We hebben dit verhaal ook ingesproken.
Regelmatig krijg ik de vraag of ik niet woedend ben. Ik spreek en schrijf namelijk over wat moeilijke thema’s: armoede, bestaansonzekerheid en hoe de overheid er de laatste jaren niet in geslaagd is om kwetsbare groepen te beschermen. Sterker nog, niet zelden is het diezelfde overheid die kwetsbaar maakt. Want al ben je zelfredzaam tot op het bot, als de overheid achter je aan komt – zoals bij het toeslagenschandaal – ben je de klos.
Het feit dat ik me kan uitspreken en frustraties van me af kan schrijven, kanaliseert gelukkig het een en ander. Al doet de vraag me telkens weer nadenken. Wat we vandaag waarnemen, komt namelijk niet uit de lucht vallen. Woningtekort, geen juffen voor de klas, de zorg die kraakt en piept, ontoereikende inkomens en een bijstandswet die mensen in de knel houdt: het is veelal het gevolg van de beleidskeuzes van gisteren.
Het decennialang gehanteerde beeld van profiteurs die hun handje ophouden en liever lui dan moe zijn, reduceerde bestaansonzekerheid tot een fenomeen dat zich in de schaduw van een hartstikke gaaf landje afspeelde.
Dat veel burgers zich al jaren in een hooploze situatie bevinden en op zowat alle domeinen van het bestaan in onzekerheid verkeren, zou niets nieuws onder de zon mogen zijn. Voor velen bleek de mythe echter hardnekkiger dan de realiteit. Het decennialang gehanteerde beeld van profiteurs die hun handje ophouden en liever lui dan moe zijn, reduceerde bestaansonzekerheid tot een fenomeen dat zich in de schaduw van een hartstikke gaaf landje afspeelde. Een randgebeuren.
Het maakte dat talloze overheidsrapporten van organen als de Nationale ombudsman, de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving, het NIBUD en het Sociaal en Cultureel Planbureau niet altijd de opvolging kregen die ze naar mijn mening verdienden. Voor het doorbreken van de ‘eigen schuld dikke bult-moraal’ en het blootleggen van structuren die mensen kwetsbaar maken, is blijkbaar meer nodig dan gedegen onderzoek en vaststaande feiten. Of zoals de Ombudsman een keertje verzuchtte: waar blijft de overheid die rapporten leest?
Gericht op het individu
Nu is alles soort van anders. Behulpzaam daarbij is dat middengroepen geconfronteerd worden met zogenaamde crises: de woningcrises, de gezondheidszorgcrisis, de onderwijscrisis en de huidige ‘bestaanszekerheidscrisis’. Want ook de eigen dochter kan geen starterswoning meer vinden, de eigen zorgpremie gaat fors omhoog, de eigen zoon is op vrijdag thuis omdat er geen juf voor de klas staat en die winter is naast guur nu ook voor hen duur. Het gebruik van het woord crisis heeft dan zo zijn voordelen. Ten eerste kunnen we doen alsof het ons allemaal overvalt. Ten tweede wordt er een opportuniteit geschapen om op te schalen. Want een crisis vinden we zo eng.
Het lijkt erop dat de focus komt te liggen op de bestaanszekeren die we voor bestaansonzekerheid willen behoeden.
Gevolg zijn dan miljardencompensaties en overhaast in elkaar gestoken plannen om ook de groepen die voorheen niet tot crisisgroepen behoorden – lees: de middengroepen – tegemoet te komen. Ontegensprekelijk van groot belang, begrijp me niet verkeerd. Al lijkt het er zo op dat de focus komt te liggen op de bestaanszekeren die we voor bestaansonzekerheid willen behoeden. De focus op ons dus, niet per se op degenen die al jaren in de schaduw liggen te verkommeren.
Al is er aan armoedebestrijdingsmiddelen en daaraan gekoppeld geld al langer geen gebrek. Hoewel de rapporten van eerdergenoemde instituties veelal structuren aankaartten die bestaansonzekerheid faciliteren, bleven de interventies hoofdzakelijk gericht op het individu. En dan schieten ze logischerwijs regelmatig hun doel voorbij. Je kan bijvoorbeeld een budgetcoach op pad sturen met een app om mensen geld te leren beheren dat ze niet hebben, de bijstandsklem wordt er niet minder pijnlijk van en de schimmels in de slaapkamer verdwijnen er ook niet door. De schuldenindustrie stond er als lachende derde bij en zag dat het goed was.
