Liefdesverklaringen mogen van alle tijden zijn, door de eeuwen heen hadden ze verschillende vormen: brievenschrijver Isaac uit 1761 is ‘zo heet als vuur’, Annie M.G. Schmidt ‘zou je het liefste in een doosje willen doen’.

Verliefdheid is zo’n ondubbelzinnige aanval op lichaam en geest, zo zonder omwegen één op één, dat er juist omwegen nodig zijn om een beetje adequaat onder woorden te brengen wat er aan de hand is. Rechtstreekse woorden (‘Ik hou van jou’) kunnen in hun eenvoud en duidelijkheid goede diensten bewijzen, maar om iets van de sensatie van de verliefdheid op te roepen zijn ongebruikelijke vergelijkingen nodig. Dan komen de verrassende kanten van verliefdheid pas tot hun recht.

In De taal der verliefden vergelijkt Roland Barthes de mentale capriolen die een minnaar maakt met ‘een ietwat wilde sport.’ Het gedrag van de verliefde verloopt zo volgens een bepaald patroon, dat hij het vergelijkt met gymnastiekoefeningen of balletchoreografie. Je zou dit wat prozaïsch kunnen noemen, maar het is in alles duidelijk dat De taal der verliefden voor Roland Barthes een boek was waarin hij op een quasie afstandelijke manier juist de meest intieme emoties prijs wilde geven.

De verliefde is een ezel die op alles ja zegt.Toen Fragments d’un discours amoureux in 1977 in Frankrijk verscheen wisten we nog niet wat we nu weten door de publicatie van zijn dagboeken: hoe Barthes zijn hele leven met liefde en verliefdheden worstelde. Door middel van teksten van verliefde schrijvers of ontboezemingen van personages uit romans portretteert Barthes alle emoties, gevoelens, hunkeringen en verlangens van de figuur, van het fenomeen ‘minnaar’. Er wordt geput uit het werk van Goethe (met een hoofdrol voor de ongelukkige Werther), Proust, Victor Hugo, Benjamin Constant, Rousseau, Baudelaire, Freud, Plato (Symposium) en Nietzsche. Barthes’ minnaar kan zich niet zo maar baden in het genot van de liefde, want er is altijd wel wat. Dat is goed te zien aan de lemma’s waaronder de fragmenten zijn geordend: ‘Verbergen’, ‘Vervelend’, ‘Ellende’, ‘Wachten’, ‘Uitwegen’, ‘Onkenbaar’, ‘Smachten’, ‘Overgevoeligheid’, ‘Huilen’, ‘Onverdraaglijk’. Natuurlijk zijn er ook rooskleurige hoofdstukjes als ‘Omhelzing’, ‘Ontwaken’ en ‘Saamhorigheid’, maar zorgelijkheid speelt de hoofdrol (‘Fouten’, ‘Demonen’, ‘Doling’, ‘Alleen’). Aan de hand hiervan zou je kunnen concluderen dat de verliefdheid in zorgelijke staat verkeert. Maar beter is in De taal der verliefden een hoogstpersoonlijke bloemlezing van Barthes te zien waarin hij probeert via allerlei omwegen te ontkomen aan het cliché van de liefde. Toch ziet hij verliefdheid tegelijk als een herhaling van hetzelfde (‘geen enkele liefde is oorspronkelijk’). En hij wil niet af van de heilige domheid die met verliefdheid samengaat, ‘de domme wartaal’ die de verliefde uitslaat. De verliefde is een ezel die op alles ja zegt.

Met de klok mee: Roland Barthes, Adriaan Morriën en Matthijs Vermeulen. Foto’s: Wikimedia

Is geen enkele liefde oorspronkelijk zoals Roland Barthes beweert? Iemand die op dat moment niet verliefd is kan dat misschien zeggen, maar een verliefde is (in zijn staat van licht of zwaar delirium) nauwelijks in staat om anders over zijn toestand te denken dan als volstrekt eenmalig en oorspronkelijk. Hij kan misschien een lichte ironie combineren met een zware verliefdheid, maar wil die verliefdheid meer zijn dan een bevlieging dan zal hij/zij zich er helemaal in moeten storten.

