Mijn vriend Ritzo had he-le-maal niets met daklozen. Die vage types die met hun wazige blikken op hem af strompelden in de binnenstad van Groningen, bedelend om geld voor een slaapplek. Met een grote boog liep hij om ze heen. Tot hij via zijn werk een keer met daklozen te maken kreeg en naar hun verhalen luisterde. Vanaf dat moment, zegt hij, kon hij niet meer wegkijken.

Niet lang daarna kwam straatkrantverkoper Jonny op Ritzo af in de stad. Nee, zei Ritzo, ik hoef je krant niet. Maar vertel eens, waar kan ik je wél mee helpen? Jonny keek Ritzo aan. ‘Weet je waar ik behoefte aan heb? Een kop koffie. Gewoon een kop koffie.’ Ritzo haalde twee van die kartonnen bekers. Ze dronken, ze praatten. Ontmoetten elkaar vaker. Ritzo nodigde anderen uit om óók eens in gesprek te gaan met een dakloze. Ging stadwandelingen organiseren, met daklozen en voormalige daklozen als gids. Aan groepen wandelaars laten zij nu hún kant van de stad zien: de donkere bruggen waaronder ze sliepen, de duistere krochten waar ze drugs gebruikten en bijna doodvroren.

Wat was er nu precies gebeurd in Ritzo’s hoofd? Het was geen Hollywoodmoment waarop de bliksem insloeg of een onzichtbare hand hem op de schouder tikte. Het was niet meer dan dit: ze praatten met elkaar.

Zo veranderden daklozen voor hem van sjofele sjacheraars met een plastic tas en klittenhaar in mensen met een verhaal. Ze vertelden hoe het zo gekomen was, dat ze ergens op het levenspad een afslag hadden genomen die niet zo handig was. Dat ze ooit ‘gewone jongens’ waren geweest. Jongens, besefte Ritzo, net als hijzelf. Dit had hem, zogezegd, ook kunnen overkomen. ‘De ander bleek helemaal niet zo heel anders.’

Dit is wat er gebeurt als je je vooroordelen en aannames opzijzet en in gesprek gaat met je tegenpartij, met de vijand, zo u wilt. Dit is wat er gebeurt als je hem niet langer reduceert tot een viezige stinkende man met gaten in zijn schoenen. Of tot een ideologie, een religie, een geaardheid, een geslacht, een huidskleur. Dit is wat er gebeurt als je een mens als méns ziet.

Dilemma

Ander voorbeeld. De 22-jarige Rob stond terecht voor diefstal van auto’s en motoren – het werk van een bende, de andere leden moesten ook voorkomen. Maar de officier van justitie zag iets aan Rob. Dat hij uit de toon viel tussen de andere bendeleden. Dat hij schuchter en timide was en bovendien nog geen strafblad had.

Het duurde even, hij wilde eerst niets zeggen. Maar het lukte de officier, Disa Jironet heet ze, om contact te krijgen met Rob. En hij vertelde. Via een meisje op wie hij verliefd was geworden, was hij bij de verkeerde mensen terechtgekomen en zo in een crimineel netwerk beland. Hij had ‘dingen gedaan die niet bij hem pasten’, waar hij spijt van had. De relatie was voorbij, hij wilde eruit, maar had het gevoel dat hij niet terug kon, bang voor de andere jongens, voor represailles.

Hoe vaker je te horen krijgt dat je niet deugt, hoe meer je je ook zo gaat gedragen.

Op de tweede zitting was een van die medeverdachten erbij. In plaats van Rob onder druk te zetten om de andere jongen erbij te lappen, nam Jironet haar verlies. Rob werd vrijgesproken en kreeg een tweede kans, ook toen dat betekende dat zijn medeverdachte – die zich wél agressief opstelde op zitting, die wél een strafblad had – dan ook ‘buiten’ zou blijven.

Ja, zegt Jironet, het was een dilemma, maar het is best aannemelijk dat Rob, als hij wél was opgesloten en behandeld als een standaardcrimineel, dat uiteindelijk ook was geworden. Want zo gaat het vaak, merkte ze in de talloze gesprekken die ze voerde met verdachten en veroordeelden: hoe langer en hoe vaker je behandeld wordt als uitschot en te horen krijgt dat je niet deugt, hoe meer je je ook zo gaat gedragen.

