Dat het de liberale minister-president Mark Rutte was die met opgerolde hemdsmouwen de directeuren van grote bedrijven onlangs aanspoorde hun werknemers nu eindelijk eens beter te gaan betalen is een historisch feit. En niet bepaald neoliberaal. Zo ver is het dus gekomen: dat de directeuren het van hun eigen vrienden moeten horen dat ze zich hebben misdragen door zichzelf enorme salarissen en bonussen toe te kennen. En de salarissen van de werknemers te vergeten terwijl het economisch zo goed gaat. Menigeen, om alleen maar Thomas Piketty met zijn boek Kapitaal in de 21ste eeuw (2013) te noemen, was die vrienden natuurlijk de laatste jaren al voor gegaan.
En aan waarschuwingen door de eeuwen heen dat er geen kloof tussen arm en rijk moest ontstaan geen gebrek. De onrechtvaardigheid moest niet grotesk in het oog gaan lopen. Zelfs de ten onrechte als profeet van het kapitalisme beschouwde Adam Smith heeft het in zijn nu kundig vertaalde monumentale boek De welvaart van landen voortdurend over de onverbeterlijke hebzucht van de rijken.
Laat je niet kisten, slaaf
Smith vond eigenbelang wel een legitieme psychologische aandrift in het handelsverkeer, maar die moest wel gecorrigeerd worden door het verstand. Dat was geheel naar het inzicht van zijn vriend David Hume. De mens was wel de slaaf van zijn passies, vond Hume, maar hij moest zich daar niet door laten kisten. We moeten leren onze emoties van een afstandje te bekijken. Wat goed voelt, wil niet altijd zeggen dat het goed is. Het was het beste de passies de ruimte te geven, maar niet ongebreideld.
Voor een directeur, of de leiding van een bedrijf, betekende dit dat zijn gecorrigeerde eigenbelang er voor zorgde dat zijn werknemers passend betaald werden en dat de werkomstandigheden in orde waren. Anders zouden ze gaan staken en kwam het bedrijf stil te liggen en kon de directeur geen geld meer verdienen om zichzelf dat riante salaris en die dikke bonus te geven.
Zelfs een egoïst niet helemaal gespeend is van belangstelling voor het lot van anderen, schrijft Adam Smith.
In Smiths eerdere, nog niet vertaalde boek De theorie van de morele gevoelens (1756), staat al in de eerste zin dat zelfs een egoïst niet helemaal gespeend is van belangstelling voor het lot van anderen. Nog beter is het, als het om het algemeen belang gaat, te proberen het standpunt van een onpartijdige toeschouwer met rechtvaardigheidsgevoel in te nemen.
Dat bij Adam Smith zowel sprake is van eigenbelang als van andermansbelang door middel van het inleven in een ander (empathie), heeft gezorgd voor het zogenaamde ‘Adam Smith Problem.’ Dat is de constatering van een schijnbare tegenstelling, een spanning tussen twee verschillende aandriften in zijn twee boeken. Empathie in de een, hebzucht in de ander.
Er is meerdere malen gezegd dat dit probleem in de economie werd opgelost door te zeggen dat denken aan je eigenbelang betekent het belang van iedereen dienen. Dat is zowel waar als niet waar. De crisis van 2008-2016 had louter met eigenbelang en hebzucht te maken, zoals zo vaak in ondernemersland. Ondertussen wordt er natuurlijk genoeg geproduceerd voor het algemeen belang (stoelen, groente, medicijnen, verwarming, instrumenten).
Nog een drankje?
Dat eigenbelang andermansbelang zou zijn gaat terug op de Nederlandse zeventiende eeuwse arts Bernard Mandeville, die bekend werd met de titel van zijn boek Private vices, public benefits. Het uitleven van hebzucht (‘private vice’) kan de publieke zaak dienen wanneer het toevallig gaat om een medicijn of iets anders waar het algemeen belang mee gediend is. Maar op het meeste dat geproduceerd wordt zit niemand speciaal te wachten. Nog maar een nieuwe bank? Nog maar eens een nieuw drankje? Nog maar eens een nieuw model auto? Die worden voor het geld, voor de lol of vanwege het ontstaan van nieuwe ideeën gemaakt.
Volgens Smith bestaat er naast hebzucht ook een zucht naar het doen van dingen die deugen, die nobel en prijzenswaardig zijn.
Smith bestrijdt Mandeville (‘in almost every respect erroneous’) omdat Mandeville vindt dat alles wat mensen doen voortkomt uit ijdelheid, zelfs wanneer men zomaar goed doet. Volgens Smith bestaat er naast hebzucht ook een zucht naar het doen van dingen die deugen, die nobel en prijzenswaardig zijn. Er is zoiets als geïnteresseerd zijn in het welzijn van anderen zonder er iets bij te winnen: ‘except the pleasure of seeing it.’ Overbodig te zeggen dat Smith ook niets moest hebben van Thomas Hobbes, volgens wie de mens voor de mens een wolf was.
Het valt niet te ontkennen dat we in het werk van Adam Smith te maken krijgen met paradoxen. Het ‘Adam Smith Problem’ is ontstaan omdat Smith zowel de vrije markt de ruimte wilde geven en de hebzucht tegen wilde gaan. Terwijl de vrije markt hebzucht in de hand werkt. Smith vond regulering van de vrije markt soms wenselijk omdat ondernemers niet te vertrouwen zijn. Vandaar dat Jeremy Bentham Smith hem verweet de vrije markt niet écht vrij te laten.