Dat blijkt ook uit het boek met ‘de mooiste liefdesverklaringen van de middeleeuwen tot nu’ dat Annemieke Houben heeft samengesteld onder de titel Ik wou uw voeten wel soenen. Hier is weinig zorgelijks aan de hand met de liefde, integendeel, hier wordt de mooiste domme wartaal geschreven. Zoals door E. du Perron wanneer hij schrijft dat hij er zeker van is dat hij altijd van zijn Bep zal houden, ‘zelfs als je een bochel kreeg.’ Of de door Marianne Petter, eind achttiende eeuw, in een brief aan haar jeugdliefde Bosman die het inmiddels tot roverhoofdman heeft gebracht. De liefde is weer opgelaaid: ‘O Godt, gy zyt de beschikker van smenschen lot, ik val op mij knie voor u. Schenk my verstant en wysheit om zoo een trouwe ziel te beminne als myn Waarde Bosman is.’

Zij moet hem maar eens ‘openhertig’ schrijven want hij is nu ‘zo heet als vuur’. Maar het kind dat hij bij haar verwekte wilde hij niet erkennen.Houben vat de liefdesverklaring ruim op door niet alleen verliefde brieven op te nemen, maar ook fragmenten uit romans (Julia van Rhijnvis Feith, Een liefde van Lodewijk van Deyssel) en zelfs krantenberichten. In de oudste verklaringen gaat het natuurlijk om schone jonkvrouwen om wie veel geleden, gesmacht en gezucht wordt. Dat gebeurt min of meer volgens een liefdesetiquette. In de tijd dat analfabetisme eerder regel dan uitzondering was werden verliefden bij het opstellen liefdesverklaringen geholpen door professionele briefschrijvers. Zulke brieven verdwijnen doorgaans in het zwarte gat van de geschiedenis, maar een enkele komt terecht in een archief van een stad, vaak als bewijsmateriaal bij een proces. Maar ook bijna onbegrijpelijke zelf geschreven epistels zijn daar te vinden. Zoals van de geile Isaac Valckenaer die in 1761 zijn ‘teerbeminde Nanci’ schrijft dat hij naar haar verlangt ‘als een vis naar ‘t water’. Zij moet hem maar eens ‘openhertig’ schrijven want hij is nu ‘zo heet als vuur’. Maar het kind dat hij bij haar verwekte wilde hij niet erkennen.

In de achttiende eeuw ontstonden speciale brievenboeken met voorbeelden van brieven en zinnen die effect zouden kunnen sorteren. Zoals: ‘De bekoorlykheden uwer Schoonheid hebben my zodanig van myn eige hart berooft, dat het geheel het uwe is, gelyk myne gehoorzaamheid.’ In de negentiende eeuw werden volksalmanakken waarin de tijden van trekschuiten en de diligences werden vermeld worden opgeluisterd met fictieve liefdesbrieven, bij voorkeur in dialect: ‘Ik zeg het nog ens: ik vergoa as de snee veur de zon wanneer ik ou niet kriegen kan. Kind, ik zal ou eeuwig liefhebben as je mien hebben wilt. Ik zal ou aon mien hart drukken en draogen deur vuur en waoter.’

Al die liefdesverklaringen tot en met de negentiende eeuw hebben een hoog curiositeitsgehalte. Het is meer geschiedenis dan literatuur wat je leest. Dat is wel anders in de afdeling gewijd aan de twintigste en eenentwintigste eeuw. De gedichten en romanfragmenten van Judith Herzberg, Rutger Kopland, Gerrit Komrij, Hans Andreus, Herman de Coninck, Anton Korteweg, Patricia de Martelaere, Willem Brakman, K. Michel, en Annie M.G. Schmidt (het gedicht met de zin ‘Ik zou je het liefste in een doosje willen doen’) lees je vooral om het literaire gehalte van de liefdesverklaring.

Hiertussen vallen twee brieven op: die van de componist Matthijs Vermeulen die na de dood van zijn vrouw nog een jaar lang brieven aan haar schreef (‘Jij, met je speurende, feilloos getekende, scherpzinnige, intelligente, mathematische neus.’). De andere is van Adriaan Morriën uit De Lotusbrieven, het boek dat als voorbeeld kan dienen van een verliefdheid die epistolair tot superieure literatuur werd: ‘Ik ken alle momenten van je blik en de fijnste overgangen en gradaties van je glimach. Je hebt een verzamelaar van mij gemaakt. Ik verzamel alles wat van jou is.’ Daar had Roland Barthes in zijn De taal der verliefden zijn voordeel mee kunnen doen.

Ik wou uw voeten wel soenen van Annemieke Houben is uitgegeven door Thomas Rap.