(tekst loopt door onder afbeelding)Abstracte illustratie bij essay over zachte krachten.

Mededogen in de rechtszaal

In haar boek Misdaad en mededogen, dat afgelopen najaar verscheen, schrijft ze over Rob. ‘Door de toevallige planning had ik de gelegenheid gekregen om een open gesprek te hebben met Rob,’ schrijft ze, ‘waardoor ik hem als mens kon zien. Als ik dit moment niet had gehad (…) was dit heel anders geweest. Volgens mij had ik die afweging niet kunnen maken als ik mij niet open had gesteld voor Robs persoonlijke verhaal.’

In haar boek pleit ze voor meer mededogen in de rechtszaal. Want, zegt ze: als we willen dat verdachten weer terugkeren in de samenleving, moeten we ze als mens zien.

Jironet interviewde mensen aan alle kanten van de wet: daders, nabestaanden, advocaten, rechters en haar eigen vakgenoten. En hoe verschillend de verhalen ook zijn, hoe uiteenlopend de situaties, allemaal zijn ze variaties op hetzelfde thema: tegenpolen die hun verschillen opzijzetten, die zeiden: we zijn het niet eens, maar je bent een mens, net als ik, en nu gaan we praten.

Het begint met luisteren, zegt Jironet. Deze levensvisie werd haar met de paplepel ingegoten: ze werd opgevoed volgens de leer van het soefisme, een mystieke stroming die als een van de kenmerken heeft dat alles vanuit meer gezichtspunten bekeken moet worden. Dat gezegd hebbende – je hoeft natuurlijk geen soefi te zijn om te leren luisteren naar de ander. ‘Luisteren, zonder oordeel, zonder aannames. Vragen stellen vanuit oprechtheid: waar ben je bang voor? Waar zit je pijn? Alleen dán kom je ergens.’

Dezelfde herinneringen

Of, zoals Harcourt Klinefelter, naaste medewerker van Martin Luther King in de laatste vier jaar van diens leven, zegt: om van iemand te kunnen houden, moet je hem eerst leren kennen. ‘Als twee mensen naast elkaar staan, kunnen ze samen vooruit komen, stappen zetten naar een punt op de horizon. Maar als ze tegenover elkaar blijven staan, wordt er alleen maar genavelstaard.’

Wie de hakken in het zand zet, komt geen stap verder.

Klinefelter werkte voor Kings organisatie Southern Christian Leadership Conference (SCLC). Hij maakte opnamen van de toespraken die King hield en verstuurde die naar radiostations, als een soort vlogger avant la lettre.

In de sterk gesegregeerde Verenigde Staten van de jaren zestig faciliteerde hij, namens SCLC, gesprekken tussen zwarte en witte Amerikanen. Dat is hij blijven doen: dialogen initiëren tussen tegenstanders van allerlei pluimage, tot de dag van vandaag. Na de Molukse treinkapingen bracht hij de families van de kapers in gesprek met die van de gegijzelden. Hij legde contacten tussen Serviërs en Kroaten. Ook in het klein gaf en geeft hij trainingen.

Er is een medicijn tegen het angstvirus. Het is gratis en iedereen draagt het bij zich.

Het geheim is, zegt hij, dat beide partijen nu eens over hun verschillen heen stappen en kijken naar wat hen bindt. Hij vraagt mensen vaak in gedachten terug te gaan naar hun kindertijd. Dan ontdekken ze dat ze dezelfde herinneringen hebben. Dat de ander, kortom, helemaal niet zo heel anders is. Alle vooroordelen, zegt hij, zijn aangeleerd. En wat je aanleert, kun je ook weer afleren. Het gaat mis, zegt Klinefelter, als we muren bouwen in plaats van bruggen. Letterlijke muren, zoals de muur van Trump. Maar er zijn ook papieren muren, en de muren die we hebben opgetrokken in onze hoofden. En eigenlijk, uiteindelijk, doen we dat omdat we bang zijn. Bang dat er niet genoeg is, dat de ander iets van ons inpikt.

