In de grote hal van het Tropenmuseum klinkt een donderende ovatie als Angela Davis, de beroemde zwarte activiste uit Amerika, het podium bestijgt. Het is de openingsmanifestatie van Moving Together: Activism, Art and Education, een week in mei van debatten, workshops, muzieksessies en lezingen over antiracisme en ‘intersectioneel feminisme’ in Amsterdam.
Hoofdgast Angela Davis werd wereldberoemd toen ze in 1970 werd opgepakt door de FBI als ‘gevaarlijke terrorist’ omdat ze medeplichtig zou zijn aan de ontvoering met dodelijke afloop van een rechter: over de hele wereld werden demonstraties georganiseerd om de radicale activiste vrij te krijgen. Een jaar daarvoor probeerde toenmalig gouverneur Ronald Reagan haar te laten ontslaan bij de University of California vanwege haar lidmaatschap van de communistische partij. Ze groeide uit tot icoon van de Civil Rights Movement, vooraanstaand feministisch wetenschapper en de laatste jaren tot heldin van een nieuwe generatie activisten, ook aan deze kant van de Oceaan.
De bijna achthonderd plaatsen in de zaal van het Tropenmuseum zijn al weken uitverkocht. Driekwart van de bezoekers is van kleur: veel jonge zwarte vrouwen met uitbundige afrokapsels, geïnspireerd door de haarstijl die door Angela Davis zelf bekend werd, jonge zwarte mannen in gesoigneerde Black Panther-outfits, compleet met zwarte coltruien en lange leren jassen. Voor de dialoog over ‘Radicale Solidariteit en Intergenerationele Coalities’ zijn feministische en antiracistische activisten van alle generaties op komen draven.
Op een van de eerste rijen zit feministe Anja Meulenbelt, schrijfster van De schaamte voorbij uit 1976 en inmiddels steunpilaar van Bij1, de nieuwe partij van Sylvana Simons. Maar ook Ebissé Rouw is er: een van de oprichtsters van ‘Dipsaus’, de podcast ‘door en voor vrouwen van kleur’, evenals de Amerikaans-Liberiaans-Nederlandse columniste Clarice Gargard en de anti-Zwarte Piet-activisten Quinsy Gario en Jerry Afriyie.
In de reusachtige, stampvolle ruimte is maar één oudere witte man in pak te vinden: de directeur van het Tropenmuseum die ook even komt kijken. Massaal aanwezig zijn studenten van nieuwe antiracistische platforms als University of Colour, Amsterdam United en New Urban Collective. Achterin de zaal staat Mitchell Esajas, medeoprichter en voorzitter van New Urban Collective, gehuld in Malcolm X-shirt toe te kijken terwijl de sprekers één voor één het podium betreden.
Dekoloniseren
Openingsspreker is de Jamaicaanse wetenschapper Wayne Modest, bijzonder hoogleraar aan de Vrije Universiteit en hoofd van het Research Center for Material Culture van de drie volkenkundige musea in Nederland, die jonge zwarte activisten heeft betrokken bij het ‘dekoloniseren’ van de collectie van het Tropenmuseum. ‘Sommige mensen vinden dat musea culturele instituties zijn en geen politieke,’ zegt hij. ‘We beg to disagree.’
Dan is de beurt aan Nawal Mustafa, die met haar ouders uit Mogadishu naar Nederland vluchtte en vertelt dat ze in Nederland nooit als persoon wordt aangesproken, maar altijd als moslim óf als zwarte vrouw, als Nederlander óf als Somaliër – ‘my body is a battleground’ – terwijl ze zelf juist niet tussen al die identiteiten wil kiezen. Er klinkt groot applaus. Maar echt gejuich klinkt pas tijdens de speech van Olave Basabose, die zichzelf op sociale media omschrijft als ‘zwart, veganist, non-binaire trans femme, queer, feminist en verbeten romanticus’.
