De dichte voordeur van Astrid Oosenbrugs huis in een onopvallende gezinswijk in Berkel en Rodenrijs geeft direct prijs dat er geen grijze muis achter woont. De nee-ja-sticker gaat niet over huis-aan-huisfolders maar over abortus (JA voor de vrije keuze, NEE tegen anti-abortusreclame). Op de deurpost zit een metalen heksje op een bezem geplakt (cadeautje van een vriendin). Aan de gevel hangt een regenboogvlag. Als je aanbelt, krijg je ‘Smells like teen spirit’ van Nirvana over je uitgestort.
Halverwege de drumintro doet Oosenbrug open. Ook goedemorgen, grinnikt het voormalig PvdA-Kamerlid, tegenwoordig als IT- en cybersecurityexpert onder meer betrokken bij Initiatieven Collectieve Acties Massaschade (ICAM), de mede door haar opgerichte stichting die het ministerie van VWS namens een groep gedupeerden ter verantwoording roept voor het grootste datalek in de Nederlandse geschiedenis, onthuld door RTL Nieuws: privacygevoelige informatie van miljoenen Nederlanders uit de coronasystemen van de GGD werd verhandeld door medewerkers van een callcenter dat was ingehuurd voor bron- en contactonderzoek.
Oosenbrug draagt een lange jurk met pantermotief, haar haar is deels frambozenrood geverfd en haar blik is vriendelijk-onderzoekend. Ze praat met een Rotterdams accent, wat een ontwapenende uitwerking heeft. Terwijl ze bezig is met de koffie krijgt ze een telefoontje van een redacteur van radioprogramma Met het oog op morgen. Hij wil haar mogelijk in de uitzending om te vertellen over het Dutch Institute for Vulnerability Disclosure (DIVD), de vrijwilligersorganisatie die ze in 2019 opzette met internetsocioloog en schrijver Chris van ’t Hof en Victor Gevers, de hacker die ontdekte dat de beveiliging van Donald Trumps Twitter-account een lachertje was, en hem dit netjes liet weten.
Oosenbrug legt de redacteur in sneltreinvaart uit dat DIVD een ‘bountyplatform’ aan het opbouwen is dat fungeert als een soort vondelingenluikje waar hackers met goede bedoelingen anoniem waarschuwingen kunnen neerleggen voor organisaties met kwetsbaarheden in hun ict-systeem.
Halverwege een uitvoerige vervolgvraag van de redacteur onderbreekt ze hem. ‘Handige jongens én meisjes, hè. Handige mensen, noem ik ze altijd. Kijk uit, want je hebt een vrouw aan de lijn.’
Dan lacht ze. ‘Ah nee joh, maakt niet uit.’ Even later volgt weer een vriendelijke correctie: de wijdverspreide term ‘ethisch hacken’ bestaat voor hen niet. Bij de jonge hackers die Oosenbrug en haar vrijwilligers (sommigen noemen zichzelf grumpy old hackers) opleiden in de ‘DIVD Academy’ hameren ze er constant op dat hacken een vak is waarin per definitie morele regels gelden. ‘Zodra je je skills misbruikt, ben je een crimineel. Zo simpel is het. Vergelijk het met winkeldiefstal. Als je steelt tijdens het winkelen, ben je een dief, punt. Betaal je voor de spullen die je wilt hebben, dan ben je gewoon iemand die winkelt, niet iemand die ethisch winkelt. Wat kan wel en wat kan niet: dat is het belangrijkste doel van onze academy. Over de technologie kan ik die tech-savvy jongeren weinig leren, zij zijn wat dat betreft zeker zo slim als ik. Mijn taak is meer ze te motiveren op een integere manier systemen aan te vallen om gaten bloot te leggen. Ik ben best stichtelijk.’
Computervredebreuk
In haar tijd als parlementariër (2012-2017) maakte Oosenbrug zich al hard voor responsible disclosure-beleid, vertelt ze, nadat ze de redacteur met enige moeite heeft afgeschud met de belofte dat ze het verhaal graag komt vertellen in Het Oog. ‘Onze vrijwilligers zoeken ongevraagd naar zwakheden in systemen, vaak wel pas na een melding over een bepaalde kwetsbaarheid. Dat valt eigenlijk onder computervredebreuk, maar het mag omdat we onderzoek doen zonder te weten welke organisaties achter de systemen zitten.’
Ik begrijp het niet. Wilt u het uitleggen alsof ik zeven ben?