Het gaat hier om een specifieke vorm van angst, zegt Klinefelter, waar de Nederlandse taal geen apart woord voor heeft, maar het Engels wél. ‘Fear is wat je voelt als er een leeuw je kamer binnenkomt. Dan moet je maken dat je wegkomt. Maar anxiety is veel subtieler. Dat is wat er optreedt als je hoort dat er een leeuw is ontsnapt uit de dierentuin. Dan ga je je zorgen maken: misschien is de leeuw wel onderweg om je op te eten. En waar moet je dan naartoe? En heb je wel een geweer?’

Die laatste vorm, dat roemruchte ‘lijden dat men vreest’ waar onze oma’s het altijd over hadden, dat is de angst waar politici gebruik van maken. ‘Zij vergroten die angsten en bevorderen exclusiviteit.’

De controlekamer van ons brein wordt als het ware gehackt.

De imperfecte mens

James Doty, professor in de neurochirurgie aan Stanford University, legt uit dat het menselijke autonome zenuwstelsel uit twee delen bestaat.

Enerzijds is er het sympathische zenuwstelsel, dat onze alertheid vergroot. Als dat systeem geactiveerd is, zijn we in vechtmodus. Snelle hartslag, hoge bloeddruk, we staan op spanning, briesend, met stomende neusgaten en trappelende hoeven staan we klaar om de vijand op de hoorns te nemen.

‘Aan de andere kant is er het parasympatische stelsel. Als dat de overhand heeft, zijn we ontspannen, open, meer in contact met de omgeving. De controlekamer van het brein werkt dan optimaal,’ zegt Doty. ‘We zijn beter in staat om herinneringen op te slaan, we zijn creatiever. En attent en aardig.’

Als je ervan uitgaat dat je een conflict moet winnen, gaat dat altijd ten koste van de ander.

Mensen willen graag bij een groep horen, ze houden van hun stamgenoten en beschermen hen tegen indringers. Dat stamt nog uit de tijd dat we op everzwijnen joegen. En door op dat tribale instinct in te spelen, kunnen anderen het sympatische systeem manipuleren. Mensen worden bang en gaan zich wenden tot een autoritaire leider die muren bouwt om hen te beschermen. ‘En wie eenmaal in zo’n angstnarratief zit, is gemakkelijk te verleiden om vreselijke dingen te doen.’

Zoals schelden. Zoals reaguren. Zoals anderen uitsluiten en belachelijk maken. Zoals dreigen. Zoals aanzetten tot haat, zoals wegen blokkeren, zoals wapens trekken, zoals bommen maken, zoals vliegtuigen in gebouwen of vrachtwagens in mensenmassa’s boren. Zoals landen binnenvallen. Angst, zegt Harcourt Klinefelter, is als een virus. ‘De mensen die het verspreiden, weten niet altijd dat ze het doorgeven. En het kan dodelijk zijn.’

‘De aard van de imperfecte mens’ noemt James Doty dit. ‘Als het ego onzeker is, is haat de meest directe weg.’

Maar dan nu het goede nieuws.

Er is een medicijn tegen het angstvirus. Het is gratis en iedereen draagt het bij zich. Nu meteen, er hoeft niet gewacht te worden op een vaccin of een high tech top notch behandelmethode. ‘We hebben een macht die groter is dan een atoombom,’ citeert Klinefelter Dr. King. ‘Een atoombom kan alleen maar vernietigen. Liefde kan het innerlijk van mensen veranderen. Liefde is de enige macht die een vijand kan veranderen in een vriend.’ Klinefelter heft zijn hand en zet een plechtstatige stem op. ‘De liefde laat geen ruimte voor angst,’ declameert hij. ‘Volmaakte liefde sluit angst uit, want angst veronderstelt straf. In iemand die angst kent, is de liefde geen werkelijkheid geworden.’ Hij laat een stilte vallen en glimlacht. ‘Johannes 1 vers 4.’

