Vincent van Gogh en de Noorse schilder Edvard Munch zijn wel in één tentoonstelling in het Van Gogh Museum te zien, maar hoeveel hebben ze eigenlijk gemeen, behalve dat Van Gogh voor Munch een inspiratie was?
Edvard Munch bewoog zich maar voor de helft in de werkelijkheid. Ook al reisde hij heel wat af, was hij in Berlijn, Venetië, Parijs, Oslo of waar dan ook te vinden, hij was altijd maar voor een deel aanwezig. Er zat altijd een nerveuze spanning in hem die maakte dat hij in zichzelf opgesloten bleef en de buitenwereld beschouwde als iets dat bij hem naar binnen wilde dringen. De titels van zijn schilderijen zijn daar duidelijk over: Vampier, Jaloezie, Angst, Schreeuw. De gezichten die hij schilderde drukken veelal angst en verbijstering uit, alsof ze oog in oog staan met een afschuwelijk monster. Zoiets was het leven voor Munch dan ook.
De gezichten die hij schilderde drukken veelal angst en verbijstering uit, alsof ze oog in oog staan met een afschuwelijk monster.
Wanneer Munch een portret van iemand schilderde was hij voortdurend zelf aan het woord in een soort monoloog over zijn onvermogen om te leven. Bij het schilderen van het portret van een van zijn mecenassen in Berlijn, Harry graaf Kessler, zei hij dat hij zich maar het beste op zijn kunst kon concentreren want de kunst van het leven verstond hij niet: ‘Er komt een tijd dat je bij jezelf zegt: het leven moet zijn gang maar gaan, ik heb wel wat beters te doen. Leven is wat iedere ambtenaar kan.’ Munch improviseerde zich door het leven.
Net als Van Gogh kon Munch goed onder woorden brengen wat hem bewoog. Zoals in zijn brieven aan Tulla Larsen, een van de geliefdes met wie hij een slepende verhouding had. Zelfs wanneer het erop leek dat alles tussen hen goed en zonovergoten was ‘straalde dat geluk mij slechts toe als door een kier van een deur,’ schrijft hij, ‘een deur die mijn donkere cel van de grote danszaal van leven en licht scheidde: – Ik ving, lieve Tulla, slechts aan glimp op van het wonderbaarlijke verschrikkelijke leven – Maar een glimp was het – En misschien was ik gelukkiger zonder die glimp.’
Zo is de geestesgesteldheid van Munch meestal. In vergelijking met de energieke en ontvlambare Van Gogh was Munch een permanent geïrriteerde somberaar. Van Gogh had zijn sombere buien, maar bij Munch was het chronisch. Van Gogh zag zonnebloemen waar Munch spoken zag.
Dat de Parijse kunsthandelaar Thadée Natanson in 1897 de invloed van Van Gogh op Munch beschreef was niet onterecht, maar het heeft er wel voor gezorgd dat ze sindsdien voortdurend met elkaar in verband zijn gebracht, tot en met de huidige tentoonstelling in het Van Gogh Museum. Maar Van Gogh en Munch: dat zijn twee werelden die elkaar weliswaar raken door hun expressionistische heldere kleurgebruik, maar die inhoudelijk en schildertechnisch niets met elkaar uitstaande hebben.

In de catalogus staan wel braaf verwante schilderijen naast elkaar, maar de overeenkomst gaat nauwelijks verder dan het onderwerp: Van Gogh en Munch die allebei de sterrennacht schilderen, waarbij goed te zien is hoeveel krachtiger de sterrennacht van Van Gogh is. Van Gogh en Munch die allebei het kreupelhout in een bos schilderen, waarbij opvalt dat Van Gogh met zijn pasteuse brede-stippentechniek een enorme variatie aan kleurnuances weet aan te brengen, terwijl je op Munchs Lente in het iepenbos vooral de wilde penseelstreken ziet die niet tot een eenheid samenvloeien. Munch schilderde net als Van Gogh een oude man, maar de stilistische afstand tussen de twee is zo groot dat ze niet veel met elkaar te maken hebben. Het huis met de rode wingerd van Munch behoudt naast Van Goghs Gele huis zijn eigen allure, maar de overeenkomst is alleen dat het om twee huizen gaat, verder gaat de verwantschap niet.

