Bij Plato komt de democratie er niet goed vanaf. Volgens de Griekse filosoof is het volk niet in staat om zelf te leiden en zal het ook slechte leiders kiezen. Het zal slechts haar eigen verlangens najagen, hetgeen zal uitmonden in zo’n verschrikkelijke chaos dat alleen een tiran de orde nog kan herstellen – waarmee de democratie in haar tegendeel komt te verkeren. Plato’s conclusie: laat het regeren over aan lieden die er verstand van hebben, aan filosofen zoals hijzelf.
Een chaos is het nog niet in de westerse democratieën, maar het afgelopen jaar, na het onverwachte ‘nee’ bij het Oekraïnereferendum, de massale steun voor de Brexit en de verkiezing van Donald Trump, grijpt de twijfel over de democratie rap om zich heen. Nieuwe politieke partijen als GeenPeil, de Piratenpartij en het Forum voor Democratie eisen meer directe zeggenschap voor de burger. En er zijn denkers die het hele systeem op de schop willen nemen – door loting, zoals de Vlaamse auteur David van Reybrouck, of door alleen goed geïnformeerde burgers te laten stemmen, zoals de Amerikaanse filosoof Jason Brennan.
Een goed moment om te peilen hoe jongeren denken over de democratie. In opdracht van Vrij Nederland deed I&O Research onderzoek naar de veranderende democratische opvattingen onder jongeren tussen 18 en 25 jaar. IJkpunt was het ‘Onderzoek jongeren en democratie’, dat tien jaar geleden in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken werd verricht. De uitkomsten zijn alarmerend en roepen om actie.

Vond in 2007 nog 43 procent van de jongeren dat Nederland zich in de verkeerde richting ontwikkelde, nu is dat 57 procent. Eén op de vijf jongeren verwacht dat Nederland tijdens zijn of haar leven in een dictatuur verandert. En bijna de helft – 48 procent – vreest dat er tijdens zijn of haar leven oorlog uitbreekt in Nederland. Onder ouderen zijn die percentages beduidend lager: zo is van de 65-plussers niet meer dan 17 procent bang dat er hier te lande oorlog zal uitbreken. Onderzoeker Peter Kanne van I&O Research wijst erop dat jongeren nu opgroeien in een angstiger wereld dan tien jaar geleden: sindsdien greep de financiële crisis om zich heen, bracht de vluchtelingenstroom uit het Midden-Oosten grote onzekerheid, schokten terroristische aanslagen in Parijs, Brussel en Berlijn het vertrouwen en kregen overal in Europa populistische partijen de wind in de zeilen. ‘Geen wonder dat jongeren pessimistischer zijn over de toekomst.’
Kloof
Bij het Sociaal en Cultureel Planbureau verdiept politicoloog Paul Dekker zich al decennia in veranderende opvattingen over politiek en samenleving in Nederland, onder meer in het Continu Onderzoek Burgerperspectieven. ‘Oudere generaties zijn opgegroeid met het idee dat de Europese samenwerking een einde heeft gemaakt aan de oorlogen in Europa,’ zegt hij. ‘Maar jongeren groeien op in een tijd waarin er steeds openlijker over wordt gesproken dat de Europese Unie ook uit elkaar kan vallen, en waarin terroristische aanslagen steeds dichterbij komen. Na de aanslagen in Parijs zei François Hollande zelfs dat Frankrijk in oorlog is. Voor jongeren wordt de oorlogsdreiging steeds reëler, zij het in een andere vorm.’
Jongeren groeien nu op in een angstiger wereld dan tien jaar geleden. ‘Geen wonder dat ze pessimistischer zijn over de toekomst.
Die angst werkt door in het stemgedrag. In 2007 koos 26 procent van de jongeren nog voor de SP, nu overweegt 27 procent op de PVV te gaan stemmen: de partij die het hardst ageert tegen de islam en het terrorisme (zie kader.) In het onderzoek noemt 39 procent van de jongeren de dreiging van terrorisme als een belangrijke factor in hun keuze voor een politieke partij. Per saldo zijn jongeren in het afgelopen decennium duidelijk naar rechts opgeschoven (zie kader).