In de twintigste eeuw werd dat ook gedacht door de economen van de Chicago School die het neoliberalisme in de economie brachten, met als pleitbezorgers Friedrich Hayek, Ayn Rand, Alan Greenspan, Milton Friedman, Ronald Reagan en Margaret Thatcher. Met als gevolg alle ellende die de crisis in 2008 veroorzaakte. De vrije markt was in gebreke gebleven, erkende Alan Greenspan later in zijn memoires. Maar John Maynard Keynes had in de jaren vijftig al eens gezegd dat de vrije markt faalde. Die moest gecorrigeerd worden.
Zonder Engelse wol geen fijn laken
De vrije markt werd ongewild zo prominent in De welvaart van landen omdat Smith bezig was het mercantilisme te bestrijden. In Engeland was een grotesk onvrij bureaucratisch systeem ontstaan dat import zwaar belastte en export bevoordeelde. Toen dacht men dat de winst van de een altijd het verlies van de ander moest betekenen. Smith wilde wederkerig gewin, vrije handel, geen protectionisme. Als tegenhanger van het mercantilisme, dat Smith tot in de absurde details beschrijft en dat alleen maar ten goede kwam ‘aan de rijken en de machtigen’, ontstond de vrije markt.
Een van de talloze voorbeelden die Smith geeft betreft de Engelse wolindustrie. De wol zou in grote hoeveelheden geëxporteerd moeten worden want zonder Engelse wol kon er in Europa geen fijn laken worden gemaakt, was de ‘brutale’ bewering van de wolindustrie. Maar, schrijft Smith als kenner, ook van deze industrie, dat is volstrekt onwaar. ‘Het tegendeel is het geval, want het is daar volstrekt ongeschikt voor. Fijn laken wordt geheel gemaakt van Spaanse wol.’ Het laken wordt zelfs bedorven als er Engelse wol met Spaanse wordt vermengd!
Smith was ‘geen geborneerde marktfetisjist’, zoals Jabik Veenbaas schrijft, ‘maar een moreel gedreven denker, een man van de Verlichting.’
Smith weet alles van de kneepjes van deze vrije markt. Maar die heeft men vrijer gemaakt dan hij hem bedoelde: ‘als sommigen de natuurlijke vrijheid op zo’n manier uitoefenen dat ze de hele samenleving bedreigen, wordt dat hun met recht belet door de wetten van alle overheden.’ Smith was ‘geen geborneerde marktfetisjist’, zoals Jabik Veenbaas schrijft, ‘maar een moreel gedreven denker, een man van de Verlichting.’
Arbeidsdeling in de speldenindustrie
De welvaart van landen is, laten we wel wezen, een goed geschreven en goed gedacht mastodont van meer dan duizend pagina’s dat geen mens achter elkaar kan lezen. Je kunt er ook niet altijd je aandacht bij houden wanneer Smith in de krochten van de bronnen van het kapitaal duikt, van de belastingen, van de exportpremies, van de arbeidsdeling in de speldenindustrie, de listen van de banken, de waarde van goud en zilver, de economie in de steden en op het platteland, de landbouw na de val van het Romeinse rijk, de uitgaven van vorsten, de opbrengsten van de koloniën, de uitgaven van justitie, defensie en publieke werken, tot de uitgaven voor onderwijs aan de jeugd.
Smith heeft hierbij steeds het algemeen belang voor ogen. Dat leidt vaak tot vruchtbare tegenstrijdigheden omdat het ene belang botst met het andere: zoals wanneer tegenover de behoefte aan winst rechtvaardige beloning moet staan voor degenen die het werk doen. Een onderwerp dat in de twintigste eeuw terugkeert in het werk van John Rawls wanneer die het heeft over ‘fairness.’
Voor Smith, schrijft Dennis C. Rasmussen, was de welvaart van landen gebaseerd op massaal zelfbedrog.
In zijn boek The Infidel and the Professor, over de vriendschap van Adam Smith met de man die hem in vele opzichten tot zijn ideeën over moraal en handel heeft geïnspieerd, David Hume, brengt Dennis C. Rasmussen ter sprake dat Smith zoveel nadelen (drawbacks) aan de vrije markt (the commercial society) zag dat je niet zou geloven dat hij beschouwd wordt als ‘the founding father of capitalism.’ Dat was al zo in zijn vorige boek waarin hij beschreef hoeveel moeite mensen willen doen om de meest onnozele producten te maken voor ‘only fleeting satisfaction.’
Zoveel moeite voor zo weinig. Voor Smith, schrijft Rasmussen, was de welvaart van landen gebaseerd op massaal zelfbedrog (massive self-deception): het onafgebroken willen verwerven van steeds meer geld en goederen en daarmee denken gelukkig te worden, is puur zelfbedrog. Als geluk ergens mee bereikt kan worden, niet daarmee.
De welvaart van landen. Een onderzoek naar de aard en de oorzaken door Adam Smith is vertaald, geannoteerd en ingeleid door Jabik Veenbaas en uitgegeven door Boom.
The Infidel and the Professor. David Hume, Adam Smith and the friendship that shaped modern thought door Dennis C. Rasmussen is uitgegeven door Princeton University Press.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.