In een lyrische donderpreek trekt ze – in het Engels – van leer tegen het ‘imperialistische, kapitalistische, cis-hetero-normatieve, white supremacist, ableist patriarchaat waar we in leven’. Ze roept op om ‘onze woede’ te bundelen om ‘het systeem’, dat gebouwd is op ‘massa-onderdrukking, plundering, uitbuiting en vernietiging’, dit ‘onzalige verbond’ van ‘global white supremacy’ tot de grond toe af te branden. Ook de universiteit, betoogt de zwarte activiste, ‘kan niet worden gedekoloniseerd zonder haar te vernietigen.’ Basabose zegt zelfs de verleiding te voelen van geweld tegen de onderdrukking: ‘The oppression of the oppressor has a ring to it, doesn’t it, it holds a kind of promise: the promise of retribution and perhaps, of justice.’
‘De Nederlanders zéggen dat we allemaal gelijk zijn, maar hoe zit het met de moslims en zwarte mensen?’
Stormachtig applaus klinkt op in de grote zaal. En opnieuw als Angela Davis zelf achter het katheder plaats neemt, al voor ze een woord heeft gesproken. In haar speech prijst ze het werk van Philomena Essed, schrijfster van Alledaags racisme uit 1984, en Gloria Wekker, bekend van haar boek Witte onschuld uit 2017, die het racisme in Nederland al decennia aan de orde proberen te stellen.
Bij eerdere bezoeken, voor het laatst vijftien jaar geleden, merkte Davis nog dat Nederlanders het onbewuste racisme nog maar nauwelijks onder ogen wilden zien. Maar dat is veranderd, zegt ze: ‘Het is goed om te zien dat zich in dit land een discussie ontvouwt over white innocence en Nederlands racisme.’ Maar er is nog een lange weg te gaan: ‘De Nederlanders zéggen dat we allemaal gelijk zijn, maar hoe zit het met de moslims en zwarte mensen?’ De worsteling om daar iets aan te doen, besluit Davis, ‘is net zo belangrijk als de strijd tegen de Apartheid in de jaren tachtig.’
Onversneden racistische reacties
Het activisme aan de Nederlandse universiteiten heeft de afgelopen jaren de wind in de zeilen gekregen. Die trend was moeilijk denkbaar geweest zonder het debat over Zwarte Piet dat sinds 2010 hevig is opgelaaid. Aanvankelijk leken zwarte activisten als Quinsy Gario en Jerry Afriyie nog alleen te staan in hun poging om Zwarte Piet als racisme aan de kaak te stellen, maar toen ze op televisie bijval kregen van Sylvana Simons en Anousha Nzume kwam er langzaam meer begrip voor het activisme, vooral door de stortvloed van onversneden racistische reacties die ze over zich heen kregen.
Opeens kwamen de boeken van Philomena Essed en Gloria Wekker weer in de belangstelling, ook buiten het academische circuit. Aan de universiteiten kwam de echte omslag pas in 2015, bij de bezetting van het Maagdenhuis. De studenten verzetten zich daar niet alleen tegen het ‘rendementsdenken’ van het universiteitsbestuur, maar eisten ook radicale democratisering, meer aandacht voor diversiteit en ‘dekolonisatie’ van de academie: het aanpassen van het door ‘witte’ en ‘eurocentrische’ denkbeelden beheerste curriculum. Het nieuwe activisme kreeg vleugels, met als voorlopig hoogtepunt de massaal bezochte bijeenkomst met Angela Davis in het Tropenmuseum.
Terwijl het activisme van de ‘social justice warriors’ opvlamde, klonk ook steeds heviger kritiek. Als ‘witte onschuld’ niet bestaat, zijn alle witte mensen dan eigenlijk schuldig? Hoe ver zou de ‘dekolonisatie’ moeten gaan? En wat betekent dat voor het academische debat?
In mei verklaarde de Britse socioloog Frank Furedi in Vrij Nederland dat ook aan Nederlandse universiteiten naar Amerikaanse voorbeeld op de golven van ‘identity politics’ een hypergevoeligheid is ontstaan voor opvattingen die als kwetsend zouden kunnen worden ervaren. Daardoor, stelde hij, dreigt het vrije debat te worden gesmoord in naam van het creëren van ‘safe spaces’, vaak op aandrang van activistische studenten.
