Eigenlijk zou de Tweede Kamer deze week debatteren over de parlementaire omgangsvormen, die er de laatste tijd niet beter op zijn geworden. Steeds vaker wordt in het parlement gescholden en gedreigd, met als pregnant voorbeeld FvD-Kamerlid Pepijn van Houwelingen die D66’er Sjoerd Sjoerdsma bedreigde met een tribunaal: ‘Uw tijd komt nog wel!’.

Het was vertrekkend coronaminister Hugo de Jonge die de kat de bel aanbond, toen hij in zijn afscheidsinterview in Vrij Nederland alarm sloeg over de verruwing van de politieke cultuur. Als we niet uitkijken zou het ‘allesverzengend gif’ van het wantrouwen vanuit de Tweede Kamer kunnen doorsijpelen naar de samenleving.

Lees ookHugo de Jonge: ‘Het gaat nu over een nieuwe bestuurscultuur, maar ik wil het hebben over een nieuwe politíéke cultuur’7 januari 2022

Helaas moest de poging tot zelfreflectie wijken voor de actualiteit: het debat werd uitgesteld vanwege de Russische inval in Oekraïne. In de wandelgangen viel op te vangen dat die beslissing niet louter door de volle agenda werd ingegeven. Het zou ook ‘niet goed zou voelen’ als het parlement met zichzelf bezig zou zijn ‘terwijl de wereld in brand staat’. En zo werd de cruciale exercitie weer op de lange baan geschoven, want eerst moet de Kamer nog met reces.

Te hopen valt dat de parlementariërs hun vrije weekje gebruiken om flink bij zichzelf te rade te gaan. Achter de hand beklagen Kamerleden zich al maanden over Kamervoorzitter Vera Bergkamp, die geen orde zou kunnen houden waardoor onruststokers als Van Houwelingen hun zalige gang kunnen gaan. Maar ze zouden er beter aan doen te bedenken wat ze er zelf eigenlijk aan doen.

Op Vera Bergkamp valt vast van alles aan te merken, maar dat ontslaat de Kamer niet van de verantwoordelijkheid de hand in eigen boezem te steken.

Over de verruwing van de parlementaire cultuur wordt al jaren gesproken, zonder dat de Kamer er ooit een ook maar enigszins bevredigend antwoord op heeft geformuleerd. Zo werd in 2007 een twee jaar durend traject van Parlementaire Zelfreflectie in gang gezet, dat nauwelijks tot concrete veranderingen leidde. En ook nu verwijzen de meeste Kamerleden liever naar wat anderen aan de parlementaire cultuur moeten doen, dan naar hun eigen rol.

Terwijl je zou zeggen: dien de onruststokers zelf krachtig en spitsvondig van repliek, als je vindt dat ze te ver gaan. Dat werkt een stuk beter dan je beklag doen bij de voorzitter, zoals nu veel te vaak gebeurt, of zelfs de voorzitter de schuld geven van ontsporingen in het debat. Op Vera Bergkamp valt vast van alles aan te merken, maar dat ontslaat de Kamer niet van de verantwoordelijkheid de hand in eigen boezem te steken.

toenemend dedain

Als de verruwing in het parlement ter sprake komt in de pers, wordt vaak verwezen naar een voorval in 2019, toen Thierry Baudet de opvattingen van Kamerlid Hanke Bruins Slot over de relatie met Rusland met enig misprijzen ‘schattig’ en ‘naïef’ noemde. De CDA-politica gaf hem meteen een onverwachte veeg uit de pan: ‘Ik wil wel even duidelijk maken dat ik pelotonscommandant in Uruzgan ben geweest en dat ik daar een pantserhouwitser heb afgeschoten,’ verklaarde ze op barse toon. ‘Toen zat de heer Baudet in een studeerkamer en was ik militair!’

Bruins Slot werd alom geprezen om haar stevige optreden – tevens de eerste en enige keer dat ze opviel tijdens haar langdurige Kamerlidmaatschap – maar eigenlijk is het een treurig gegeven dat je ruim drie jaar terug moet om in de hele Kamer een voorbeeld van een geslaagde repliek op Baudets plaagstoten te vinden.

Geen wonder dat rebelse figuren als Baudet en Van Houwelingen zich alleen maar bevestigd voelen in hun toenemende dedain voor de gevestigde partijen. Baudet koestert inmiddels zo’n minachtig voor de ‘makke schapen’ in het parlement en het kabinet dat hij zich steeds meer laat gaan, vooral op de sociale media. Zo noemde hij minister van Buitenlandse Zaken Wopke Hoekstra van de week op Twitter nog vanwege diens steunverklaring aan Oekraïne ‘acteur, poseur, nitwit, clown’.

Twitter

Deze dienst is alleen beschikbaar wanneer alle cookies zijn geaccepteerd

Wijzig cookie voorkeur

Chic is het allemaal niet, maar de gevestigde politiek heeft zulke beschimpingen ook aan zichzelf te wijten.

Voor Geert Wilders, die in tegenstelling tot Baudet niet zijn neus optrekt voor het parlementaire handwerk, geldt hetzelfde. Al jaren zet de PVV-leider de toon in vrijwel ieder belangrijk debat, en wat hij zegt, hoe buitensporig ook, wordt zo onmachtig weersproken dat zijn opvallend trouwe aanhang alleen maar kan denken: dan zal hij wel gelijk hebben.

Het parlementaire debat is misschien gebaat bij scherpere regels – zo worden dreigementen volgens het Reglement van Orde niet expliciet genoemd als reden voor de voorzitter om in te grijpen – maar dat is niet genoeg. Politiek moet ook spektakel zijn, om de aandacht en het respect van de kiezer vast te houden. Politici van gevestigde partijen zouden er goed aan doen de ‘geur van wilde beesten’ te verspreiden, zoals wijlen Hans van Mierlo het ooit noemde, en het gevecht met de uitdagers aan te gaan, in plaats van de voorzitter de schuld te geven van het vacuüm dat ze zelf laten ontstaan.