In memoriam
Volgens Hugo Brandt Corstius was Karel van het Reve de beste weerlegging van de theorie dat de mens door zijn milieu bepaald wordt. Was Karel niet veel evenwichtiger en aardiger dan zijn volle broer Gerard? Trouwens, ging hij verder, Karel van het Reve was ook de beste weerlegging van de theorie dat de mens door zijn genen bepaald wordt. Hoeveel onverwachter, irritanter en genialer was Gerard Reve niet?
Dit was een geliefde manier van redeneren voor Brandt Corstius, en niet de slechtste. Al te veel nadruk op zogenaamd vastliggende erfelijke menselijke eigenschappen kon een rode waas voor zijn ogen brengen. Dat er ineens bepaalde genen voor allerlei eigenschappen zouden zijn die je lot bepaalden, dat vond hij onzin. Brandt Corstius noemde degenen die met het ‘misdaadgen’ aan zouden komen ‘De Heren van de Genen’. Waar, vroeg hij zich spitsvondig af, is het gen van de niet-betrapte misdadiger?
Zijn aanval eind jaren zeventig op de plannen van criminoloog Wouter Buikhuisen om onderzoek te gaan doen naar de mogelijke biologische achtergrond van criminaliteit, paste in de tijdgeest die zei dat crimineel gedrag het gevolg was van armoede, ongelijkheid en gebrek aan ontwikkeling. Maar dat was allerminst de reden voor hem om zo tekeer te gaan. Hij wilde niet dat het leven van mensen door één gen, door één oorzaak, door één erfelijke eigenschap zou worden bepaald. Hij was een genetisch pluralist, om het zo te zeggen. De mens was voor Brandt Corstius veel te ingewikkeld om te worden gereduceerd tot wat genen. Hij had zichzelf gemaakt, was niet het product van genen of van opvoeders. Opvoeden deed iedereen zichzelf. Hij was het van harte met Darwin eens dat de mens het resultaat was van een lange evolutie, maar zelf begon hij op 29 augustus 1935, en niet eerder. Brandt Corstius is een goed voorbeeld als men wil weten wat onafhankelijkheid, eigenzinnigheid en eigenwijsheid is, soms op het onuitstaanbare af.
Psychiatrofoob
Brandt Corstius was goed in het mystificeren van zijn motieven. Hij suggereerde jarenlang dat zijn strijd tegen de psychiater Van Dantzig (door hem consequent ‘Poolse Havenstad’ genoemd) was ingegeven door zijn ergernis over de hoogte van het bedrag dat die in rekening had gebracht voor een consult (en door zijn verontwaardiging over het leeghalen van zijn huis, toen hij weigerde te betalen). Maar een minstens zo belangrijke reden was zijn afkeer van psychiaters. Hij was psychiatrofoob, zoals hij zelf zei. Psychiaters waren erop uit al het persoonlijke, karakteristieke en eigenzinnige aan iemand weg te behandelen. ‘Ik ben doodsbang voor heren die menen te weten hoe iemand zich moet gedragen,’ schreef hij in Televisie, psychiaters, computers en andere griezelverhalen.
‘Onvergefelijk stouts’
Tussen alles wat Brandt Corstius gedurende zo’n vijftig jaar aan stukken en columns schreef onder allerlei pseudoniemen, dook van tijd tot tijd een herinnering op die een authentieke indruk maakte en eens geen pesterige fantasie was.
Zoals het verhaal dat hij ‘een keer iets onvergefelijks stouts had gedaan’, te vinden in Mensenarm dierenrijk, zijn boekje over zijn jarenlange (vanaf zijn kindertijd) fascinatie voor mieren. Als puber, zo moeten we begrijpen, was Brandt Corstius op verschillende scholen, waaronder het Utrechts Stedelijk Gymnasium, door zijn onaangepaste gedrag niet altijd te handhaven. Vandaar dat zijn ouders hem een tijdje naar Bergen verkasten om te kijken of het op een Alkmaarse school beter ging.
Hij kwam in huis bij het hoofd van de Bergense Middelbare Meisjesschool, D.J. Daalder. Die redigeerde ook elke week een halve pagina in het Algemeen Handelsblad met gedichten, verhalen en stukjes van middelbare scholieren en studenten. Hugo mocht de envelop met de kopij wel eens op de bus doen. Op een keer opende hij de grote bruine envelop en deed er een eigen verhaaltje bij over mieren. Die zaterdag stond het in de krant.