In zijn beste schilderijen neemt Munch afstand van Van Gogh. Dan gaat hij even teder als robuust te werk met een brede, golvende penseelstreek. Een mooi voorbeeld van een totaal verschillende schilderstechniek – Van Gogh pasteus pointillistisch, Munch dun opgebrachte brede streken – zijn de twee schilderijen van vrijende paartjes, Van Goghs Tuin met geliefden, Munchs Vrijende paartjes in het park. Wat hebben deze schilders met elkaar, anders dan het onderwerp dat Munch bijna als een hommage aan Van Gogh ontleende? Die brede golvende penseelstreek paste Munch ook toe op Meisjes op de brug, De dans des levens, Melancholie, Verse sneeuw in de laan en, op zijn best, in Vruchtbaarheid, het schilderij waarop een boer en boerin aan weerzijden van een appelboom staan te midden van een uitbundige hoeveelheid reuzenbladeren. Het wit van de lucht, de witte arm van het overhemd, het groen en het rood van de vruchten, het is op de rand van kitsch, maar als eenheid sterk.
Misschien moet je bij deze tentoonstelling van een heilzame verwarring spreken. Wanneer je naar Van Gogh kijkt zie je een heel andere wereld dan die van Munch. Van de een naar de ander switchen is van een levensbevestigende schilder overgaan naar een die er noodgedwongen aan deel moet nemen. Bij Van Gogh geen in zichzelf opgesloten voor zich uit starende figuren. Bij Van Gogh geen vrouwen die zowel staan voor het overwinnen van de dood door het wonder van de geboorte, als voor vampiers die het leven uit Munch willen zuigen. Bij Van Gogh geen anonieme mensen die je met grote schrikogen aankijken in een donkere straat.

Bij geen enkel schilderij van Van Gogh heb je bedenkingen, bij Munch ben je met jezelf aan het argumenteren waarom een schilderij toch heel goed kan zijn. Zoals in het geval van de zelfportretten, waarvan Munch er zestig in zijn lange leven (1863-1944) maakte. Zelfportret met fles wijn, Zelfportret met sigaret, Zelfportret met palet zijn stuk voor stuk ongenaakbare schilderijen, waarvan alleen Zelfportret met sigaret geen arrogante uitstraling heeft. Het hooghartige Zelfportret met palet past niet naast Van Goghs schuchtere Zelfportret als schilder uit 1887-88. Het is alweer alleen maar hetzelfde onderwerp en de identieke compositie, maar verder hebben ze alleen het krachtige kleurgebruik gemeen.
Als tentoonstelling is Munch : Van Gogh een uitnodiging tot deliberaties over wat je al vergelijkend van ze denkt en vindt. Van Gogh overrompelt je steeds weer door zijn spontane trefzekerheid. Munch fascineert omdat hij zelfs zover ging dat hij opzettelijk lelijk ging schilderen omdat hij eigenlijk een hekel had aan het leven. Zoals op het late zelfportret Tussen de klok en het bed (1940-43). Het is geklieder en toch goed. Munch kon in schilderijen krassen alsof ze straf verdienden. Daar kon hij desondanks grote hoogte mee bereiken: op het schilderij Amor en Psyche zijn de lichamen van de man en de vrouw half overgeschilderd, half uitgewist met verticale kleurige strepen. Daardoor, en door de droevige rode ogen van de vrouw, is het een uiterst heftig schilderij dat in verschillende kleuren lijkt te bloeden.
Tegelijk met de tentoonstelling in het Van Gogh Museum in Amsterdam verscheen bij Meulenhoff de biografie Munch door Atle Naess.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.