‘We scannen op portals waarvan we weten dat ze ergens een lek hebben. Bepaalde systemen poppen dan op. In theorie kunnen we daar vervolgens zo binnenwandelen, maar dat doen we natuurlijk niet, want dat zou wél computervredebreuk zijn. Elk systeem heeft een anoniem abuse address, waar je een waarschuwing heen kunt sturen. Wij mailen twee of drie keer: hé, je systeem staat open, dicht dat gat. Gebeurt er vervolgens niets – dat controleren we door opnieuw te scannen – dan kijken we een stap verder, naar welke organisatie bij dat systeem hoort, en gaan we bellen om onze waarschuwing onder de aandacht te brengen. We doen dat niet om te irriteren, maar in het algemeen belang; ter beveiliging van de onlinewereld, waar ook onze kinderen, jongeren en grootouders vrolijk ronddartelen met hun data.’
Don’t shoot the messenger?
‘Ja, want als nasty people het lek ontdekken, gaan die er lekker op los, waarna het volgende probleem zich aandient: ransomware, oftewel schadelijke software die criminelen gebruiken om computers en bestanden te gijzelen en organisaties te dwingen tot het betalen van losgeld. Die figuren zijn zo rijk: the sky is the limit voor hen, alles en iedereen kunnen ze inhuren om hun zaakjes op te knappen. Met de belofte van geld en dure spullen proberen ze technisch getalenteerde jongeren te verleiden tot de overstap naar de dark side.
Wij willen ze daarom zo snel mogelijk aan onze kant krijgen, door ze verantwoordelijkheid te geven, in het algemeen belang. Ons netwerk bouwen we uit door iemand-kent-iemand; de hackerscommunity is niet groot. Nieuwe vrijwilligers monitoren we scherp. Iedereen die zich bij ons aansluit, begint op level 0, hoeveel zij of hij ook weet. Zo kunnen we zien of ze niet alleen de juiste skills hebben, maar vooral ook de juiste attitude. Dat werkt. De meeste hackers willen liever bij de good people horen, door te helpen het internet en datasystemen zo veilig mogelijk te maken.’
Ze stopt met praten en kijkt in mijn koffiekopje. ‘Ik heb zo lang zitten lullen met die radiojongen, joh. Jij hebt je koffie natuurlijk allang weer op.’
Dat gaf mij de kans uw familiefoto’s te bekijken. Wie zijn die vier naast de televisie?
‘De good people die ik zelf op de wereld heb gezet. Een tweeling van bijna achttien met mijn huidige man en twee zonen van dertig en achtentwintig uit mijn eerste huwelijk. Op die andere foto staan ze met mijn nichtje Saskia. Toen zij drie was, scheidden haar ouders en kwam ze een tijdje bij mij in huis omdat mijn zus even niet in staat was voor haar te zorgen, en de vader ook niet. Ik was zelf pas achttien, maar het ging goed, dat verzorgende heeft altijd in me gezeten. Sas noemt me nog steeds tante mama.
Naast Sas staat Alex, een homoseksuele jongen uit de bible belt. Ik leerde hem twintig jaar geleden online kennen. De enige in zijn familie die hem volledig accepteerde, was zijn moeder. Toen zij kanker kreeg en kort daarna overleed toen hij een jaar of twintig was, had hij in feite geen familie meer. Wij waren toen al heel hecht. Ik sprak met hem af: weet je wat, jij bent mijn aangewaaide kind, ik ben jouw bonusmoeder, je zal altijd op me kunnen rekenen. Twee dagen geleden heb ik hem trouwens op het vliegtuig gezet naar Thailand, om tijd door te brengen met zijn Indonesische geliefde die hij anderhalf jaar geleden leerde kennen via Grindr. Door de pandemie konden ze niet eerder live afspreken, maar met chatten en beeldbellen kun je ook een relatie opbouwen. Zijn vriend noemt me al mom. Zelf was ik helemaal niet zo makkelijk met schoonmoeders.’
Hoe komt het dat mensen u graag als een moederfiguur in hun leven willen?
‘Misschien omdat ik uitstraal dat het mij écht niet uitmaakt wat je kleur, gender, seksuele oriëntatie of afkomst is? Ik mag je als mens, of niet. Veel jongeren binnen de lhbtiq-beweging zien mij ook als een soort moeder, vooral homojongens uit onveilige nesten waar geen ruimte is voor wie ze zijn. Dat zijn er nog altijd meer dan je denkt. Mensen doen veel te moeilijk over elkaar.’