Taboedoorbrekend
Dat ‘onvergefelijks stouts’ klinkt nu als een verraderlijk eufemisme in het licht van Brandt Corstius’ systematisch grensoverschrijdende manier van schrijven. Het werd zijn gewoonte. Met hem, en met Renate Rubinstein als Tamar, begon in Vrij Nederland de column als persoonlijk avontuur. Daarin werden alle facetten van de eigen persoon verkend en geconfronteerd en getoetst met wat zich voordeed aan andere meningen, waarden, morele standpunten, tradities, stromingen, ideologieën en politieke schandalen. De column werd een arena. Grijs maakte van de column een vrijplaats, een ruimte waarin het elke week kritisch, polemisch en taboedoorbrekend toeging. Die columns werden, met Terzijde en Geknipt voor u, als eerste gelezen.
Grijs was daarin een grillige, pesterige voetzoeker. Tamar was niet minder opiniërend, maar liet haar column samenvallen met alles wat haar bestaan uitmaakte: denken, lezen, vrienden, meningen, liefde en politiek. Het complete leven kwam bij haar aan de orde. Grijs hield zijn persoon achter. Tamar en Grijs raakten maandenlang met elkaar in Vrij Nederland in de clinch, met op de achtergrond het oud zeer van hun korte verhouding (waarbij Grijs de bons zou hebben gekregen). Tamar werd toen door Grijs een ‘neo-antisemiet’ genoemd.
Eichmann
Hoe onverschrokken en zich van niets en niemand iets aantrekkend Brandt Corstius te werk kon gaan, is te zien aan het dankwoord dat hij uitsprak toen hem in 1988 dan eindelijk echt de P.C. Hooftprijs werd uitgereikt. Elco Brinkman, de minister van Cultuur, had de prijs eerder niet willen toekennen omdat Grijs het kwetsen tot gewoonte had gemaakt. Minister Ruding was door Brandt Corstius vergeleken met Eichmann. En wat deed Grijs in zijn dankwoord? Hij wrijft het er nog eens in. In vijf lange zinnen beschuldigt hij Ruding nog eens en eindigt met: ‘Ruding is iemand die, als hij zijn zinnen heeft gezet op een beter betalend baantje in Washington, zijn sollicitatiereizen door de hele wereld laat betalen door de staatskas. Op Eichmann is veel aan te merken, maar dat hij zozeer zijn eigen portemonnee en zijn eigen vooroordelen vereenzelvigde met die van de staat, is mij niet bekend.’ Waarna hij Lubbers, Brinkman en Ruding een Goebbels-geest verwijt en aankondigt dat hij zal ‘doorgaan te trachten de geest van Goebbels uit Den Haag te verdrijven.’
Stilistische brille
Brandt Corstius laat een spoor van meer of minder terechte beledigingen, overdrijvingen en beschuldigingen achter aan het adres van prins Bernhard, Willem Oltmans, Bram Peper, Elco Brinkman, Jacques de Kadt, Aad Kosto, Loe de Jong, Harry Mulisch, Arie Kuiper, Theo van Gogh, Renate Rubinstein, Willem Frederik Hermans en Carel Peeters. Voor een columnist, zei hij, was ‘een flinke hoeveelheid tegenstanders een levensbehoefte’.
Wanneer hij over iets schreef, was er altijd echt iets aan de hand, maar niet altijd zo erg als hij het voorstelde. Toen Rudi Carrell eens van Duitsland naar Nederland overstapte om hier een aantal spelletjesprogramma’s te leiden, viel het hem op, zo zei hij interviews, dat er, anders dan in Duitsland, helemaal geen mensen uit Turkije of Suriname aan deelnamen. Dat was voor Grijs, in zijn hoedanigheid van Stoker in de Volkskrant, reden om de KRO gretig te verwijten zulke kandidaten altijd bewust te weren. De echte reden was dat men zich voor die spelletjes op moest geven, en dat Turken en Surinamers dat niet deden, tot verdriet van de KRO.