Georganiseerde goede bedoelingen
Daarnaast floreerde het maatschappelijk middenveld. Georganiseerde goede bedoelingen die pijnlijk genoeg hoognodig zijn. Hun brood is het opvegen van de sociale brokstukken van een zich terugtrekkende overheid, dusdanig dat veel stichtingen uitgroeiden tot de lange arm van het overheidsbeleid. Met een beetje fantasie zou je het de van overheidswege aangestuurde armoede-industrie kunnen noemen. Kan niet anders dan dat zij al jaren hun aantal ‘klanten’ zien aanzwellen en zo vooraan stonden bij het aanschouwen van de schaduw van groeiende bestaansonzekerheid.
Opvallend genoeg komt de vraag die ik krijg naar mijn woede niet zelden vanuit dat maatschappelijke middenveld. Terwijl je zou denken: als die jarenlang de bestaansonzekerheid voor hun ogen zien toenemen, moet woede ook bij hen haast een onvermijdelijk gevolg zijn. Toch bleef het opmerkelijk stil. Geen vol Malieveld, geen blokkades aan de poorten van overheidsgebouwen en geen mars tegen bestaansonzekerheid.
Ik wil daarmee niets afdoen aan de goede bedoelingen, het harde werk en de tomeloze inzet waar het maatschappelijke middenveld in grossiert. En uiteraard zijn er stichtingen of andersoortige maatschappelijke initiatieven die het aandurven om in de hand te bijten die hen voedt. Maar als een significante groep van de bevolking zich al jarenlang in de schaduw van bestaansonzekerheid bevindt en zienderogen toeneemt, was dwingende actie vanuit het maatschappelijk middenveld op zijn plaats geweest. Het obligate brandbriefje is dan onvoldoende.
Oog voor structuren
In het dit jaar verschenen essay Wie wordt gehoord? Dynamiek in het landschap van macht en tegenmacht, verkent de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur (NSOB) de verhoudingen tussen macht en tegenmacht in Nederland. De NSOB stelt daarin dat de trias politica wordt omringd door enerzijds institutionele en geïnstitutionaliseerde tegenmachten (zoals bijvoorbeeld de Nationale ombudsman). Anderzijds door diverse maatschappelijke tegenmachten zoals bedrijven, stichtingen en (onderzoeks)journalisten.
Toch, zo concludeert de NSOB, zijn veel belangen niet of onvoldoende vertegenwoordigd. Die van kwetsbare groepen als daklozen en hooplozen voorop. Zij bevinden zich in de schaduw van de Nederlandse macht en tegenmacht, en in evidente bestaansonzekerheid. Terwijl, ‘en dat is de tragiek van deze constatering, het gros van het beleid juist grote negatieve gevolgen voor hooplozen heeft.’
En zo zijn we op het punt beland dat we het toch weer eens over onszelf, de hoopvollen of bestaanszekeren zo je wilt, moeten hebben.
Blijkbaar is het nodig dat ook middengroepen in het gedrang komen, en dus hoop zien verdampen, alvorens de tegenmacht op stoom komt.
Blijkbaar is het nodig dat ook middengroepen in het gedrang komen, en dus hoop zien verdampen, alvorens de tegenmacht op stoom komt. Dat begint bij het benoemen van een crisis en heeft als cynisch gevolg dat we verzanden in een redden-wat-er-te -redden-valt-reflex, zoals te merken is aan het gedraai. We hebben het niet over de verstikkende bestaansonzekerheid die de hooplozen al jaren de zuurstof, adem en stem ontneemt. Nee, bestaanszekerheid is hotter dan hot.
Dat voorkomen beter is dan genezen, staat als een paal boven water. Dat gold evengoed voor de hooplozen, maar helaas. Voor hen is onze eigen-schuld-dikke-bult-moraal vooral een zure en dure moraal geweest.
Nu we beter weten en eindelijk oog hebben voor structuren, kunnen we onszelf schuldbewust afvragen waar al die jaren die mars tegen bestaansonzekerheid bleef. En of we niet van georganiseerde goede bedoelingen naar georganiseerde constructieve woede moeten opschuiven. Want ook hooplozen verdienen een tegenmacht. Die zal vrees ik niet vanuit de huidige armoede-industrie komen.
Tim ’S Jongers is directeur van de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau voor de sociaaldemocratie. Hij schreef dit stuk op persoonlijke titel.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.