Achterstand
Oosenbrug zelf had een jeugd die integraal in een Yvonne Keuls-boek past. Haar biologische moeder werkte bij de Jamin in Rotterdam Spangen toen ze op haar vijftiende Oosenbrugs vader leerde kennen, die een jaar ouder was. Hij wilde als marinier de wijde wereld in, zij wilde vooral graag het huis uit. Voor hij zich op zijn achttiende liet inschepen voor een missie in Nieuw-Guinea, was het eerste kind al geboren. Na zijn terugkeer twee jaar later raakte ze meteen weer zwanger. Zo ging het door tot ze samen zes kinderen hadden voortgebracht, terwijl haar moeder, zegt Oosenbrug, eigenlijk geen kinderwens had, en zeker geen verlangen naar een groot gezin. Ze vertelde jaren later vol trots hoe ze tijdens de zwangerschap probeerde haar tweede zoon kwijt te raken door op een brommertje over een keitjesweg heen en weer te hotsebotsen. Tegen haar een-na-jongste dochter Astrid zei ze geregeld: je moest eens weten hoe vaak ik boven je wieg heb gestaan met een kussen.
Toen Oosenbrug vier was, vertrok haar moeder halsoverkop naar Griekenland, twee Grieken achterna die ze had ontmoet in de bar waar ze werkte. Haar vader probeerde zo goed mogelijk alleen voor zijn kroost te zorgen, met hulp van zijn oudste zoon en dochter, maar hij moest ook meer dan fulltime werken – overdag bij de post, ’s avonds in de haven – om iedereen elke dag een bord eten voor te kunnen zetten. De kleintjes zwierven vaak rond in de armoedige straten van Spangen, tot (over)bezorgdheid van buren die de kinderbescherming belden. Alle kinderen Oosenbrug werden uit huis geplaatst. De vier jongsten zaten eerst een tijd in het Rotterdamse Burgerweeshuis en belandden daarna in verschillende pleeggezinnen. Daar beginnen Oosenbrugs herinneringen scherpte te krijgen. ‘Ik verhuisde in de kerstvakantie naar mijn pleeggezin in Vlaardingen, dat weet ik nog goed. In het Burgerweeshuis ging ik naar de kleuterklas, omdat ik zo klein en ondervoed was.’
Ze giechelt meisjesachtig. ‘Kun je je nu niet meer voorstellen, haha. Maar goed, ik was dus pietepeuterig klein, spierwit ook. Mijn pleegmoeder vond meteen: hoezo kleuterschool? Jij bent zeseneenhalf dus jij gaat gewoon naar de eerste. Ik kreeg wat schrijf- en leesles in de vakantie en hup. Het lukte wel, maar ik hield een achterstand. Leren zwemmen ging ook zo. Ik was best getraumatiseerd – slecht van vertrouwen, bang voor controleverlies – maar ik moest en zou gewoon het water in worden gegooid, in plaats van voorzichtige stapjes te nemen. Doodsbang was ik. Het geeft aan hoe ambitieus mijn pleegmoeder was. Ze nam een kind in huis dat eigenlijk een verwilderde straatkat was en dacht haar binnen een paar weken wel even in een keurig gareel te persen. Later zei ze een keer dat ze eigenlijk mijn jongste zusje wilde. Zij was een net, lief meisje. Ik ben dat nooit geweest en ga dat ook nooit worden.’
Misschien niet lief als synoniem van meegaand, maar natuurlijk ontzettend lief in de zin van: knokken voor een ander.
‘Heb ik iets in mijn hoofd, dan bijt ik me erin vast tot ik het voor elkaar heb, ja. Dat is in elk geval de reden dat ik iets heb bereikt. Als je met mijn achtergrond alleen maar gezeglijk bent, verzuip je. Ik heb altijd geweten dat ik voor mezelf moest opkomen, en al snel wilde ik ook voor anderen op de bres springen.’
Wegwezen
Het Yvonne Keuls-boek eindigt niet bij dat pleeggezin, waar Oosenbrug geregeld slaag kreeg. ‘Dat boeide me niet, ik was niet bang voor mijn pleegmoeder. Hockey was mijn uitlaatklep. Ik speelde het op hoog niveau. Op een dag, ik was inmiddels veertien, stond ik een boterham te smeren. Dat mocht niet van haar, terwijl ze wist dat ik een belangrijke wedstrijd had en goed moest eten. Er knapte iets toen ze me dat verbood. Ik heb haar een harde duw gegeven, ze viel op de grond en ik dacht: wegwezen. Ik pakte een tasje in, griste een strippenkaart van tafel en stapte op de bus naar mijn zus in Rotterdam, die ik kort daarvoor weer eens had gezien, na negen jaar. En ook mijn biologische moeder. Het deed me beseffen dat ik nog wel familie had. Na een paar uur zwerven door Rotterdam vond ik het adres van mijn zus. Ze was thuis en zei meteen: jij blijft hier.’
