Hoogmoed & IJdelheid
‘Kleren of make-up: het zal me allemaal worst wezen. Laatst was ik bij de kapper en dan trek ik het echt niet om in de spiegel te kijken: ik kijk altijd naar beneden. Omdat ik rood word, vraagt de kapper ook altijd: “Gaat het?” Maar ik ben wel op een andere manier ijdel: zo stond op de voorpagina van NRC een verwijzing naar een interview met mij waarin ik gezegd zou hebben: “Taal is concreet.” Ik bedoelde dat taal een houvast kan zijn, maar ik vind taal helemaal niet concreet. Ik vind taal juist heel abstract: woorden hebben voor iedereen een andere betekenis. Daar schrik ik dan van, en dan ben ik wel zo ijdel dat ik er niet van kan slapen: ik wil zo helder mogelijk formuleren.’
Jaloezie & Afgunst
‘Op het succes van andere schrijvers ben ik nooit jaloers, ook niet op andermans bezit, maar in de liefde kan ik heel jaloers zijn. Het heeft denk ik te maken met mijn verbeelding: als mijn vriendin Marie bijvoorbeeld ’s nachts uitgaat, dan bedenk ik wat er zou kunnen gebeuren en dat zie ik dan letterlijk voor me. Het is niet eens meer de vraag of het de waarheid is of niet – die verbeelding is de werkelijkheid geworden en dat vreet me helemaal op van binnen. Bij mijn vorige vriendin was ik echt heel jaloers, maar Marie is heel relaxt. “Zo gaan we niet beginnen,” zei ze meteen in de eerste week. Ze vindt dat ik anders onze liefde niet serieus neem, en daar heeft ze gelijk in: het is ook heel onwaardig. Het is geen verlatingsangst en ik ben ook niet bang om alleen te zijn, het is gewoon echt jaloezie. Het blijft een strijd, want jaloezie overvalt je als een golf: het is een monster.’
‘Bij de kapper trek ik het echt niet om in de spiegel te kijken’
Woede & Wraak
‘Ik ben erg explosief: als ik woede voel, wil ik het meteen uiten en dat is soms onhandig. Ik vind mensen vaak laf en daar word ik dan kwaad om. Dan zijn ze bijvoorbeeld boos op elkaar maar zeggen dat niet, en ondertussen vertellen ze het wel aan allerlei andere mensen. Laatst hadden we het met een groepje schrijvers op de uitgeverij over wie van ons het meest en wie het minst te vertrouwen is. Veel schrijvers dachten dat ik het minst te vertrouwen ben, omdat ik het meteen zeg als ik het ergens niet mee eens ben en dat is blijkbaar bedreigend. Dat vond ik wel schokkend. Nou is die wereld van schrijvers sowieso huichelachtig omdat je op een artificiële manier met elkaar in een groep zit: je hoort ineens bij elkaar, terwijl je niet de grootste vrienden bent. Maar je gaat ook niet de hele tijd ruzie zoeken, dat is praktisch gezien niet handig. Vaak denken mensen als je ruzie maakt: dat is een trut, maar ik vind ruzie vaak liefdevol. Dat komt ook door het gezin waaruit ik kom: wij drijven elkaar tot het uiterste en bevragen elkaar voortdurend. Ik vind dat mooi, omdat je zo beter weet wat je aan de ander hebt.’

Lust & Wellust
‘Laatst vroeg iemand: waar val jij op? Sommige mensen zeggen dan zoiets als “op blond en slank”, en dat vind ik altijd heel raar. Want lust is zoiets willekeurigs, daardoor is het ook zo mooi en mysterieus. Lust ligt niet besloten in hoe iemand eruit ziet, maar veel meer in iets wat eromheen hangt: in hoe iemand in zijn of haar lichaam zit, of hoe je drinkt of hoe je ogen eruit zien. Ik vind lust een mooie zonde omdat het zo het meest van alles ongrijpbaar is, en het je overvalt. Wat ook mooi is aan de liefde, los van lust, is dat niemand anders dat echt begrijpt. Als ik zeg: ik vind die en die aantrekkelijk, dan kijkt bijna iedereen mij altijd aan met een blik van: écht? Dat vind ik fijn, want dan is het alleen iets tussen diegene en mij. Zodra je lust gaat beredeneren omdat het moet kloppen met het beeld dat je in je hoofd hebt, is het al geen lust meer.’
Luiheid & Gemakzucht
‘Ik vind mezelf niet lui, maar dat zou door anderen wel zo gezien kunnen worden. Als ik moet gaan schrijven, ga ik uit het raam kijken en ik lig ook graag in bed. Het is heel paradoxaal: ik zie alles als werk, maar aan de andere kant denk ik dat alles nog moet beginnen. Het lijkt alsof ik tot nu toe één grote vakantie heb gevierd, ik heb nog steeds niet het idee dat het werkende leven is begonnen. Dat komt ook omdat ik precies doe wat ik wil, en dat voelt nooit als werken. In nieuwe dingen leren ben ik soms wel lui en dat zoek ik dan juist bewust op. Zo ging ik in Berlijn Duits leren omdat ik dacht: als ik Duits leer, kijk ik anders naar mijn eigen taal. Ik ben bang voor luiheid, omdat je dan niet meer goed kijkt. En kijken is het belangrijkste voor een schrijver.’
‘Ik ben bang voor luiheid, omdat je dan niet meer goed kijkt. En kijken is het belangrijkste voor een schrijver.’
Gulzigheid & Onmatigheid
‘Ik heb veel wilskracht en kan ook goed zeggen: dit mag ik niet, maar als ik eenmaal drink, drink ik altijd te veel. Het is bijna nooit gezellig “even iets drinken” – nou ja, het is wel gezellig, maar ook altijd onmatig. Vroeger bedacht ik stomme regeltjes: ik had bijvoorbeeld nooit een pak hagelslag in huis, omdat ik anders dat pak hagelslag gewoon rechtstreeks uit mijn hand opat. De vrijheid is ook zo groot dat je soms voor jezelf maar regeltjes bedenkt om die vrijheid in te perken. Bij een borreltafel heb ik ook te veel vrijheid: ik kan er niet goed tegen dat de tafel vol eten staat. Want als het er is, denk ik ook: het moet weg. Dan is het pas klaar: alsof je een taakje hebt afgemaakt.’
Hebzucht & Gierigheid
‘Ik vind het moeilijk om een cadeau te krijgen. Nu klink ik heel erg alsof ik een Dove-reclame naspeel, maar ontvangen vind ik best moeilijk omdat je moet kunnen denken: ik ben het waard om dit te krijgen. Ik vind het lastig om bij die emotie te komen. Als iemand mijn boek heeft gekocht, zeg ik ook bijna altijd: je hoeft het niet te lezen, hoor. Dat is natuurlijk superirritant, want ik neem die ander dan eigenlijk niet serieus. Zelf vind ik het wel heel leuk om te geven, en dan vind ik het juist ook leuk als iemand zegt: “O, dank je wel!” Als je dan zegt: “Het hoeft niet, hoor”, dan ga je ook geen verbinding aan.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.