Bijna driekwart van de jongeren zegt ook ‘niet zo veel’ of ‘helemaal geen’ vertrouwen in politici te hebben. Met het vertrouwen in de traditionele media is het nog slechter gesteld. In 2007 zei 57 procent ‘niet zo veel’ of ‘helemaal geen’ vertrouwen te hebben in de pers, inmiddels is dat 78 procent.
‘We zien al jaren dat het vertrouwen van jongeren in de media daalt,’ zegt Paul Dekker van het SCP. ‘Jongeren zijn veel minder gericht op traditionele media en veel meer op internet. Daar gaan veel verhalen rond over nieuwsberichten die niet kloppen of media die niet te vertrouwen zijn.’

Opvallend genoeg is het vertrouwen van jongeren in de werking van de democratie als zodanig de afgelopen tien jaar niet gedaald. Gemiddeld geven de jongeren de democratie op een schaal van 10 nog steeds een 6,2. Maar de verhoudingen zijn gepolariseerd: een fors percentage van de hoogopgeleide jongeren – 32 procent – geeft de democratie een acht of hoger, terwijl 39 procent van de laagopgeleide jongeren de democratie juist een vijf of lager geeft (zie kader). Daarmee wordt een groeiende kloof tussen hoog- en laagopgeleide jongeren zichtbaar, die op allerlei terreinen doorwerkt. Bijvoorbeeld in de opvatting over het accepteren van de mening van anderen. Uit het onderzoek blijkt dat die kernwaarde van de democratie door jongeren nog steeds massaal wordt gedeeld, maar er is een accentverschil: van de hoogopgeleide jongeren zegt 99 procent het ermee eens te zijn, van de laagopgeleide jongeren 87 procent.
Grote steun onder jongeren voor de PVV
De opvallendste verschuiving in de politieke voorkeur van jongeren sinds 2007 zijn de tanende aanhang van de SP (van 26 naar 5%) en de grote steun voor de PVV (van 7 naar 27%). Onder oudere kiezers leeft die tendens in veel mildere mate: van de 65-plussers zegt maar 8% op de PVV te zullen stemmen. Jongeren vervullen in electoraal onderzoek een ‘seismografische functie’: zij vertonen vaak radicaler stemgedrag. De traditionele brede volkspartijen PvdA en CDA lijken hun steun onder jongeren bijna helemaal te zijn kwijtgeraakt. Na vier jaar regeren met Rutte is de PvdA gezakt van 14 naar 4%. Het CDA, in 2007 nog de tweede partij onder jongeren, moet het doen met een magere 1%.
Politieke voorkeur van jongeren van 18 t/m 25
| 2007 | 2016 | |
| VVD | 10% | 10% |
| PvdA | 14% | 4% |
| PVV | 7% | 27% |
| SP | 26% | 5% |
| CDA | 11% | 1% |
| D66 | 3% | 7% |
| ChristenUnie | 7% | 3% |
| GroenLinks | 5% | 7% |
| SGP | 2% | 4% |
| Partij voor de Dieren | 2% | 2% |
| 50Plus | 1% | |
| VNL | 1% | |
| DENK | ||
| Piratenpartij | 2% | |
| Forum voor de Democratie | ||
| GeenPeil | 1% | |
| Nieuwe Wegen | ||
| Andere partij | 1% | |
| Ik zou niet gaan stemmen | ||
| Blanco | 2% | |
| Weet ik (nog) niet | 10% | 21% |
| Wil ik niet zeggen | 1% | 3% |
De kiezer toetsen
Een opvallende bevinding van het onderzoek is dat jongeren niet alleen vinden dat politici tekort schieten, maar ook de kiezers, onder wie dus zijzelf of hun leeftijdgenoten. Een flink percentage van de jongeren vindt de politiek te ingewikkeld om echt te kunnen begrijpen wat er aan de hand is: ‘regelmatig’ zegt 20 procent (was 17 procent in 2007), ‘vaak’ zegt 11 procent (was 2 procent in 2007). Daaruit zou kun je kunnen concluderen dat politici er onvoldoende in slagen helder uit te leggen wat van belang is, maar ook dat jongeren vinden dat ze zélf onvoldoende zijn geëquipeerd om politieke kwesties goed te begrijpen. Op dat laatste wijst een bevinding uit het onderzoek die misschien wel de verrassendste is: een zeer groot deel van de jongeren vindt dat kiezers getoetst moeten worden voor ze mogen stemmen. 41 procent van de jongeren vindt het een goed idee dat kiezers eerst worden getest op hun kennis van wat speelt in de samenleving, en 36 procent meent dat kiezers eerst getoetst moeten worden op hun kennis van democratie. Deze uitkomst is des te opvallender, omdat ouderen half zo vaak vinden dat jongeren eerst getoetst moeten worden voor ze mogen stemmen. Ook hier speelt het verschil tussen hoog- en laagopgeleid een rol: gemiddeld vinden hoogopgeleide jongeren zo’n toets vaker een goed idee dan laagopgeleide (zie kader).

