Nu de coronacrisis – althans voorlopig – redelijk onder controle lijkt en de verkiezingen van volgend jaar beginnen te lonken is de politiek teruggekeerd rond het Binnenhof. In de zomerweken werden verkiezingsprogramma’s driftig herschreven en lijsttrekkers gekozen.

In de aanloop naar Prinsjesdag en de Algemene Politieke Beschouwingen namen verschillende partijleiders weer de ruimte om verder te kijken dan de coronacijfers van het RIVM, en het leiderschap van Mark Rutte onder vuur te nemen, ondanks diens kundige management tijdens de crisis.

Dat de oppositieleiders Lodewijk Asscher, Jesse Klaver en Lilian Marijnissen het leiderschap van Mark Rutte ter discussie stellen – Asscher laatst nog bij het traditionele openingsdebat van het parlementaire jaar van Stichting Machiavelli – is niet nieuw, maar wel dat Pieter Heerma, fractievoorzitter van coalitiepartij CDA, bij dezelfde gelegenheid de aanval op Rutte opende.

Je zou kunnen zeggen: nogal wiedes dat ook de coalitiepartijen in de aanloop naar de verkiezingen de oppermachtige VVD-leider onder vuur nemen.

‘De Rutte van de afgelopen jaren is niet de man die die de uitdagingen van de toekomst aankan,’ stelde Heerma, die al eerder bij Buitenhof van leer was getrokken tegen het ‘doorgeslagen marktdenken’, dat de afgelopen jaren had geleid tot het ‘onderliggend lijden’ van flexwerkers, een groot tekort aan huizen en een zorgsysteem dat in z’n voegen kraakt. De man onder wiens leiding de sluipende kaalslag heeft plaatsgevonden noemde hij nu voor het eerst bij naam: Mark Rutte.

Lees ookDe kampioenen van flexibilisering, VVD en D66, hebben wat goed te maken27 maart 2020
liberale bakens

Het zijn teksten die we al gewend waren van Asscher, Klaver en Marijnissen, maar dat ook Heerma de premier openlijk aanviel, was nieuw. De tweede leider van een coalitiepartij die het leiderschap van Rutte op de korrel nam was Sigrid Kaag. In haar eerste speech als lijsttrekker hekelde ze de ‘peilingenpolitiek’ waarmee Nederland de afgelopen jaren is geregeerd.

Deze tijd zou vragen om ‘politiek die probeert te overtuigen vanuit eigen kracht, ook voordat de peilingen voldoende draagkracht laten zien’, en bovendien om ‘nieuw politiek leiderschap’. Ze noemde Mark Rutte en zijn partij niet expliciet, maar iedereen wist: hier staat een nieuwe uitdager van de VVD-premier.

Lees ookSigrid Kaag: ‘Ik vind dat Nederland nieuw leiderschap nodig heeft’21 juni 2020

Deze week deed ook Gert-Jan Segers van de ChristenUnie, tot dusverre een uiterst loyale coalitiegenoot, een duit in het zakje. Segers benutte de rustige zomerweken voor het schrijven van het manifest Aandacht voor wat echt telt dat hij deze week presenteerde, en waarin hij het falen van het liberale marktdenken aan de orde stelt, en de maatschappelijke ongelijkheid en ontheemding die daarvan het gevolg zijn. De strekking: ook Mark Rutte zal de liberale bakens moeten verzetten. Nog een aanval – in beschaafde bewoordingen – op het leiderschap van de premier. De messen, kortom, worden geslepen.

belang van de publieke zaak

Je zou kunnen zeggen: nogal wiedes dat ook de coalitiepartijen in de aanloop naar de verkiezingen de oppermachtige VVD-leider onder vuur nemen: Rutte is the man to beat. Maar in ideologisch opzicht hebben de uitdagers opvallend veel gemeen, van Lodewijk Asscher tot Gert-Jan Segers: de coronacrisis heeft het belang van de publieke zaak weer in het middelpunt van de belangstelling gebracht, nu we opeens afhankelijk blijken te zijn van zorgmedewerkers en schoonmakers die in naam van de marktwerking jarenlang zijn afgeknepen met karige salarissen en flexbanen, en bedrijven massaal de hand ophouden bij de overheid.

