Zeker, de genomineerden voor de VSB-prijs zijn allemaal goede, gelouterde dichters met een staat van dienst om u tegen te zeggen: Piet Gerbrandy, Sasja Janssen, Hester Knibbe, Alfred Schaffer, Peter Verhelst. Maar waar blijft de nominatie voor de grote belofte, het aanstormende talent, de dichter van de toekomst, waar blijft de nominatie voor Lieke Marsman?
Lieke Marsman (1990) is ondanks haar jeugdige leeftijd al een erg goeie dichter. Drie prijzen kreeg ze voor haar debuutbundel uit 2010, Wat ik mijzelf graag voorhoud, en haar tweede bundel De eerste letter doet er niet voor onder, is misschien nog wel beter, als je je niet laat afleiden door de gedachte dat hij volgt op zo’n daverend debuut. Niet toevallig was ze dit voorjaar de ‘festivaldichter’ op het Amsterdamse Poëziefestival.
Marsmans gedichten zijn gevoelig, introvert en afgrondelijk. Ze dwalen door het menselijke innerlijk en laten onderwijl universele zaken zien. Haar belangrijkste poëtische drijfveren zijn onzekerheid en twijfel. In alle soorten en maten: sociale onzekerheid, levensangst, kleine en grote twijfels, hoe moet je je gedragen, waar vind je houvast. Het is poëzie die uitdrukking geeft aan fundamentele levensvragen. Niet sexy (het woord alleen al!), wel ver van die altoos loerende draak die in de Dichtersberg woont: de babbelpoëzie.
Claustrofobisch
Lieke Marsman drukt haar lezers met de neus diep in de eigenaardigheden van het menselijk bewustzijn, je herkent van alles, denkt: is dat nou iets voor de poëzie, moeten we er niet mee naar een therapeut, maar raakt al lezende overtuigd dat je er ook hier mee terecht kunt.
De hoofdpersoon in deze gedichten, die we wat mij betreft grotendeels met Lieke Marsman kunnen vereenzelvigen, is onmiskenbaar veel met zichzelf bezig, ze weet het van zichzelf, het was zo in Wat ik mijzelf graag voorhoud: ‘We zijn heel stil terwijl ik haast voor het eerst een gedicht schrijf / waarin ik niet begin met enkel “ik”.’ In De eerste letter is het niet anders: ‘Als ik bang was dat ik opeens zou gaan denken dat alles op mij betrekking had / Als alles op mij betrekking had.’
De bundel opent met een veelzeggend angstcitaat van Rilke: ‘en de angst dat ik niets zou kunnen zeggen, omdat alles onzegbaar is’. Ook in Marsmans gedichten proef je hoe claustrofobisch het zou zijn als je je gedachten en obsessies niet zou kunnen uitspreken; zelfs als ze schijnbaar neutraal of opgewekt klinkt, geeft ze zich allerlei opdrachten om overeind te blijven: ‘opzoeken waar op de wereld het op dit moment / het koudst is / te beginnen bij Novosibirsk’. Er spreekt een enorme controledwang uit dit werk, die ook wel eens uitloopt op het soort concretisme dat je bij in zichzelf mompelende zwervers en tegeltellers op straat ziet. Het heelal met zijn eindeloze diversiteit maakt dat ze wakker ligt en wel ‘zo open dat ik mezelf van de randen afduw’.
Kinderangsten
Het zijn vooral kinderangsten die Marsman oprakelt, misschien maakt dat haar werk wel zo fascinerend; hier spreekt een volwassene, natuurlijk, maar eentje die het nog in zich heeft oerangsten puur onder ogen te komen en te benoemen. Je voelt geregeld dat ze dreigt weg te zinken in de eindeloze willekeur van alles, alles kan net zo goed anders zijn en hoe kom je er dus achter waarom dingen en gebeurtenissen zijn zoals ze zijn? ‘en op een andere dag / kijken we naar met het mes op tafel, als het kouder is dan op deze dag / maar vandaag eten we zoutjes’. Je moet wel haast gek worden als je je voortdurend bewust bent van alle alternatieven voor je denken en handelen. Het is een mentaal labyrint waarin ze de weg probeert te vinden.
In een van haar gedichten fantaseert ze vader te zijn van een bang dochtertje dat getroost moet worden: ‘Blijf in het nu. Daar ben ik ook. Misschien ga je denken dat je niets kan, maar uiteindelijk kan je dat wat je wilde, ook als je besluit het niet te doen, omdat het niet gaat.’