Ook Peter Kanne van I&O Research vindt het grote animo voor een toets vóór je mag stemmen een verrassende uitkomst. ‘Als jongeren in hun eigen omgeving rondkijken, zien ze veel leeftijdgenoten die het zelden over politiek hebben en vooral met andere dingen bezig zijn, zoals uitgaan, hun opleiding of hun werk. Dan denken ze misschien: dat díé allemaal zomaar mogen stemmen! Het gaat dus ook meer over die ander dan over zichzelf, een fenomeen dat we vaker zien in onderzoek.’
De opvatting van jongeren over een toets sluit aan bij wat de Amerikaanse politiek filosoof Jason Brennan in november in Vrij Nederland betoogde: het probleem van de democratie ligt vooral bij de kiezers, die vaak slecht geïnformeerd zijn. In zijn boek Against Democracy pleit Brennan voor ‘epistocratie’: een regeringsvorm waarbij de stem van beter geïnformeerde kiezers zwaarder telt. Zo ver gaan de jongeren in het onderzoek van I&O Research niet, maar hun intuïtie is dezelfde: kiezers moeten zich beter informeren voor ze hun stem uitbrengen en mogen daar zelfs op worden getoetst.
Zorgelijk
Hessel Nieuwelink, lerarenopleider en onderzoeker aan de Hogeschool van Amsterdam, promoveerde in 2016 op de ontwikkeling van denkbeelden over democratie onder jongeren. Voor zijn proefschrift ‘Becoming a democratic citizen’ deed hij intensieve interviews met een groep vmbo-leerlingen en een groep vwo-leerlingen met een tussenpoos van twee jaar. Volgens hem bevestigt het onderzoek van I&O Research wat hij zelf ook vaststelde: onder jongeren is het vertrouwen in de democratie als staatsbestel niet tanende, maar de kloof tussen hoog- en laagopgeleide jongeren groeit.
‘Aan de leerlingen zelf ligt het niet: uit zichzelf hebben ze tamelijk genuanceerde denkbeelden over de democratie. Het probleem is dat het onderwijs tekort schiet. De mogelijkheden die scholen hebben om leerlingen positieve ervaringen met democratie op te laten doen, bijvoorbeeld door ze te laten discussiëren over de samenleving of ze te laten participeren in besluitvorming, worden onvoldoende benut. Vooral op vmbo-scholen wordt er veel te weinig aandacht aan besteed.’
Ze willen wel in democratie geloven, maar hun twijfel aan het functioneren ervan is substantieel en zorgelijk. Als de democratie niet vernieuwt, gaat het straks goed mis.
Dat hoger opgeleide jongeren volgens het onderzoek van I&O Research vaker voorstander zijn van een toets voor je mag stemmen, is volgens Nieuwelink te verklaren uit de vooroordelen van hoogopgeleide jongeren over laagopgeleide jongeren. ‘Als vmbo’ers op school ook nog eens veel minder ervaring opdoen met de democratie, worden de verschillen alleen maar groter.’
Jongeren willen kortom wel in democratie geloven, maar hun twijfel aan het functioneren ervan is substantieel en zorgelijk. Als de democratie zichzelf niet vernieuwt, gaat het straks goed mis.
