De wekelijkse column van Remco Campert (86) in de Volkskrant is steeds vaker somber en gaat vaak over de dood. Maar die zal hem niet hebben, hij houdt hem van zich af door te blijven schrijven (‘watertrappen’).

In november 1952 droomde Remco Campert dat hij zich in een bibliotheek bevond en dat een paar handen hem een omvangrijk boekwerk aanreikten, getiteld American Machinery and Trade. Dat is een titel waar je alleen met tegenzin in gaat lezen, maar Campert veerde al snel op van geluk toen hij merkte dat het niet over Amerikaanse machines ging, maar om een onbekende roman van Vladimir Nabokov, een roman van niet minder dan 19.000 pagina’s. Hij schreef een ‘fanbrief’ aan Nabokov over zijn droom en kreeg een brief terug van Nabokovs vrouw Vera. Ze schrijft dat haar man haar heeft gevraagd hem te bedanken ‘voor uw charmante en zeer onderhoudende brief’ en dat ze dat ‘met het grootste plezier’ doet. Nabokov kon hem zelf niet antwoorden omdat hij het te druk had met zijn twee banen: doceren aan de universiteit en schrijven.

Het is natuurlijk heel aardig om over deze reactie van Vera Nabokov te lezen, maar ondertussen zijn wij wel verstoken van Camperts charmante en zeer onderhoudende brief zelf. Ik begrijp dat hij daar niet mee wil pronken na de vriendelijke woorden van Vera Nabokov, maar het is, zonder dat Campert het wil, alsof je iets heel begeerlijks voorgespiegeld krijgt dat meteen aan je neus voorbijgaat.

Campert blijft in deze recente columns dicht bij de dagelijkse werkelijkheid. Er komt geen fantasie meer aan te pas

Dat we van deze brief verstoken zijn, is te meer zonde omdat Camperts nieuwe boek met zijn columns uit de Volkskrant van vorig en begin dit jaar, Vandaag ben ik een lege kartonnen doos, veel weg heeft van een verzameling avonturen van zijn personage Somberman, ondanks Camperts energieke blik op de foto op het omslag. Verschillende keren moet Campert beginnen met de moedeloze verzuchting ‘Wéér een dag!’, door hem in gedachten uitgesproken terwijl hij de neiging heeft de dekens over zich heen te trekken: ‘Hoeveel dagen van steeds opnieuw beginnen had ik niet achter de rug. Het weer was al weken somber, donkere wolken, regen. Ik ben er gevoelig voor.’

Wat in Vandaag ben ik, en al eerder in een vorige bundel als Mijn eenmanszaak (2010) opvalt, is hoe dicht Campert in deze recente columns bij de dagelijkse werkelijkheid blijft. Er komt geen fantasie meer aan te pas, het gaat om de actieradius van het dagelijkse doen en laten, waar ik ook zijn belangstelling voor ‘de wereld’ en zijn herinneringen onder versta: de actieradius van zijn eigen hoofd. Met ‘fantasie’ bedoel ik dat hij vroeger veel vaker hele of halve denkbeeldige situaties bedacht, zoals in de jaren negentig in bundels als Tot zoens, Graag gedaan, Het bijzettafeltje of Eetlezen. Ik denk aan stukjes als ‘De paraplu’ in Tot zoens, waarin iemand een paraplu wil lenen om een paraplu te kopen. Maar dan zit ik zonder paraplu. Nou dan niet, als het zò moet, enzovoort. Of aan ‘Tuinieren’ in Graag gedaan, over het ineens opkomende verlangen ‘om iets met een tuintje te doen’. Of het briljante ‘Wie, wat?’ in Eetlezen dat helemaal geschreven is aan de hand van gevleugelde uitdrukkingen. Zoals in de dialoog waarin iemand vertelt wat hij zoal in het weekend doet: ‘En in de weekends span ik meestal de boog of ik help moeder de vrouw een beetje door roet in het eten te gooien. Of ik breek wat potjes, want dat kan bij haar. Overigens, dat zal jou interesseren, laatst heb ik met een tang op een varken geslagen. Leuk, ontspannend werk.’

Vandaag ben ik een lege kartonnen doos moet het hebben van herinneringen: aan zijn matrozenpakje, zijn bootje in het Haagsche Bos, zijn verblijf tijdens de oorlog in Epe, de verschillende huizen waarin hij heeft gewoond, Parijs, en zijn huis in Frankrijk dat hij 35 jaar had. En herinneringen aan overleden vrienden als Rudy Kousbroek en Gerrit Kouwenaar. Er wordt veel over het schrijven gedichten nagedacht (‘Een gedicht is een konijn uit een hoge hoed’) en er worden veel gedichten van anderen geciteerd, meestal aan het eind van een column: van Wisława Szymborska, Max de Jong, de Chinees Hanshan, Wordsworth, Lucebert of William Carlos Williams. En de dood duikt vaak op. Hij is vaak ‘boekenmoe’, maar tegelijk jaagt de noodzaak van het zelf willen schrijven hem op: ‘Het opgejaagd zijn heeft te doen met angst voor de naderende dood. Al kan ik me daar niets bij voorstellen, toch ben ik gewikkeld in een race met de dood. Ik wil de dood voorblijven. Zolang ik schrijf leef ik.’

Meer dan anders zit Campert in Vandaag ben ik aan de grond, heeft hij geen ideeën meer (‘ideeloos’), wordt hij overmand door somberheid (‘ik ben somber, want er is te veel dood om mij heen’), en staat hij voor het raam en kijkt onbestemd naar de tuin. Maar hij herstelt zich steeds weer. Hij vertelt een paar keer dat hij bezig is aan een cyclus van wat vijftig gedichten moeten worden onder de titel Levenswandel. Hij weet hoe hij zichzelf kan opjagen en hoe hij een lege kartonnen doos kan vullen.

 

Vandaag ben ik een lege kartonnen doos is uitgegeven door De Bezige Bij.