Morele wortels

Dat betekent niet dat conflicten niet nodig zijn. Sterker: zonder conflicten verandert er niets. Als we altijd maar tevreden waren geweest, leefden we nog steeds in grotten. Dr. King zei: we have to love our enemies, we don’t have to like them. Maar, zegt Jironet: een conflict moet een keerpunt zijn, geen eindpunt. ‘Het simpele feit dat er een conflict is, is niet schadelijk. De vraag is: hoe ga je ermee om? Ik probeer dat te doen zonder oordeel, door naar de pijn van de ander te kijken. Als je ervan uitgaat dat je een conflict moet winnen, gaat dat altijd ten koste van de ander. Terwijl: je hebt die ander nodig, je moet nog verder met elkaar. In het strafrecht betekent dit: niet de straf zelf als eindpunt zien, maar wat daarna komt: deze persoon moet weer terug in de maatschappij – hoe zorgen we dat die terugkeer zo goed mogelijk verloopt? Met willen winnen, met mensen willen breken of overheersen, kom je niet verder. Je uitgangspunt moet zijn: hoe komen we deze tijd zo heelhuids mogelijk door, en hoe gaan we dan verder met elkaar?’

‘Weet je wat ik écht een mooi voorbeeld vind van compassie? Diederik Gommers en Famke Louise bij Eva Jinek.’

Ze haalt Jonathan Haidt aan, hoogleraar ethisch leiderschap aan de New York University. Hij schreef onder meer over de morele wortels van verschillende ideologieën. Iedereen heeft bepaalde morele grondwaarden, zegt hij, die in ons verankerd zitten. Mensen aan de linkerkant van het politieke spectrum vinden het belangrijk om voor anderen te zorgen en op te komen. Hoe meer je opschuift naar rechts, hoe groter het respect wordt voor autoriteit en tradities. Beide partijen proberen elkaar te overtuigen met argumenten, maar dat is volgens de theorie van Haidt onmogelijk. Morele wortels zijn een soort dna, die kunnen niet veranderen.
Dat betekent niet dat er géén oplossing is. De partijen moeten met elkaar in gesprek over hun pijn; in plaats van de woede moeten ze die pijn benadrukken. En de vraag beantwoorden: welke behoefte van mij wordt niet vervuld als jij je zin krijgt? Als jij ‘wint’, wat ‘verlies’ ik dan? Waar ben ik bang voor? En waar ben jij bang voor? Lees ookIn tijden van groeiende polarisatie vestigt filosoof Bart Brandsma zijn hoop op het stille midden8 januari 2019

Bij Black Lives Matter zou dat ongeveer zo gaan, zegt Disa Jironet: ‘Ik ben wit en ik ben bang dat tradities die mij houvast en betekenis geven, zullen verdwijnen.’ ‘Ik ben zwart, en ik word uitgescholden en gediscrimineerd, en dat maakt me verdrietig.’ En dan stellen beide partijen de vraag: ‘Wat kan ik doen om het beter te maken?’

Elkaar nodig hebben

Terwijl Harcourt zijn kop koffie neerzet om even goed na te denken over de vraag ‘Wat is compassie en hoe gaat het de wereld redden?’ kijkt zijn vrouw Annelies op van haar borduurwerkje. ‘Weet je wat ik écht een mooi voorbeeld vind van compassie? Diederik Gommers en Famke Louise bij Eva Jinek.’

Famke Louise deed niet meer mee met de coronamaatregelen en zat aan tafel om te vertellen waarom niet. En toen gebeurde het, zegt ook Jironet, die het voorval net als Klinefelter noemt als hét voorbeeld van compassie: ‘Gommers ging met haar in gesprek, vroeg waar ze nu precies bang voor was, en luisterde naar haar antwoord.’

En het mooie is, zegt ze: het ging niet tussen deze twee mensen alleen, maar om twee grote groepen: ‘de ouwe lullen’ versus ‘de jonge egoïsten’. ‘Met dat gesprek werd eigenlijk indirect de hele jeugd uitgenodigd. Als we íéts geleerd hebben van 2020 is het wel dat we elkaar nodig hebben.’

(tekst loopt door onder afbeelding)Abstracte illustratie bij essay over zachte krachten.

Échte magie

Zelf had compassieprofessor James Doty nou niet bepaald een fijne start in het leven. Zijn vader dronk, zijn moeder lag hele dagen in bed. Het gezin leefde in armoede en was al vele malen uit huis gezet omdat ze de huur niet konden ophoesten.