Ik voel een akelige ‘maar dat ging zomaar niet’ aankomen.
‘Mijn voogd vond dat ik bij mijn biologische moeder moest intrekken. Dat ging maar kort goed, na negen jaar verwijdering. Via een tussenstop in een tehuis in Alphen aan de Rijn, waar ik ook wegliep, belandde ik uiteindelijk in de Heldringstichting in Zetten, destijds het eindstation voor uit huis geplaatste meisjes, dat nationale bekendheid kreeg door een gigantisch seksueel misbruikschandaal. Psychiater Theo Finkensieper, directeur van de instelling, kon jarenlang ongestraft zijn gang gaan. In de jaren zeventig was al bekend dat hij meisjes drogeerde en misbruikte, pas in 1989 is hij ontslagen en in 1990 veroordeeld. Ik had vriendinnen op de gesloten afdeling van het tehuis. Zwaar beschadigde kinderen, die verplicht naar Finkensieper moesten. Later begreep ik pas waarom zij in zichzelf sneden en konden flippen om niets. Ze zaten in een omgeving waar ze beschermd hoorden te zijn, maar ze waren vogelvrij voor een gevaarlijke gek.’
Bleef u uit zijn handen?
‘Ja, ik zat gelukkig in het open gedeelte, daar was je wat beter beschermd tegen hem. Gek genoeg was mijn basis ook niet zo belabberd als die van de meeste meisjes daar. De eerste paar jaar van mijn leven overspoelden mijn vader, broer en zus mij met liefde en in het pleeggezin was het koud, maar ik werd er wel goed onderhouden: een dak boven mijn hoofd, goede educatie, flink sporten. Ik was ook al gehard door de straatmentaliteit. Wij hadden vroeger thuis in de Spartastraat al een buurman die zijn handen niet kon thuishouden. Mijn zus drilde mij in hoe ik met dat soort shit moest omgaan: dit pik je niet, dat laat je niet toe. Die levenslessen zaten in mijn vierjarige hoofdje geramd. Het heeft me een radar gegeven voor situaties waar je moet wegblijven. Iets positiefs halen uit negatieve ervaringen, dat kan ik wel.’
Alles zelf
Hulp kwam in Zetten ook van twee mentoren, die vonden dat Oosenbrug niet thuishoorde in het tehuis en op de opleiding voor zeer moeilijk opvoedbare kinderen, waar ze geparkeerd was. ‘Ik leerde er timmeren en behangen – nooit weg, ik kan alles zelf – maar Hein en Marijke zeiden: Astrid, jij bent slim en sterk, er zit meer in. Ze regelden dat ik begeleid op mezelf kon gaan wonen in Rotterdam. Hein bracht me op de motor – dat zou nu ook niet meer kunnen, natuurlijk. Binnen een paar maanden had ik een kamertje en wat geld van het Burgerweeshuis, en ging ik naar de moedermavo.’
‘Ik heb geleerd te relativeren, maar ik kan me toch nog steeds verschrikkelijk kwaad maken over ongelijkheid.’
Zonder een greintje zelfmedelijden of valse bescheidenheid voegt ze eraan toe: ‘Dus ja, ik heb echt veel kansen gehad, hè. Er waren mensen die iets in mij zagen en zeiden: ook al ben je pas vijftien, jij komt er wel op eigen houtje. Dat klopte. Ik ben altijd strijdbaar geweest. Behalve in mijn eerste jaren als twintiger. Ik wilde jong moeder worden, uit liefde voor kinderen en een verlangen het beter te doen dan de moeders die bepalend waren voor mijn jeugd. Toen het niet meteen raak was, dacht ik dat ik nooit zwanger zou worden. Ik werd depressief, een gevoel dat ik kende omdat ik een bipolaire stoornis heb, waar ik inmiddels goed mee kan omgaan. De wereld werd zo donker dat ik probeerde uit het leven te stappen. Daarna ben ik weer gaan bouwen, met hulp van een goede therapie. Dat hielp enorm bij het afschudden van een slachtofferachtige woede op alles en iedereen.’
