Om tot zijn Gedachten over onze tijd te komen staat Tommy Wieringa onder andere op een mooie, nevelige zaterdagochtend op het voetbalveld waar zijn oudste dochter in het doel staat. Naast dat veld wordt een andere wedstrijd gespeeld van een ploeg waarvan Wieringa een paar jongens kent omdat ze op de school van zijn dochter zitten.
Voor een van hen heeft hij een zwak: ‘Een gevoelig, eenzelvig kind. Er is iets onbeschermds aan hem, alsof hij zonder schil ter wereld is gekomen. In zijn team, heb ik van een van de vaders gehoord, is hij de pispaal. Het is een woord dat ik slecht verdraag, het zou niet in één adem met een kind genoemd mogen worden.’
In de tweede helft roept de trainer de jongen bij zich: ‘En nou ga je jagen, anders wissel ik je.’ De jongen knikt ernstig, doordrongen van zijn taak, hij wil niet worden gewisseld.
Wieringa maakt dan een sprongetje om bij zijn gedachte over onze tijd te kunnen komen: ‘Het is de trainer menens. Hij vertegenwoordigt de wereld, hij is de wereld zelf; hij heeft de bevoegdheid om onaangenaam tegen de jongen te doen en hem te vervangen wanneer hij wil. Het is een harde wereld, die van deze man, begrijpt de jongen. Hij zal zijn best doen geen pispaal meer te zijn: ‘Gaandeweg zijn leven zal hij zijn innerlijk pantseren en proberen zijn gevoelens te laten afsterven. Om bij de wereld te horen, zal hij erop moeten gaan lijken.’ Zijn verbijstering over de wereld zal de jongen ‘leren verbergen achter onverschilligheid, of, als dat niet genoeg is, achter bitter cynisme. Maar zijn diepe verlegenheid zal er niet door verdwijnen, niet werkelijk – ondergronds zal die hem altijd vergezellen.’
nulsomspel
Een jaar later, wanneer Wieringa De meeste mensen deugen van Rutger Bregman heeft gelezen, dringt tot hem door dat hij, ook al had hij oog voor de verlegen jongen op het voetbalveld, zelf het nodige van die trainer in zich heeft. Aan de ene kant probeerde hij zijn dochters op te voeden als ‘altruïstische, compassionele burgers’, aan de andere kant hanteerde hij ongeremd het ‘rivaliteitsprincipe’: ze werden ‘grootgebracht als geharde kapitalisten, bedreven in het nulsomspel – mijn geluk is jouw ongeluk.’
Het lezen van De meeste mensen deugen leidde bij Wieringa tot het Rilke Moment: hij ging zijn leven veranderen, gevolg gevend aan de aansporing die Rilke doet aan het slot van zijn gedicht over de volmaakte torso van Apollo: ‘Du must dein Leben ändern’ wil er nog iets terecht komen van de eigen onvolmaakt.
Door het boek van Bregman begreep Wieringa opeens ‘waarom het kapitalisme in zijn volheid een infantiel economisch systeem is, gesymboliseerd door kinderhanden die naar hetzelfde grijpen.’ Het restant van de opvoeding van zijn kinderen ‘zal in het teken staan van samenwerking en compassie, en de melk der menselijke goedheid.’
rugby
Dit ziet er natuurlijk wat al te mooi als een bekering uit. Zo eenvoudig laat zich dat rivaliteitsprincipe niet in de schaduw dringen. Dat moet op een of andere manier gecompenseerd worden. Het is daarom goed te weten dat Wieringa een rugbyspeler is en dat zijn dochters de overstap van voetbal naar rugby zullen gaan maken. Daar zal het ‘geharde kapitalisme’ gesublimeerd worden, daar worden rivaliteit, geweld en concurrentie omgezet en geadeld in cultuur, in ritueel geweld: ‘Sommig geweld adelt je.’
Deze overwegingen over verlegen jongens, het lezen van verhelderende boeken en het veranderen van je leven, geven aan Gedachten over onze tijd een interessante kant: hier wordt de wereld gezien vanuit de positie van een zorgzame, alerte vader, iemand die je niets hoeft te vertellen, want hij is van alle wereldse ellende én van haar zegeningen op de hoogte: van het belang van een goede school voor zijn dochters tot de ten hemel schreiende techbureaucratie van het ‘digitaal surveillance-instrument’ van de overheid bekend als Systeem Risico Indicatie (SyRI, ‘een dark web in overheidshanden’).