Toen de kleine Jim op een middag – de plastic duim uit zijn goocheldoos was verdwenen – zijn fiets parkeerde en de lokale goochelwinkel binnenstapte, had hij geen idee dat zijn leven nooit meer hetzelfde zou zijn. De mevrouw van de winkel maakte een praatje met hem. Het was, zou hij zich later herinneren, de eerste keer dat een volwassene vrijwillig met hem praatte, dat het niet een van zijn ouders, een boze leraar, een politie-agent, een schuldeiser of iemand anders was die hem vertelde dat er niets van hem deugde, dat hij nooit iets geweest was en ook nooit iets zou worden.

De vrouw heette Ruth en bood aan om Jim ‘wat échte magie’ te leren waar hij voor de rest van zijn leven profijt van zou hebben. Hij moest dan zes weken lang bij haar in de winkel komen en thuis oefenen. Ook moest hij haar iets beloven: als hij dan eenmaal had geleerd hoe van een vonkje een vlam te maken, moest hij dat op zijn beurt ook weer aan iemand leren. Die het vervolgens ook weer aan iemand moest leren, en zo verder.

Jim schaamde zich voor de gaten in zijn schoenen, maar Ruth zag die niet eens. Die zag alleen een gekwetste jongen.

Jim ging langs, elke ochtend, zes weken lang. Ruth leerde hem zijn lichaam ontspannen en zijn gedachten temmen. Zijn hart openen. Thuis deed hij fanatiek zijn oefeningen. Terwijl zijn ouders ruziemaakten en de televisie stond te blèren, zat hij op zijn kamer met zijn ogen dicht, te visualiseren dat hij een blaadje was. Leerde die nare stemmen in zijn hoofd die hem steeds zo streng toespraken te zien als een dj op de radio, en dat hij die radio zachter – of zelfs uit – kon zetten. Zijn vader dronk nog steeds, moeder was nog steeds ziek, maar hij werd sterker.

Toen ze op school tegen hem begonnen over ‘praktische opleidingen’, zei Jim dat hij dokter wilde worden. Daar moesten ze om lachen, want jongens als Jim wérden geen dokter. Maar hij hield vol en gebruikte zijn mentale goocheldoos – ontspannen, focussen, visualiseren, niet opgeven.

En hij wérd dokter. In 2008 richtte hij het Center for Compassion and Altruism Research and Education op. Dat doet onderzoek naar ‘de zachte krachten’ en geeft ook trainingen aan particulieren en groepen. Met zijn centrum – de Dalai Lama is donateur – geeft hij trainingen en hij reist de wereld over om lezingen te geven. Zo inspireert hij particulieren, directeuren, politici om vanuit liefde te leven en oog te hebben voor anderen.

Zijn belofte aan Ruth om haar lessen door te geven is meer dan ingelost.

Een sneeuwbal met glitters

Een paar zomers geleden zaten mijn vriend Ritzo en ik op een zonnig terras. Een jongen blokkeerde de stoep met zijn geparkeerde fiets, er kon geen kinderwagen of rollator meer langs. Ritzo stond op en tikte de jongen op de schouder. Die aarzelde geen moment en zette meteen zijn fiets ergens anders neer. Eerder, zei Ritzo, vóór zijn ontmoeting met daklozen, zou hij die fiets niet eens hebben zien staan.

De jongen was zich van geen kwaad bewust – een volgende keer denkt hij vermoedelijk wél eerst na voor hij zijn fiets parkeert. En ik ook – net als alle andere mensen die op het terras zaten en hier getuige van waren. Haat en angst mogen dan besmettelijk zijn als een virus, liefde en aardigheid zijn dat ook. Het werkt als een sneeuwbal. Een sneeuwbal met glitters.

De beren op de weg zaten gewoon broodjes te smeren.

Na de enthousiaste verhalen van Ritzo wandelde ik zelf eens mee met voormalig dakloze Iddo als gids. Nog voor we de hoek om gingen, waren Iddo en ik al matties – we houden allebei van taal, van lezen, en hij bleek een connectie te hebben met Suriname, het geboorteland van mijn ouders. Iddo vertelde hoe de wandelingen hem zelfvertrouwen geven, het gevoel dat hij meetelt, een reden om van de drugs af te blijven. Met de mensen die hem voorheen voorbijliepen op straat, ouwehoert hij nu over kunst of muziek. Want die mensen blijken óók van katten en van Prince te houden.