Alsof je niet deugt
Op haar 23ste beviel ze van haar oudste zoon Youp, twee jaar gevolgd door Youri. Het huwelijk met hun vader liep niet veel later op de klippen. Oosenbrug ging alleen verder, eerst als bijstandsmoeder. ‘De bijstand is de hel. Vooral ook door hoe mensen naar je kijken, hoe scholen en instanties met je omgaan. Kinderen van een bijstandsmoeder worden ook meteen lager ingeschat. Alsof je niet deugt. Terwijl je alleen maar weg bent gegaan bij een boze partner die jou ongelukkig maakt en je kinderen constant het gevoel geeft dat ze vervelend zijn en in de weg lopen. Dat beeld van “lekker een uitkering trekken”. Nou, jij liever dan ik, laat mij maar werken.’
Hoe bent u met die achtergrond de informatietechnologie ingerold?
‘Op de computer van mijn eerste man kwam ik voor het eerst in contact met IT-minded people. Franse woordjes krijg ik mijn hoofd niet in, maar computertaal bleek ik als vanzelf te spreken. Ik leerde mezelf coderen en sites bouwen. Na de scheiding kocht ik voor een habbekrats een eigen computer en van de Sociale Dienst mocht ik bij Gods gratie naar de streekschool voor een technische opleiding: beheer van informatiesystemen. Ik moest natuurlijk wel eerst een assessment doen, want ja, vrouw en techniek: dodgy. Mijn klasgenoten waren allemaal mannen die de godganse dag mp3’tjes downloadden en naar porno zaten te surfen. Toen ik vroeg of zij ook een assessment hadden moeten doen, hadden ze geen idee waar ik het over had. Assessment? Nee, hoor.’
Ze schudt haar hoofd, alsof ze het nog steeds niet kan geloven. ‘Ik heb geleerd te relativeren, maar ik kan me toch nog steeds verschrikkelijk kwaad maken over ongelijkheid. Ik heb zoveel stempels op mijn voorhoofd gehad: achterbuurtkind, pleegzorgkind, weeshuiskind, moeilijk lerend kind, alleenstaande bijstandsmoeder, technogekkie. Met alle vooroordelen van dien. Als vrouw moet je je helemaal honderd keer extra bewijzen. Uiteindelijk was ik de beste van het computerklasje. Op zich geen prestatie tussen al die koekenbakkers, maar toch prima, zeker omdat ik thuis twee kleine jongens had voor wie ik in mijn eentje zorgde.
Ik vond al snel een baan als helpdeskmedewerker bij een organisatie waar de baas begrip toonde voor mijn situatie als alleenstaande moeder die haar eigen geld wilde verdienen. Hij gaf me een contract voor veertig uur, waarvan ik de helft in mijn eigen tijd thuis mocht invullen. Zo kon ik fulltime aan de slag en toch vaak bij de jongens zijn. Dat bedoel ik met kansen: zo iemand moet je treffen.’
Iemand die niet zegt: computer says no?
‘Ja, iemand die met je mee durft te denken en zegt: je situatie valt buiten het boekje, dus daar moeten we ook de oplossing zoeken. Zo heb ik mezelf snel kunnen opwerken tot senior beheerder, eerst bij XS4all, wat heel erg een hackers-omgeving is. Zo rolde ik in de community van mensen die bezig zijn met dataveiligheid en privacy.’
Dan maar de politiek in
De tweeling komt binnen, een jongen en een meisje. Ze rommelen wat in de keukenkastjes en gaan daarna op de bank zitten, verdiept in hun telefoon. Oosenbrug moet erom lachen: ‘Potverdrie, al die grote kinderen.’
Eigenlijk is ze door hen de politiek ingegaan, zegt ze. Of eigenlijk omdat zij, haar man Rob en de vier kinderen in Berkel en Rodenrijs gingen wonen. ‘Het is groen maar ligt wel tegen Rotterdam aan en deze wijk werd aangeprezen als ideaal met kleine kinderen. Alleen bleek er geen plek te zijn voor hen om buiten te spelen. Ik bellen naar een gemeentelijk loket: “Ja, daar gaat de politiek over.” Lekker makkelijk. Maar goed, dan ga ik de politiek wel in. Ik was toch al lid geworden van de PvdA omdat het een partij is met emancipatie hoog in het vaandel.