Tussen alle stukken die een misstand aankaarten duiken van tijd tot tijd oases op waarin Wieringa niets te klagen heeft.
Wieringa is wereldwijs, komt nog eens in andere landen, is niet vies van enige zelfbeschouwing (’niemand kan een mens uit één stuk zijn’) en trekt consequenties uit het feit dat hij kinderen heeft. Dat geeft al zijn ergernissen een nuchtere ondergrond: ‘wie kinderen heeft, is verplicht ruimte te laten voor hoop.’ Een hoop die bijvoorbeeld ver af staat van ‘de kinderloze ondergangspredikers Fortuyn, Wilders en Baudet.’
eigen verdorvenheid
In sterk op de concrete werkelijkheid leunende columns zoals Wieringa ze schrijft duiken vanzelf goede en slechte voorbeelden op die voor een grotere misstand (of juist zegen) staan. Zo’n ‘goed’ voorbeeld in Greta Thunberg die voor velen aanstootgevend is omdat ze ons een onaangename waarheid voorhoudt.
Volgens Wieringa is juist haar onschuld zo confronterend: ‘Andermans onschuld confronteert je met je eigen verdorvenheid. In plaats van je over je eigen morsige ziel te buigen, is het comfortabeler om het vertrouwen in goede trouw en zuivere intenties in zijn geheel op te zeggen. Wat overblijft is doods cynisme.’
Een ‘slecht’ voorbeeld is Anousha Nzume. Die schreef over ‘culturele toe-eigening van blanke, welvarende mensen’, die ze consequent aanspreekt met ‘lieve witte mensen’. Wanneer je je eigen blanke superieure positie niet voortdurend kritisch onderzoekt ben je volgens haar onderdeel van ‘institutioneel racisme.’
Wieringa dacht terecht dat het bij ‘institutioneel’ om de overheid ging, maar nee, ook als je je van geen kwaad bewust bent ben je een racist. Wieringa noemt dit ‘kolderieke kletspraat’ en ‘een pervers verlangen naar slachtofferschap.’
niets te klagen
Tussen alle stukken die een misstand aankaarten, duiken van tijd tot tijd oases op waarin Wieringa niets te klagen heeft. Zoals wanneer hij Stockholm bezoekt en niet voorbereid is op ‘de koele schittering’ van de stad. Hij ziet ‘volmaakt onderhouden gebouwen en mensen. Geen stoeptegel zit los, iedereen is even mooi.’ Je krijgt gevraagd en ongevraagd hulp, je kaartje wordt vriendelijk geknipt.
Een andere oase is voor hem de toespraak die Angela Merkel hield over de kunst in coronatijd. Ze sprak de kunstenaars aan met ‘lieve kunstenaars’ en beloofde hen ruim tegemoet te komen.
Tommy Wieringa is allerminst zo’n verlegen jongen zoals hij op het voetbalveld gadesloeg.
Een oase van nog andere soort is die waarin Wieringa het heeft over een niet bij naam genoemde filosoof die in Frankrijk een afgelegen plek zoekt waar hij niet gestoord zal worden, door wat dan ook, ook niet door vliegtuigen. Hij vindt die plek uiteindelijk in de Dordogne en Wieringa’s gedachten gaan regelmatig naar hem uit. Hoezo? Omdat hij zelf prooi is van de dagelijkse hectiek, en lezer van boeken als De onbewoonbare aarde van David Wallace-Wells, die daarin schrijft dat ‘de planeet aarde binnen de duur van een leven naar de rand van de afgrond is gevoerd.’
Of Wieringa wordt met de neus op de feiten gedrukt door het lezen van het verhaal ‘Het glazen abattoir’ van John Coetzee. Daarin doet zijn personage Elizabeth Costello het voorstel om op het stadsplein een glazen abattoir te plaatsen zodat de mensen kunnen zien wat er elke dag in zo’n vleesfabriek gebeurt.
Tommy Wieringa is allerminst zo’n verlegen jongen zoals hij op het voetbalveld gadesloeg. Maar hij weet wel ongeveer wat er in hem omgaat. Zoals de trainer voor de onbarmhartige wereld staat, zo staat de jongen voor de minder assertieve soort die een Tommy Wieringa nodig hebben zodat we weten dat ze bestaan. En misschien wel niet op rugby gaan.
Gedachten over onze tijd door Tommy Wieringa is uitgegeven door De Bezige Bij.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.