Stephan Sanders bespreekt de nieuwe essaybundel van Joost Zwagermans.
Bernard-Henri Lévy is in zijn vaderland Frankrijk zo beroemd dat hij toekan met zijn initialen. BHL. De filosoof en denker ontvangt van het Amerikaanse tijdschrift The Atlantic Monthly een uitnodiging om in de voetsporen te treden van De Tocqueville, tweehonderd jaar later, en zo het Amerikaanse leven te onderzoeken. Van hot naar her, kriskras door de Verenigde Staten. Een ouderwetse Grand Tour, met de gemakken van nu. ‘Hij kreeg een auto met chauffeur’, noteert Joost Zwagerman, ‘stippelde de snelste, binnenlandse vliegroutes uit, en organiseerde ontmoetingen met personen als Sharon Stone, Norman Mailer en Woody Allen. In het kielzog van Lévy bevond zich vrijwel altijd een cameraploeg…’ Het is niet vergezocht in deze verlekkerde woorden van Zwagerman ook een zekere afgunst te bespeuren. Als niet BHL… maar als JZ. De auteur stelt zich dan ook meteen de vraag welke plaatsen en personen hij zou bezoeken, mocht hem zo’n genereus aanbod bereiken. Het is natuurlijk jaloers makend, zo’n Amerika-project, maar bij Zwagerman krijg je de indruk dat het niet alleen Lévy’s mogelijkheden zijn die hem doen watertanden, maar vooral ook de gebeitelde beroemdheid van de Franse filosoof. De suggestie ligt voor het opscheppen tussen de regels: Fransen weten tenminste nog hoe ze met hun eminente denkers moeten omgaan.
Het aardige is dat Zwagerman toch een Grand Tour heeft ondernomen, ook zonder de hartelijke uitnodiging en de chauffeur van het deftige Atlantic Monthly: hij maakt in zijn essaybundel Transito een reis langs zijn artistieke en literaire inspiratiebronnen. Een tour de force zonder eersteklas vliegtickets, want Zwagerman reist in zijn eigen hart en brein, van boek naar foto naar schilderij.
Het begin van die tocht is onverwacht: onder de titel ‘Scheepsgang’ bespreekt Zwagerman het werk van de beeldend kunstenaar Gerhard Richter. Dit essay is een mooi voorbeeld van wat moderne toeristen altijd plegen te vergeten: ja, het verdient aanbeveling voor elke reis je bagage te checken, maar nog belangrijker is het om jezelf leeg te maken, om weer nieuwsgierig naar de wereld te kunnen kijken. Richter is de man van de vele stijlwisselingen, de eclecticus die erop uit is nooit een eenduidig ‘handschrift’ te ontwikkelen. De kunstenaar wil ‘on-persoon’ zijn, opgaan, verdwijnen in zijn werk. Zwagerman weet zijn fascinatie voor die kameleontische methode invoelbaar te maken, zonder dat er de ruis van de zelffelicitatie in doorklinkt. Want ook Zwagerman kan in zijn werk (poëzie, proza, essays) vele gedaanten aannemen, maar hier weerstaat de auteur de verleiding om Richter te annexeren, of zelfs voor het eigen karretje te spannen. Gaat het over beeldende kunst of fotografie (Andy Warhol, Diane Arbus, Rineke Dijkstra) dan klinkt Zwagerman onthecht, als iemand die begint te peinzen zonder exact te weten waar hij uit wil komen. In elk geval zorgt het niet-literaire terrein ervoor dat hij zijn hang naar zelfbevestiging bedwingt, en daardoor zijn deze essays open en nieuwsgierig, en geen verkapte lessen in ‘I told you so’.
Maar Zwagerman meet zich in deze bundel ook met zijn vakgenoten, de andere schrijvers, en daar is de neiging veel groter om beroemde voorbeelden te geven die precies passen in zijn eigen straatje. Hier is niet een auteur aan het woord die zich te goed voelt om het werk van zijn collega’s te onderzoeken en te bespreken. Dat is het goede nieuws. Het slechte is dat Zwagerman op een verkeerde manier persoonlijk wordt, en als lezer telkens weer de verongelijkte schrijver in zich op laat staan, die de literaire wereld verdeelt in soortgenoten en vijanden, medestanders en concurrenten.
Het valt pas goed op wanneer het niet gebeurt: in zijn bespreking van Joan Didions The Year of Magical Thinking weet Zwagerman op overtuigende wijze te laten zien dat Didion in haar wanhoop van kersverse weduwe eenzelfde soort ‘verdwijntruc’ uithaalt die hij eerder beschreef bij Gerhard Richter. Hier neigen twee essays naar elkaar, zonder dat ze met veel bombarie verbonden worden, en precies die onbenoemde toenadering werkt.
Maar als Zwagerman nog weer eens een lans breekt voor de Maximalen, breekt hij vanzelfsprekend ook weer een lans voor zichzelf. Die herbevestiging van eigen stijl en richting, van het eigen gelijk – die heeft mij vaak benauwd. Voor Zwagerman hoort het woord ‘benauwend’ automatisch bij ‘binnenwereld’. Maar juist in zijn literaire buitenwereld wordt het snel bedompt, omdat de spoken van zijn binnenwereld er ongezien vrij spel hebben.
Ik houd niet van het woord ‘poëtica’, ik vind het opgeschroefd en hoorcollegeachtig klinken. Zwagerman is er dol op. Goed, we hebben het over het geheel van opvattingen die een schrijver heeft over wat literatuur of poëzie moet zijn. Kan zijn, lijkt me in het beste geval.
Zwagerman heeft zich in zijn Kellendonk-lezing, ook opgenomen in deze bundel, uitgesproken ‘tegen de literaire quarantaine’ waarin Nederland gedwongen zou verblijven. Er zou, zo stelt de auteur, een verbod bestaan op actualiteit en straatrumoer in de Nederlandse literatuur. O ja? denk ik dan, er zijn toch heel wat succesvolle tegenvoorbeelden te bedenken. Zwagerman bedenkt die ook, en noemt er drie, waaronder zijn eigen roman De buitenvrouw.
Hier wordt wat heel deftig poëtica heet zelfpropaganda. Zonder dat zou het zo veel beter gaan.
Joost Zwagerman, Transito (essays), Arbeiderspers, 352 pagina’s, € 24,95
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.