Ik bleek aanleg te hebben voor campagnevoeren: overtuigingskracht en een duidelijke visie. Met voorkeursstemmen kwam ik in 2010 in de gemeenteraad en twee jaar later in de Tweede Kamer. Mijn vrienden zeiden: dit gaat goed uitpakken, met jouw kennis en kunde, ict wordt hét onderwerp.’
De gang van zaken op het Binnenhof viel u niet mee, vertelde u toen we elkaar kort aan de telefoon hadden voor dit gesprek.
‘Het voelde onveilig. Ik viel buiten de boot, als die rare vrouw die altijd maar zat te zeuren over privacy. Veel politici bleken elkaar allang te kennen, van de universiteit of via via. De partijtop was argwanend over zo’n nieuw onbekend iemand met toch aardig wat voorkeursstemmen. Ik heb nu eenmaal ook een groot netwerk, dat onderschatten zij toen. Online was ik heel zichtbaar, maar die wereld snapten zij dan weer totaal niet. Je staat niet in de Volkskrant, dus je telt niet mee, zo dachten ze erover. Het ging me ook te weinig over oplossingen. In de huidige commissie digitalisering zou ik goed passen, ik heb vertrouwen in bijvoorbeeld Lisa van Ginneken, maar dan nog: je zit in een coalitie dus je moet schipperen, en daar ben ik erg slecht in. Als ik iets vind, sta ik ervoor en gooi ik mijn gewicht erachter. In Den Haag loop je dan al snel tegen muren op.’
Dankzij die eigenschap krijgen wij allemaal nog steeds de blauwe envelop op de mat.
‘Ja! Die werd tijdens mijn jaren in de Kamer van de ene op de andere dag afgeschaft. Ik zei: dat kunnen jullie niet maken tegenover iedereen zonder computer thuis. Jawel, vonden ze op het ministerie, want die mensen konden fijn naar de bieb. O ja? Om daar persoonlijke gegevens in te voeren op een voor iedereen toegankelijke computer terwijl wildvreemden over hun schouder kunnen meekijken? Dat is niet veilig. Ik zei: als jullie dit willen, moeten jullie iedereen die het niet kan betalen een PC geven. Nee, ja, dat was niet de bedoeling. Nou, zei ik toen, kennelijk hebben jullie geen oplossing, breng dan de blauwe envelop maar terug.’
Een ander argument voor afschaffen was dat mensen digivaardiger moesten worden.
Ze lacht schamper. ‘Daar ben ik het in zekere zin mee eens, maar in dat proces moeten we netjes en behoudend omgaan met hun gegevens, vanuit de realisatie dat hoe armer je bent in Nederland, hoe minder privacy je hebt. Je moet een berg gegevens achterlaten voor alles waar je aanspraak op wilt maken, en je kan vaak niet anders dan aanspraak maken als je arm bent.’
Dat is geen keuze?
‘Het is wel een keuze, maar de vraag is hoe vrij die is. Je gaat met je privacy betalen om dingen te krijgen. Een tientje korting op een verzekering, ik noem maar wat. Als je weinig geld hebt, is dat een bedrag waar je niet makkelijk over kunt denken, en waarvoor je bereid zal zijn meer van jezelf prijs te geven dan je zou doen als je niet elke cent drie keer hoefde om te draaien. De vrijheid om te kunnen zeggen: ik kan het me veroorloven jouw zogenaamde freebies niet te willen, en dus krijg jij mijn gegevens niet, heeft een waarde die je onderschat als je zelf in een bevoorrechte positie zit.’
Ze kijkt naar haar kinderen, overduidelijk digitaal bij de pinken.
‘We hebben inmiddels 2,5 miljoen laaggeletterden in Nederland. De groep digitaal ongeletterden is zonder twijfel nog veel groter. En dan zal een stel academici op zo’n ministerie wel even concluderen: ze kunnen het best wel snel leren, hoor. Eh, heb je dat onderzocht? Spreek je met die mensen? Ben je wel eens bij ze binnen geweest? Ik gaf mijn vader altijd als voorbeeld: heel slimme man, nooit een smartphone gehad. Hij is een van velen. Digitale ongelijkheid en daaraan gekoppeld een verschil in digitale veiligheid moet de aandacht van dit kabinet krijgen.’
Is digitale ongelijkheid erger geworden door de coronapandemie?
‘Zeker. Kinderen en studenten moeten thuis leren en online college volgen, maar niet iedereen heeft thuis een netwerk om je vingers bij af te likken, of een goede computer. Moeten ze de school weer bellen: sorry, wij hebben geen laptop. Mensen uit achterstandsituaties hebben ook hun trots, hè.