In veel van haar gedichten probeert Lieke Marsman zo’n vader te zijn; door tegen zichzelf te praten overwint ze haar angsten, taal is de beste manier om ermee om te gaan, geeft het enige houvast in het grenzeloze universum uit dat benauwde citaat van Rilke: wat als je niets kunt uitdrukken?
Geboren twijfelaarster
Taal, het gedicht, lijkt dus zo’n beetje de voornaamste remedie die deze geboren twijfelaarster en zoekster op de been houdt, zinnen, formuleringen maar soms ook alleen woorden of begrippen: bladerdeeg, schipperstrui, eurovisiesongfestival, cryptogram, wagenpark; in welke context ze ook staan, steeds heb je het gevoel dat het maar een willekeurige greep uit een veel te groot arsenaal is, maar we moeten het er mee doen.
Ook het precies omschrijven van zoiets gewoons als een dag kost al de nodige moeite: ‘er beginnen eindelijk woorden te komen / voor een dag als vandaag’ en dan volgt een moeizame inventarisatie:
Ik bedoel dat ik kan omschrijven
hoe ik in een grote weerklinkende hal
de bast van lichtgekleurde platanen afkrab
of hoe ik drie dagen lang in m’n eentje
verflucht door de hete zomerlucht verspreid
met een kwast met een handvat van plastic
Et cetera.
Ja, denk je na zo’n gedicht, wat is een dag eigenlijk precies? Het is een vraag die Philip Larkin zich al stelde, in ‘Days’: ‘Where can we live but days? // Ah, solving that question / Brings the priest and the doctor / In their long coats / Running over the fields.’ Misschien zou het beter zijn om bij dit soort zaken wezenloos te worden, niet na te denken, geen woorden te zoeken: ‘De mooiste mens is de mens die niet nadenkt; die zichzelf genoeg vertrouwt om geen woorden nodig te hebben in het hoofd bij het zetten van een kopje thee.’ Lieke Marsmans gedichten vormen een soort mentale statiën op weg naar die vanzelfsprekendheid.

In De eerste letter glimpt overigens ook wel degelijk verlossing of zelfs berusting bij al die complexe raadsels, zo eindigt een zoveelste gedachtencluster abrupt met ‘Maar ik heb goed gegeten / en het was lekker.’ Elders hangt ze opeens de doortastende aanpakker uit: ‘Kijk ik kan je niet de hele tijd / met rubber handschoenen aan / naar een nestje dragen’ (…) Er moeten ook meters gemaakt worden’. Dat klinkt ineens behoorlijk stoer en beslist in deze zoekende, tastende gedichten van een hoog-sensitief wezen. Humoristisch ook. Elders spreekt ze dan weer juist het onbedorven kind in zichzelf aan: ‘maar ik heb hier een fleecedekentje neergelegd / en ik leid je er hand in hand naar toe / en het is hier warm / en je bent veilig / oh’.
De vraag luidt: waarom moeten we Lieke Marsman eigenlijk lezen? Wat vermag deze poëzie wat andere poëzie niet vermag?
Welnu, ze schrijft op een toegankelijke wijze mooie, gevoelige, kwetsbare poëzie. Maar die wordt er wel meer geschreven, zeker ook door jonge vrouwen. Het extra zit ’m in Marsmans peuren door lagen van beschaving en alledaagse handelingen naar de grondzeeën van het menselijk bewustzijn. Gelouterde lezers die het gevoel hebben het hele spectrum aan emoties en gewaarwordingen onderhand wel doorlopen te hebben, zien zich bij haar geconfronteerd met een heel eigen en toch zeer herkenbaar zenuwstelsel. Daarbij komt dat de neuroses zijn verpakt in grappige, soms surrealistische anekdotes, losjes verteld maar strak geregisseerd. Over hoe je zoveel mogelijk indruk op iemand kunt maken of tijdens de voordracht van een medeauteur wegzakt in vakantieherinneringen. Hoe een meisje haar minnaar bij volle bewustzijn pijn doet om te zien hoeveel spijt dat oplevert, en hoe een stel alles samen wil doen om steeds verder van elkaar verwijderd te raken. Bezigheden van mensen van nu maar met de diepte van mensen van altijd.
Genoeg reden om met haar in zee, de gedachtenzee, te gaan en als ze zo doorgaat, almaar dieper wroetend in handelingen en bewustwording, op haar toekomstige werk te rekenen. Want Lieke Marsman heeft het in zich om een groot dichteres te worden, goed voor de VSB-prijs, alleen niet dit jaar.
U kunt ‘Wat ik mijzelf graag voorhoud’ van Lieke Marsman hier bestellen.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.