Te weinig
Op verzoek van Vrij Nederland legde Edwin Kip, docent maatschappijleer aan het Veenlanden College in Mijdrecht en Vinkeveen, de vragen uit het onderzoek van I&O Research voor aan de vijfde klas van het atheneum, de vijfde klas van de havo en de vierde klas van de mavo. Kip was getroffen door de toewijding waarmee de vragen werden beantwoord.
De uitkomsten bleken per opleidingsniveau aanzienlijk te verschillen. Van de 72 havo- en vwo-leerlingen zeiden er drie op de PVV te willen stemmen: ruim 4 procent. Van de 25 mavoleerlingen waren dat er negen, dat wil zeggen 27 procent. Nog een verschil per opleidingsniveau: in de havo- en vwo-klas vond meer dan de helft dat kiezers moeten worden getoetst op hun kennis van democratie en samenleving voor ze mogen stemmen (respectievelijk 54 procent en 61 procent), in de mavo-klas vond maar 28 procent dat een goed idee.
Christian van Kesteren, docent maatschappijleer aan Mavo Muurhuizen in Amersfoort, nam de vragenlijst af bij een vijfde klas van de havo. Zijn leerlingen bleken, net als die uit Mijdrecht, wél vertrouwen te hebben in de democratie, maar minder in de kiezer: meer dan de helft bleek voorstander van een toets voor je mag stemmen. Van Kesteren wijst op een groot onderliggend probleem dat het verschil in democratische opvattingen tussen de verschillende opleidingsniveaus kan verklaren. Zijn havoleerlingen krijgen veel meer les in maatschappijleer – twee jaar lang vier uur per week – dan de leerlingen op de mavo en het vmbo: daar moeten ze het doen met één jaar twee uur per week.
‘Dat is absoluut te weinig,’ zegt hij. ‘Terwijl juist kinderen met een lager opleidingsniveau veel meer onderwijs over de democratie nodig hebben dan hoger opgeleide kinderen, omdat ze thuis minder kennis over democratie en samenleving meekrijgen.’
Gepolariseerd denken over democratie
Gemiddeld geven jongeren de manier waarop de democratie werkt in Nederland hetzelfde cijfer als in 2007: een 6,2. Maar de meningen zijn gepolariseerd: toen gaf 22% nog een cijfer van 5 of lager, nu 28%, terwijl 14% toen een 8 of hoger gaf, en nu 19%. Opvallend is ook het verschil tussen hoog- en laagopgeleid: 32% van de hoogopgeleide jongeren geeft de werking van de democratie nu een 8 of hoger, tegen 7% van de laagopgeleide jongeren. Van de hoogopgeleide jongeren geeft 20% de werking van de democratie een vijf of lager, van de laagopgeleiden is dat maar liefst 39%.
Jongeren schuiven naar rechts
Jongeren zijn in tien jaar naar rechts opgeschoven. Zo zien ze het zelf ook. In 2007 noemde 37% zichzelf links en 29% rechts, nu zegt 28% zich als links te beschouwen en ziet 40% zich als rechts. Ook hier tekent zich een verschil af tussen hoger en lager opgeleide jongeren: van de hoger opgeleiden vindt 40% zichzelf links, van de lager opgeleiden 21%.
Ontluisterend
Het blijkt een landelijk probleem. De afgelopen jaren is door politici en beleidsmakers uitvoerig gesproken over de noodzaak om op scholen meer aandacht aan burgerschap te besteden. Stichting Prodemos jaagt 25 schoolklassen per dag door de Tweede Kamer om ze kennis te laten maken met de parlementaire democratie. Er werden minimumeisen geformuleerd waar burgerschapsonderwijs op scholen aan moet voldoen; de invulling daarvan wordt aan de scholen zelf overgelaten om, zoals dat heet, ‘maatwerk’ te kunnen bieden. Maar in de praktijk komt daar veel te weinig van terecht omdat scholen geplaagd worden door bezuinigingen en onderbezetting. De Inspectie voor het Onderwijs constateerde afgelopen jaar in haar verslag ‘De staat van het onderwijs’ dat de meeste scholen weliswaar voldoen aan de wettelijke minimumeisen, maar dat er weinig zicht is op de kwaliteit van het burgerschapsonderwijs. ‘Slechts een gering aantal scholen evalueert de kwaliteit en niet veel scholen hebben inzicht in de sociale en maatschappelijke competenties die leerlingen verwerven. De inspectie stelt keer op keer vast dat het burgerschapsonderwijs op veel scholen weinig planmatig is, dat concrete leerdoelen ontbreken en dat onduidelijk is in hoeverre het onderwijs aansluit bij wat leerlingen nodig hebben.’
