bouwen.’
Door heel Nederland moesten windmolens verrijzen en zonnepanelen worden gelegd, en dankzij de liberalisering stond het iedereen vrij om dit te gaan doen. Althans, mits je genoeg verstand had van grondoptiecontracten, netcongestie, financieringsmodellen, vergunningstrajecten, subsidieaanvragen, beleidskaders, lobby, lokale politiek, bezwaarprocedures en nog veel meer.
deal met de burgers
In 2012 ging Gerlach Velthoven om de tafel met een aantal medebewoners uit Geldermalsen en omgeving: ‘We zien dat het klimaat vernield wordt, wat kunnen wij daar nou aan doen?’ In het kantoor van de Betuwse coöperatie Betuwewind, waar hij tegenwoordig directeur is, vertelt hij hoe ze er als burgers in slaagden om mee te bouwen aan twee windparken.
In dezelfde periode dat Velthoven met zijn buren om de tafel ging, had de gemeente een aantal plekken aangewezen waar nieuwe windmolens gebouwd mochten worden. In de jaren hiervoor hadden vooruitdenkende bedrijven al grondcontracten afgesloten met lokale boeren, wat betekende dat zij als enige plannen konden indienen voor de windmolens. ‘Maar,’ zo legt Velthoven uit, ‘de gemeente hield vol: zonder burgers gaan we niks doen. Dit was vastgelegd in een dun beleidskadertje, maar het was best vooruitstrevend van de gemeente.’ De betrokken wethouders stonden erop dat bewoners de kans kregen om mede-eigenaar te worden, anders zou er geen vergunning worden verleend. ‘En toen hebben wij onze vinger opgestoken. We waren net opgericht en hadden er totaal niet over nagedacht. We wisten ook niks van windenergie.’
Burgers en bedrijven moesten met elkaar in gesprek. Na een jaar sloot Velthoven bij de gesprekken aan. ‘Er werd veel over idealen gesproken en er werd van de commerciële partijen verwacht dat ook zij idealistisch zouden zijn. Toen ik dat aanhoorde, dacht ik: dit gaat niet werken. Wij zijn idealistisch, zij niet.’
Velthoven had een zakelijkere instelling. ‘Toen ik zei dat we er best voor wilden betalen, veranderde de sfeer. Toen ging het ineens over geld, dat snappen die ontwikkelaars wel.’
Vervolgens moest er onderhandeld worden over de details. Jan Jacob van Dijk, toenmalig gedeputeerde van de provincie Gelderland, herinnert zich nog dat ze langskwamen op het provinciehuis in Arnhem. ‘Het was een vreselijke warme dag in de zomer van 2015, in een ruimte zonder airconditioning.’ De coöperatie en de bedrijven moesten afspraken maken over wat te doen als één van hen zijn aandeel zou willen verkopen. ‘Ik was er even bij om een broodje te eten en heb toen gezegd: jullie zijn al een heel eind op weg, ik wil dat jullie eruit komen en anders moet ik het een en ander gaan doen. En dat vindt niemand leuk.’ Velthoven: ‘Dat was een hele mooi show, maar die dag zijn wel er wel uitgekomen. Dus dan heb je twee wethouders en een gedeputeerde mee die tegen de bedrijven zeggen: ik werk niet met jullie samen als jullie geen deal hebben met de burgers.’
‘We kunnen alles’
Parallel aan deze onderhandelingen ging Velthoven veel praten met de omgeving. ‘Er waren heus wel mensen tegen, maar het werd nooit echt grimmig. Ik was gewoon echt nieuwsgierig naar waarom mensen tegen waren. Mensen hadden zorgen over slapeloosheid, slagschaduw, uitzicht. Maar ook een onrechtvaardigheidsgevoel over vergunningen, die ze zelf voor van alles en nog wat vaak niet kunnen krijgen.’
‘Wij moesten tekenen voor een factuur die we weliswaar niet hoefden te betalen, maar die wel in de orde van anderhalf tot twee miljoen lag. Als vrijwillige burgers moesten we toch even slikken.’