Sinds die wandeling maak ik er bewust een punt van om te glimlachen naar mensen die er in de ogen van anderen wat intimiderend uitzien. Omdat ik denk: die kunnen wel een glimlach gebruiken, misschien is het wel de enige die ze zien op een hele dag. En, vooruit, een klein beetje om zelf minder bang te zijn. Want toen ik laatst tijdens een wandeling een groepje opgeschoten jongens in bomberjacks zag staan met scooters, dacht ik heus wel even: oh-oh. Maar ik haalde diep adem, zette een grote glimlach op en zei op mijn allervriendelijkst: ‘Hoi!’, waarna ze vrolijk en vriendelijk teruggroetten.

De beren op de weg zaten gewoon broodjes te smeren.

Compassiemeter

Allemaal goed en wel, al die liefde en compassie, maar hoe vertalen we dat naar de wereld? Door het te doen, dat voorop. En vervolgens: door het te benoemen. Preach what you practice, zogezegd.

Draai het eens om, zegt Disa Jironet. ‘Stel je eens voor dat een persoon je zo zakelijk en onpersoonlijk zou bejegenen als de instituten dat doen. Met zo iemand zou je toch niet willen omgaan?’

Zij probeert haar steentje bij te dragen, zegt ze, met haar boek, en door vol te houden, door te blijven durven, tegen de heersende normen in. Standvastig blijven, diep ademhalen en haar stem gewoon laten trillen als die trilt. Daar moet je stevig voor in je schoenen staan, geeft ze toe, en de ene keer is het gemakkelijker dan de andere keer. Maar deze levensvisie zit zo diep in haar verankerd, ze gelóóft er zo in dat ze eigenlijk niet anders kan.

Klinefelter doet het met zijn lezingen en trainingen. James Doty met zijn centrum, met zijn boeken en zijn TEDtalks. Hij wil een almanak maken, vertelt hij, een soort compassiemeter voor bedrijven. Hetzelfde wil hij doen voor landen.

Als ik hem vertel over mijn groet- en glimlachmissie, met de disclaimer dat het natuurlijk maar iets heel kleins is, wijst hij me terecht, en ik bedenk me dat hij gelijk heeft – veranderde Doty’s leven zelf niet door één iemand die naar hem keek?

Verzet, schreef Remco Campert, begint niet met grote woorden, maar met kleine daden. ‘Zoals storm met zacht geritsel in de tuin, of de kat die de kolder in zijn kop krijgt.’

Hoe ver we al gekomen zijn

Heb lef, dus, maar ook vertrouwen: houd vol en houd moed. Het is gemakkelijk om te denken dat het geen zin heeft, dat, bijvoorbeeld, de strijd van Martin Luther King zinloos was. Maar kijk, zegt diens perschef, kíjk hoe ver we al gekomen zijn, met een zwarte president in de VS, en nu een vrouw als vicepresident, en ook nog eentje van kleur. ‘Verandering komt en gaat in golven,’ zegt hij. ‘Golven spoelen aan en trekken zich ook weer terug. Dr. King leerde mij dat te accepteren. Hij sprak over het verschil tussen Kronos en Kairos. Kronos is de chronologische tijd, Kairos is de tijd van het geschikte moment. De tijd moet soms rijp zijn voor een golf om aan te spoelen.’

Want, zoals Amy Dixon-Kolar zingt: Rosa sat, so Martin could walk. Martin walked, so Barack could run. Barack ran, he ran and he won, so that all our children could fly.
Uiteindelijk, zegt Klinefelter, moeten we vertrouwen op die golven die heus zullen aanspoelen als het moment dáár is. Individuen zijn weliswaar maar individuen. Maar door op te staan en hun stem te laten horen, kunnen ze systemen veranderen. ‘Niet iedereen kan een Martin Luther King zijn. Maar iedereen kan wél een Rosa Parks zijn.’

Muren zijn van alle tijden, zegt hij, en de geschiedenis heeft laten zien dat die muren meestal maar tijdelijke maatregelen zijn. Neem de Muren van Jericho, neem de Muur van Hadrianus, neem de Berlijnse Muur en het IJzeren Gordijn. Allemaal vielen ze omdat mensen in opstand kwamen. Hij zegt: ‘If we can build walls, we can tear them down.’