Een heleboel deuren zijn ook nóg moeilijker open te krijgen. Hoe kun je bijhouden of je kinderen meekomen op school als je nooit meer naar binnen mag en je het lastig vindt de leerkracht een e-mail te sturen? Hoe bereik je de dokter als de balie onbemand is? En dan gek staan te kijken als een heleboel zestigplussers nog geen afspraak hebben voor een boosterprik. Ook daar wordt weer uitgegaan van de bevoorrechte Nederlander die een computer en een smartphone heeft.
Toen ik op de helpdesk werkte, dacht ik ook: we moeten iedereen leren coderen. Nu denk ik: nee, we hebben geen zeventien miljoen slechte programmeurs nodig. We hebben een flinke groep goede programmeurs nodig die weten hoe ze respectvol en voorzichtig omgaan met andermans gegevens.’
Data: het nieuwe goud, toch?
‘Dat wordt makkelijk geroepen, ja. Klinkt leuk, maar het geldt niet voor de mensen die de data afstaan. Goud is het voor de lucky few die de data van anderen gebruiken om er zelf beter van te worden. Ik vind het een nogal koloniale gedachte: roof alles maar weg en laat ze daar stikken.’
Leeft de naïeve gedachte ‘wat maakt het uit, ik heb toch niets te verbergen?’ nog?
‘Ik denk dat aardig wat mensen er inmiddels achter zijn dat de vreemde telefoontjes van onbekende nummers die ze ineens krijgen, voortkomen uit het lekken van hun data uit een systeem dat niet deugt. En daar zit niemand op te wachten.’
Zoals dat GGD-datalek?
‘Dat ontstond vooral doordat de GGD, waar de laatste jaren stelselmatig expertise en mankracht is wegbezuinigd door het kabinet, van minister de Jonge de opdracht kreeg het bron- en contactonderzoek te doen en testafspraken te maken. De GGD huurde in allerijl een commercieel callcenter in dat personeel structureel onderbetaalde, en helemaal niet betaalde als er een dag geen werk was. If you pay peanuts, you get monkeys, dat zag je daar heel duidelijk gebeuren. Die mensen gingen bijklussen in de vorm van data verkopen aan criminelen. BSN-nummers, adressen, telefoonnummers: ze konden overal vrijelijk over beschikken.
Zo zie je ook maar weer dat ongelijkheid overal inkruipt: onderbetaalde medewerkers die moeite hebben hun huur te betalen, verkopen “het nieuwe goud” van andere burgers. Degenen die daar het slechtst tegen bestand zijn, zijn natuurlijk niet de handige mensen die meteen weten wat ze moeten doen als ze gebeld worden door een gek nummer: ophangen en blokkeren.’
Zijn mensen ambivalent over hun data?
‘Niemand wil een zeurpiet zijn, terwijl zij de consequenties dragen als ze later in een lek zitten. Van de politie weet ik dat talloze mensen in bedrog tuinen. Er was een groep criminelen die rondbelde naar telefoonnummers uit de gelekte data: u heeft een afspraak gemaakt voor een coronatest, dat kan, maar u moet eerst 25 euro overmaken. Heel veel mensen deden dat en bijna niemand deed aangifte toen bleek dat ze waren opgelicht, want ja, dat heeft toch geen zin. Ze schamen zich ook. Vijfentwintig euro, de politie heeft wel wat beters te doen. Ik zeg dan: meten is weten.’
Is u wel eens zoiets overkomen?
‘Kort nadat ik de GGD belde voor een testafspraak, werd er een pakje besteld op mijn naam. Dat gebeurde ook veel. Criminelen kiezen de “stuur een rekening” betaaloptie, veranderen last minute het adres naar een ophaalpunt, daar wordt vaak niet gevraagd naar een identiteitsbewijs, easy does it. Ik heb een app die pakketjes trackt, dus ik had het meteen in de gaten, maar als ik dan denk aan mijn vader of zijn buurvrouw: die krijgen de rekening gepresenteerd en denken: hè? Ik heb niets gekregen. Ga jij dat maar bewijzen. Je hebt het wel opgehaald.