Uiteindelijk lukten het Betuwewind en de commerciële partijen om vergunningen te krijgen voor twee windparken. In de ene kreeg Betuwewind een aandeel van dertig procent, in de andere vijfentwintig procent. Ze hoefden niet direct te betalen voor hun aandeel, pas op het moment dat de molens gebouwd zouden gaan worden. ‘Dat was voor ons een grote stap. Wij moesten tekenen voor een factuur die we weliswaar niet hoefden te betalen, maar die wel in de orde van anderhalf tot twee miljoen lag. Het was veel geld en wij als vrijwillige burgers moesten toch even slikken. Maar achteraf hebben we dat makkelijk terugverdiend,’ legt Velthoven uit. ‘De windmolens draaien nu drie jaar, en die maken veel winst.’ Zeker met de hoge energieprijzen van afgelopen winter klotste het geld tegen de plinten. De leden van de coöperatie hebben samen afgesproken om zichzelf niet meer dan tien procent rendement uit te betalen; de rest van het geld gaat naar nieuwe projecten. Zo hebben ze een voedselbos aangeplant en zijn ze bezig een laadplein te bouwen voor elektrisch bouwmaterieel en vrachtwagens. Velthoven: ‘Eigenlijk zeg ik nu: we kunnen alles.’
de noodzaak van lokaal eigendom
Ondertussen is het aantal energiecoöperaties in Nederland flink gestegen. Sinds haar eerste onderzoek in 2012 brengt Schwencke in de zogeheten ‘Lokale Energie Monitor’ ieder jaar uitgebreid in kaart hoe het ervoor staat: in 2016 telde ze 239 initiatieven, in 2019 584 en in 2022 705. De meeste hiervan, 482, zijn bezig met zonneprojecten, waarvan het grootste deel zonnepanelen op daken. Zo’n 87 werken aan een windproject en nog eens 78 aan een warmteproject. In 86 procent van de gemeenten is een coöperatie actief. Samen hebben ze ongeveer 120.000 leden. Hiermee tellen de coöperaties inmiddels meer leden dan de coalitiepartijen bij elkaar: CDA, ChristenUnie, D66 en VVD hebben samen zo’n 111.000 leden.
Met de groei van het aantal coöperaties is ook hun samenwerking toegenomen. Onder het mom van ‘geen project verloren laten gaan door gebrek aan kennis en kapitaal’ zorgen ze ervoor dat ze niet allemaal opnieuw het wiel hoeven uit te vinden. Lange tijd waren er verschillende koepelverenigingen die naast elkaar dergelijke samenwerking organiseerden, maar in de aanloop naar de onderhandelingen voor het Klimaatakkoord, de ambitieuzere opvolger van het Energieakkoord uit 2013, fuseerden ze samen tot één koepel: Energie Samen.
‘Ik zat daar in m’n eentje,’ herinnert Siward Zomer zich. In het voorjaar van 2018 schoof hij namens de coöperaties aan bij de onderhandelingen over het Klimaatakkoord, tussen het grote bedrijfsleven, milieuclubs en overheden. ‘Er waren wel wat coöperaties die meedachten, maar het ging allemaal zo razendsnel. De stukken die ik stuurde waren alweer aangepast voordat we ze bespraken,’ vertelt hij. ‘We hadden vooraf heel duidelijk bepaald: als ik wegloop van die tafel, wat willen we er dan in hebben staan? Dat was de doelstelling van vijftig procent lokaal eigendom.’ In het akkoord moest komen te staan dat de helft van ieder wind- of zonnepark in handen moesten komen van een lokale partij.
Zomer had het tij mee: ‘Wind-op-land zat in zak en as. Projecten zaten vast of kregen veel weerstand.’ Deze weerstand liep tijdens de onderhandelingen alleen maar verder op, vooral in Groningen en Drenthe. In september 2018 nam de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) het thema zelfs op in het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland. De NCTV sprak over ‘extremistisch verzet’ tegen windmolens, waarbij ‘bedreiging, intimidatie en vernieling’ werden toegepast. Ook waren er in de jaren daarvoor regelmatig verhalen in de media verschenen over flinke weerstand tegen de bouw van zonneparken.