Alles en iedereen die in zijn ogen ten onrechte gezag had, kon erop rekenen door Brandt Corstius op een dag te worden aangepakt. Zo zal hij de geschiedenis ingaan: zich vastbijtend in zijn gelijk, maar wel met stilistische brille. Hij kon onbekommerd aankondigen dat hij iemand elke week het vuur na aan de schenen zou leggen, zoals hij deed bij Tamar.
Vooral aan het tellen
Maar bij de herinnering aan de sardonische polemist kan het niet blijven. Brandt Corstius had ook zijn genereuze kanten. Die kwamen naar buiten in alles wat hij over taal schreef, allereerst natuurlijk in zijn boek Opperlandse taal- & letterkunde, het boek waarin hij ‘de taal met vakantie’ liet gaan. Hij heeft daarmee als geen ander de rijkdom en de geheime logica van de Nederlandse taal blootgelegd. Het is nutteloze, maar wel hogere taalkunde die hij dan bedrijft. Je moet talig helderziend zijn om tientallen zinnen te produceren die andersom gelezen precies hetzelfde zijn.
Die lyrische kant uitte zich ook in de uitbundige steun aan een klein aantal schrijvers. Hij kon dan ook verliefd op ze worden, zoals op Charlotte Mutsaers toen ze Hazepeper had geschreven. Maar ook Nabokov, Toergenjev, Flaubert, Dick Hillenius, Gerrit Komrij, Alan Turing, Karel van het Reve, Rudy Kousbroek en natuurlijk Multatuli kregen zo’n bejegening. Vanaf 1982 was hij van plan een biografie over Multatuli te schrijven, maar die is nooit afgekomen. Hij wilde het over het tweede deel van Multatuli’s leven hebben, te beginnen in 1859 als hij in Brussel Max Havelaar aan het schrijven is. Multatuli’s jaren vóór die tijd interesseerden hem niet.
Toch is er iets eigenaardigs aan Brandt Corstius’ steun aan die door hem geliefde schrijvers. Wanneer hij over ze schrijft, bijvoorbeeld in de bundel Vrijdag? Dit moet cultuur zijn, is hij vooral aan het tellen: hoeveel brieven schreven ze, hoeveel vrienden hadden ze, hoeveel boeken lazen ze, hoeveel jaren waren ze bezig? Zijn bewondering betreft louter hun stijl. Het gaat nooit over iets inhoudelijks. Dat doet er eigenlijk niet toe. Wat vond hij zo bijzonder aan Toergenjev? Waarom las hij zo graag Flaubert? Het staat nergens. Hij zei Frans Kellendonk te bewonderen, iemand met een ‘miraculeuze beheersing van de Nederlandse zin’. Maar waar Kellendonk het in zijn romans over had, dat kon hem niet schelen. Wanneer Brandt Corstius een boek besprak, viel het stuk altijd tegen. Hij had er grote moeite mee om op de inhoud van het boek in te gaan. Hij vond altijd een uitvlucht om het over andere zaken te hebben. In het verliefde stuk over Charlotte Mutsaers gaat het nauwelijks over haar of over het boek.
Schild
Brandt Corstius ging wel altijd recht op zijn doel af, maar hij was ook iemand die zich leek te verschuilen achter zijn virtuoze omgang met de taal en zijn radicale politieke en polemische standpunten. Persoonlijk werd hij niet gauw. Brandt Corstius had het schild van de logicus en polemist voor zich.
Hij had wel een scherp en afgewogen inzicht in de mogelijkheden en beperkingen van kunstmatige intelligentie en computers, een onderwerp waar toch een flink deel van zijn leven mee werd gevuld in zijn hoedanigheid van hoogleraar taalkunde en computers. Hij voorspelde in 1965 internet, Google en Wikipedia: iedereen, schreef hij, zou worden aangesloten op het ‘denknet’, een ‘intelligentieleiding’ die verbonden was met een krachtige nationale computer. Dat zou net zo vanzelfsprekend worden als de gas- en waterleiding. ‘Nationaliseer het denkvermogen. Het mechanische denkvermogen behoort gemeenschappelijk bezit te zijn,’ schreef hij.
Maar we moesten niet denken dat we van deze technische vooruitgang compleet andere mensen zouden worden: ‘De meest essentiële menselijke zaken blijven zoals ze altijd waren, daarom zijn ze essentieel.’ De mens moest een origineel en grillig wezen blijven.
Nee
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.