Ook daar zie je de ongelijkheid. Als je mondig en goed voorzien bent, pak je het op: bellen, boos worden, effe een goeie mail eruit, klaar. Maar mensen met weinig geld hebben vaak een abonnement waarmee ze niet lang kunnen bellen à 15 cent per minuut. Dat dan maar niet doen. Oké, eens even kijken of ik een mail kan sturen. Waarheen dan? Lang zoeken. Heb je geen tijd voor, want je lunchpauze is allang voorbij en je moet straks nog twee kinderen ophalen, boodschappen doen, koken en een was draaien. Uit wanhoop verdwijnt de rekening in een la. Tot de deurwaarder aanbelt. Dit alles voor een pakje dat op jouw naam is besteld nadat je ooit te goeder trouw de GGD belde toen je een snotneus had en niemand wilde besmetten. En dan ben jij die slappe klaploper die zijn rekeningen niet betaalt. Het is gewoon niet eerlijk.’
Hoe is de situatie nu?
‘Het is inmiddels bijna een jaar geleden dat de Autoriteit Persoonsgegevens haar vernietigende conclusies trok en zelfs de minimale basisbeveiliging is nog steeds niet op orde. Nog steeds kunnen te veel mensen bij te veel data. Daar word ik heel chagrijnig van. Je mag van mij fouten maken, doe ik ook, maar als je ermee wordt geconfronteerd en je doet niets, dan heb je gewoon schijt aan je burgers. En kom niet meer aanzetten met: ja, maar we zijn overvallen door een pandemie. Je hebt tien maanden de tijd gehad het lek te dichten, heb je niet gedaan. Mijn dochter heeft een heel schoon telefoonnummer. Ze meldde zich onlangs voor een test, en sindsdien krijgt ze rare telefoontjes. Ik geloof niet in toeval, laat ik het zo zeggen.
Je hebt als burger ook geen keuze, hè? De campagne is: heb je klachten, laat je testen. Dat is goed, maar we moeten ervan uit kunnen gaan dat onze gegevens veilig zijn, juist in een pandemie waarin we vaak thuiswerken en nog meer communiceren via techniek. De GGD had ook met een gerenommeerde partij in zee kunnen gaan die z’n werknemers goed betaalt en een degelijk contract geeft met geheimhoudingsclausule. Zo moeilijk is het niet.’
Wat moet er gebeuren?
‘Simpel. Erkennen dat het is misgegaan, de zaak goed uitzoeken en gedupeerden op de hoogte brengen, zodat ze weten dat ze moeten opletten, en ze zo nodig schadeloos stellen. Het vertrouwen is beschadigd, omdat de overheid haar systeem niet op orde had. Dat is pijnlijk, maar je kunt het goedmaken door te zeggen: mea culpa, het zal niet meer gebeuren. Wees helder, hou op met: ja, nee, het was de pandemie. Dat wekt geen vertrouwen.’
Misschien is het psychologie van de koude grond, maar het lijkt me geen toeval dat u als onveilig opgegroeid kind zich zo inzet voor onze digitale veiligheid.
‘Veilige ruimtes, daar is het mij om te doen, in de tastbare wereld en online. In de tijd dat ik in bijstand zat en me best heel eenzaam voelde, was mijn computer de enige connectie met de buitenwereld. Ik heb zo veel vriendschappen opgebouwd die nog voortduren. Het was mijn reddingsboei. Ik was alleenstaande moeder, zat met twee kleine jongetjes en weinig geld in huis en kon geen kant op, maar ik had toch een escape, naar een gemeenschap van gelijkgestemden die snappen dat je enthousiast zes uur kunt praten over een stukje techniek, die graag naar je luisteren en niet naar je kijken van: wat ben jij nou voor gekkie.’
Wat is uw plan voor dit jaar?
‘Het zou fijn zijn als we vanuit ICAM binnenkort met het ministerie van VWS kunnen praten over het datalek bij de GGD. Ik ben net voorzitter geworden van het Dutch Institute for Vulnerability Disclosure. We hebben subsidie gekregen waarmee we in de academy nog meer jonge hackers kunnen opleiden.’
De moeder van de hackers.
Ze lacht verlegen. ‘Die kunnen er ook nog wel bij. Mijn basishouding is: ik vertrouw mensen niet snel, maar ik wil ze kunnen vertrouwen. Dat past bij de hackersmentaliteit, die gebaseerd is op onderling vertrouwen en gericht op oplossingen. Jaren heb ik me van binnen een weg naar buiten moeten beuken. Nu mag ik van buitenaf naar binnen beuken, om anderen te helpen. Ik wil ook graag met de overheid samenwerken. We kunnen niet zonder elkaar. Er bestaan echt mooie oplossingen, als je maar durft te vertrouwen.’



Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.