Tegelijkertijd had Zomer succesverhalen vanuit de coöperatieve sector waar windmolens gebouwd werden zonder dat het uit de hand liep. Uiteindelijk lukte het om het ministerie van Economische Zaken en de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten te overtuigen van de noodzaak van lokaal eigendom: ‘En als je die twee mee hebt dan gaat de rest ook wel een keer mee.’
Uiteindelijk kwam de vijftig procent lokaal eigendom in het akkoord terecht dat in de zomer van 2019 werd gepresenteerd. Zij het in iets afgezwakte vorm: niet als harde doelstelling, maar als een ‘streven’. Vanwege juridisch redenen kon de vijftig procent niet in beton worden gegoten. ‘Maar dit wist ik van tevoren,’ legt Zomer uit. ‘Het maakte eigenlijk niet uit wat voor woordje daar kwam te staan, want dit zou sowieso een proces worden van lokale beleidskaders.’
Zoals Velthoven met Betuwewind een voet tussen de deur kreeg bij de windmolens in de Betuwe, met wethouders die alleen een vergunning verleenden wanneer een lokale partij mee zou doen, zo moeten coöperaties in heel Nederland zichzelf binnen weten te worstelen. De hoop is dat de vijftig procent doorsijpelt naar al het gemeentelijke en provinciale beleid in Nederland.
andere wensen
Voorlopig is de vijftig procent echter nog niet in beeld ziet Schwencke, die jaarlijks voor Economische Zaken in kaart brengt hoe het staat met het lokaal eigendom. Het aantal wind- en zonneparken met lokale eigenaren groeide sinds 2019, maar het aantal parken zonder lokale eigenaren groeide minstens zo hard. Het lokaal aandeel in de windsector is zelfs gedaald, dankzij de oplevering van grote windparken die voor 2019 in gang waren gezet. ‘Waar vóór 2020 nog sprake was van 53,4 procent lokaal eigendom van de productie is dit aandeel in 2021 gedaald tot 32,2 procent,’ schreef ze in het meest recente rapport hierover. Het lokaal aandeel in de zonnestroom is sinds 2019 zo goed als gelijk gebleven, met ongeveer 22,9 procent. ‘Maar,’ voegt Schwencke toe, ‘dit zijn niet alleen coöperaties. Ook lokale ondernemers, grondeigenaren en lokale overheden tellen als lokale eigenaren.’ Het aandeel dat toegerekend kan worden aan coöperaties is dus nog een stuk lager: 12,4 procent van de opgewekte windstroom en 4,1 procent van de zonnestroom.
Energie Samen wil het voor elkaar krijgen dat coöperaties ook eigenaar kunnen worden van windmolens op zee. Daarnaast wil het mogelijk maken dat coöperaties direct stroom kunnen leveren aan hun leden.
Sowieso verwacht ze voorlopig nog niet veel verandering: het duurt ongeveer vier jaar voordat een zonnepark is afgerond en acht jaar voor een windpark. Dit jaar zou dus op z’n vroegst iets te zien moeten zijn in de cijfers over lokaal eigendom bij zonneparken. Toch noemt Schwencke de vijftig procent in het Klimaatakkoord een ‘gamechanger’: ‘Het heeft veel impact gehad op het ontsluiten van financiering.’ Want Energie Samen heeft zich niet alleen op het Klimaatakkoord gestort, maar een volledige lobbystrategie uitgewerkt en uitgevoerd. Zo wist de koepel het afgelopen jaar een speciale subsidie voor coöperaties flink op te krikken. Het door minister Jetten aangekondigde bedrag was te laag volgens de lobbyclub. De leden werden opgeroepen om het Planbureau voor de Leefomgeving, dat de minister adviseert over de hoogte van de subsidie, te bestoken met hun negatieve business cases bij het voorgestelde subsidiebedrag.