Een ontluisterend beeld komt ook naar voren uit de documentaire Maatschappijleer, die vorig jaar door de VPRO werd uitgezonden. Daarin laat Laura Hermanides zien hoe een jonge docent maatschappijleer enthousiast probeert zijn leerlingen burgerschap bij te brengen door ze actuele discussies te laten voeren, mee te nemen naar een asielzoekerscentrum, uit te dagen, te provoceren, maar hij komt jammerlijk in botsing met de bureaucratie en oudere docenten die gedesillusioneerd een saai curriculum afwerken.
Voor docenten maatschappijleer Edwin Kip en Christian van Kesteren is het een herkenbaar beeld: onderwijs in burgerschap vergt veel meer dan klassikaal een verplicht lesje opdreunen. ‘Les in burgerschap zou moeten gaan over ontplooiing,’ zegt Kip. ‘Voordat jongeren gaan stemmen, zouden ze veel meer moeten leren over mensbeelden, over filosofie en levensbeschouwing, zodat ze leren discussiëren, andere meningen respecteren, en ontdekken dat verschillen erbij horen. Zo worden ze volwaardige burgers in de democratie.’
Waarmee we terug zijn bij Plato en zijn argument tegen de democratie, dat alleen kan worden weersproken door dagelijks onderhoud, door betrokken burgerschap voortdurend te stimuleren. En dat begint op school. Laat jongeren méér doen dan tekstjes copy-pasten van het digibord. Geef ze de tijd en de ruimte om zelf ideeën over de democratie te ontwikkelen. Doe dat vooral niet alleen op het vwo, maar júíst op de mavo en het vmbo. En durf met de democratie te experimenteren, zoals David van Reybrouck bepleit.
Het zijn de jongeren zelf die erom vragen, zoals het onderzoek van Vrij Nederland en I&O Research laat zien. Als jongeren nog steeds massaal in democratie willen geloven, maar zich niet meer kunnen vinden in de oude structuren, zit er maar één ding op: we moeten als de bliksem op zoek naar nieuwe democratische vormen.
Doe de Stemtoets!
Een opvallend hoog percentage van de jongeren – 41% – is het eens met de stelling dat mensen eerst moeten worden getoetst op hun kennis van wat er in de samenleving speelt voor ze mogen stemmen. Ter vergelijking: in de leeftijdsgroep tussen 50 en 65 is dat 22%. Ruim 36% van de jongeren vindt dat wie wil stemmen eerst ook getoetst moet worden op kennis van de democratie. Hoogopgeleiden (26%) vinden dat vaker een goed idee dan laagopgeleiden (22%).
Hoe zo’n toets vóór je mag stemmen eruit moet zien?
Test je kennis van de democratie: vn.nl/magikstemmen
Verantwoording
Dit onderzoek is in opdracht van Vrij Nederland uitgevoerd door Peter Kanne en Laurens Klein Kranenburg van I&O Research. Aan het onderzoek, uitgevoerd van 16 t/m 19 december 2016, namen 2.850 Nederlanders van 18 jaar en ouder deel, van wie 262 personen van 18 t/m 25 jaar. Basis van de steekproef was het I&O Research Panel. De onderzoeksresultaten zijn na herweging conform de Gouden Standaard van het CBS op geslacht, leeftijd, regio, opleidingsniveau en stemgedrag bij de Tweede Kamerverkiezingen van 2012 representatief voor alle Nederlandse inwoners (18+). IJkpunt was het ‘Onderzoek jongeren en democratie’, in 2007 in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken uitgevoerd door Bureau Veldkamp (tegenwoordig Kantar Public), waaraan 792 personen van 18 t/m 25 jaar deelnamen.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.