Steeds breder dringt het besef door dat de coronacrisis aanleiding zou moeten zijn voor een eerlijkere verdeling van de welvaart en een grondige herwaardering van de publieke zaak.

ideeënarmoede

Bij de VVD was Klaas Dijkhoff de eerste die de bui zag hangen. In mei vorig jaar publiceerde de fractievoorzitter een verrassend discussiestuk waarin hij signaleerde dat veel mensen het gevoel hebben dat de overheid er niet voor hen is, en waarin hij pleitte voor progressieve idealen, wederkerigheid, een eerlijke verdeling van de lasten én een ‘sterke, effectieve overheid’: stuk voor stuk ideeën waar de VVD de voorgaande jaren met een grote boog omheen was gelopen.

Maar veel weerklank in de partij kreeg het discussiestuk niet – nadat Dijkhoff afgelopen jaar in de problemen kwam door onterechte reiskostendeclaraties verdween hijzelf ook in de luwte – zodat de VVD steeds verder lijkt weg te zakken in ideeënarmoede, een euvel waar partijen wel vaker aan gaan lijden als ze te lang aan de macht zijn.

De VVD lijkt steeds meer bezig met het winnen van de vorige oorlog.

Dat werd fraai geïllustreerd door de krampachtigheid waarmee de VVD – ondanks groeiend maatschappelijk protest – in crisistijd vasthield aan de verlaging van de winstbelasting voor grote bedrijven, en aan het sluiten van de grenzen voor zelfs maar enkele tientallen weeskinderen uit de vluchtelingenkampen op de Griekse eilanden.

Vorige week schreef ik hier nog dat Rutte tegenwoordig zo ver boven de partijen lijkt te staan dat hij niet meer bang is voor grote woorden. Maar wat betekent het als hij ‘mildheid en genade’ alleen reserveert voor zijn in ongenade gevallen collega-minister Ferd Grapperhaus?

Als de VVD van Mark Rutte zich inderdaad geheel laat leiden door de opiniepeilingen, zoals Sigrid Kaag suggereert, zijn dat peilingen van lang geleden. In december vorig jaar beweerde Mark Rutte nog in de Telegraaf dat immigratie een speerpunt zou worden bij de verkiezingen van 2021.

Maar uit recente onderzoeken – zoals de doorlopende opiniepeiling van EenVandaag – blijkt dat de Nederlanders zich inmiddels veel meer zorgen maken over het zorgstelsel, de werkgelegenheid en zelfs het klimaat. Immigratie is weggezakt naar de zevende plaats. De VVD, kortom, lijkt steeds meer bezig met het winnen van de vorige oorlog.

Dat de VVD in de peilingen nog steeds zo hoog staat, lijkt alleen nog te maken te hebben met de persoon van Mark Rutte, de man die het land behendig door de eerste fase van de crisis loodst en daarmee ook buiten de partij waardering oogst. Van de rest van de VVD is al heel lang vrijwel niks meer te zien: niet in aansprekende figuren, niet in vernieuwende ideeën. Hoog tijd voor de VVD, zou je zeggen, voor het verzetten van de liberale bakens. Want als het zo doorgaat, wacht de partij na Rutte de grote leegte.

En die leegte zou sneller kunnen komen dan je denkt. Nu is Rutte nog mateloos populair, binnen en buiten de partij. Bij de Algemene Beschouwingen slaagt hij er ongetwijfeld in om routineus overeind te blijven en de kritiek van de oppositiepartijen van zich af te laten parelen, als waterdruppels van een eend. Maar de schijn zou best eens kunnen bedriegen. Met de populariteit van Rutte’s sociaaldemocratische voorganger Wim Kok was het in diens laatste jaar als premier ook verrassend snel gedaan. Lange tijd leek Kok volstrekt onkwetsbaar, maar voor de PvdA het wist lag de partij verdwaasd op de grond, tussen de rokende puinhopen van paars.