Met succes: Jetten verhoogde het bedrag voor 2023 van 37 miljoen euro naar 150 miljoen. Daarnaast heeft Energie Samen een aantal banken bij elkaar gebracht om een fonds van 110 miljoen euro op te richten voor coöperatieve zonprojecten. En met het ministerie van Economische Zaken en een aantal provincies en gemeenten hebben ze een fonds van 8,5 miljoen euro opgetuigd voor de ontwikkeling van coöperaties.
Naast het regelen van geld, heeft Energie Samen ook andere wensen. Zo wil het voor elkaar krijgen dat coöperaties ook eigenaar kunnen worden van windmolens op zee. Daarnaast wil het mogelijk maken dat coöperaties direct stroom kunnen leveren aan hun leden. Vanwege de regels op de energiemarkt is dat nu nog niet mogelijk en moet de stroom in de eerste plaats op de markt worden verkocht. Door veranderingen in de wetgeving moet dat wel mogelijk worden, waarna coöperaties zelf kunnen bepalen tegen welke prijs ze de stroom aan hun leden verkopen.
Het klinkt mooi
En het einddoel? Zomer: ‘Dat je sterke coöperaties hebt die lokaal weer andere, zwakkere coöperaties kunnen helpen en elkaar kunnen versterken. Dan zet je een basis neer die voor de komende zeshonderd jaar stabiel is. Ik maak vaak de vergelijking met de waterschappen. Die zijn niet anders begonnen dan als een groep vrijwilligers die een dijk bouwde of een meer gingen leegpompen, gezamenlijk. De waterschappen doen niet veel anders dan wat wij gaan doen met energie. Zij beheren watersystemen, en wij beheren straks energiesystemen.’
Vooralsnog staan er tal van obstakels in de weg van zeshonderdjarige stabiliteit, blijkt uit een recente inventarisatie. Zo krijgen ook coöperaties te maken met netcongestie, waardoor ze lang moeten wachten voordat ze hun installaties kunnen aansluiten op het elektriciteitsnet. Daarnaast is het vinden van genoeg vrijwilligers ook een probleem, is te lezen in het rapport dat hierover verscheen: ‘Vrijwilligers zijn over het algemeen schaars, competente vrijwilligers die projecten kunnen en willen uitvoeren des te meer.’ Bovendien hebben coöperaties te kampen met ‘vrijwilligersmoeheid’: ‘Goede vrijwilligers haken af omdat processen rondom projecten langzaam verlopen of opnieuw moeten.’
De gevestigde belangen in de energiesector lijken zich dan ook weinig bedreigd te voelen. Energie-Nederland, de lobbyclub van Nederlandse stroomproducenten, heeft in het verleden een enkele keer wat gemopperd over de eisen voor lokaal eigendom. Toen de vijftig procent in sommige regio’s gehanteerd werd als minimumeis in plaats van als streven, merkte het op dat het ‘niet altijd het geval [is] dat voldoende bewoners of lokale bedrijven mee willen of kunnen investeren.’ En eerlijk is eerlijk, niet elke stad en elk dorp kent een sterke en ambitieuze coöperatie, benadrukt ook Velthoven: ‘Het klinkt heel mooi, zevenhonderd coöperaties in de monitor. Maar er zijn er maar twintig die echt op een voortvarende manier bezig zijn. Al die middelgrote en kleintjes zijn nuttig, maar je kan nog niet zeggen dat ze al een volwaardig alternatief zijn voor de gangbare energiewereld.’
Ook Zomer erkent dit: ‘Bij de grote leveranciers staan we nog niet echt op de radar. Zo groot zijn we nog niet.’ Maar dat deert hem niet. ‘Dit gaat dingen veranderen, daar heb ik altijd in geloofd. Vanaf dag één. En straks,’ voegt hij eraan toe, ‘als we tegen kostprijs kunnen gaan leveren, dan hebben die bedrijven zich daar wel mee te verhouden.’
Mede mogelijk gemaakt door het Steunfonds Freelance Journalisten.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.