Hoog tijd om in te zoomen op die nieuwe activisten zelf, aan en rondom de universiteiten. Wie zijn ze, wat beweegt ze, en hoe ver willen ze gaan?
Gedomineerd door witte mannen
Het valt niet mee om de activisten van University of Colour, het meest radicale antiracistische studentenplatform in Amsterdam, te spreken te krijgen. Na lang aandringen via Facebook Messenger en telefoon zijn er twee die willen praten, maar op voorwaarde dat hun echte namen niet in het artikel worden vermeld. Het wantrouwen jegens de ‘mainstream media’ zit diep. Bovendien zijn ze bang dat ze door reaguurders worden belaagd als hun identiteit in de openbaarheid komt.
Uiteindelijk verschijnen ze op een Amsterdams terras: ‘Lila’ en ‘Elena’, zoals ze zich voor de gelegenheid laten noemen. Ze zijn beiden 25, studeren literatuur en waren in 2015 betrokken bij de oprichting van University of Colour, waar ze nog steeds actief voor zijn. Lila, die ook aanwezig was in het Tropenmuseum bij Angela Davis, heeft een Arubaanse achtergrond, Elena is kind van witte ouders, een van hen woonde op Curaçao.
Met hun modieuze zomerjurkjes en Ray Ban-zonnebrillen zien ze er bepaald niet uit als traditionele activisten. Ze willen in het Engels worden geïnterviewd – al spreken ze beiden Nederlands. Hun vloeiende Amerikaans is doorspekt met termen uit de Amerikaanse antiracismebeweging en het internationale academische debat over ‘intersectionaliteit’, het begrip dat werd gemunt door zwarte feministen: de complexe verhouding tussen gender, klasse, ras, etniciteit en andere identiteiten.
Ze bestellen cava en groentesap, delen een salade met humus en gestoofde biet, en zeggen dat ze bezwaar maken tegen het gebruik van de term ‘radicaal’ voor hun platform: ‘Dat is een beladen kwalificatie in het huidige politieke klimaat die onze organisatie criminaliseert.’ Wél zien ze zichzelf als radicaal volgens de definitie van ex-Black Panther Angela Davis: ‘Radicaal betekent simpelweg dingen bij de wortel aanpakken.’
‘Het eurocentrische denken zit diep. Bij filosofie kregen we bijvoorbeeld alleen college over westerse filosofen.’
Ze vertellen dat hun activisme begon bij de bezetting van het Maagdenhuis, nu drie jaar geleden, toen ze Gloria Wekker uitnodigden om te komen spreken over ‘de dominante witheid van de universiteit’. ‘Dat was ons starting moment,’ zegt Lila. ‘Toen hebben we met een groepje studenten University of Colour opgericht, omdat we vonden dat de universiteit veel te weinig deed aan diversiteit en de dekolonisatie van het curriculum.’
Elena: ‘Wij geloven niet in een single issue struggle. Wij kiezen voor een holistische benadering. We willen niet alleen het racisme bestrijden, maar ook vooroordelen over seksualiteit en gender. Het is niet genoeg om alleen meer mensen van kleur aan de universiteit te benoemen. Dat is een neoliberaal idee. Dan verander je alleen de poppetjes en niet het systeem. Het eurocentrische denken zit diep. Bij filosofie kregen we bijvoorbeeld alleen college over westerse filosofen.’
Lila: ‘Bij sociale wetenschappen en literatuur kregen we ook bijna alleen maar boeken van witte auteurs te lezen. Het hele curriculum wordt gedomineerd door witte mannen. White privilege en colonial attitudes manifesteren zich continu. Daar moeten we vanaf.’
Microagressions
Al in de eerste maanden na de oprichting drongen de activisten van University of Colour met een aantal andere studentenorganisaties aan op de instelling van een Diversiteitscommissie aan de UvA, die het gebrek aan diversiteit en het al dan niet bewuste racisme aan de universiteit in kaart moest brengen.
De commissie kwam er, onder voorzitterschap van niemand anders dan Gloria Wekker. Verschillende activisten, onder wie Lila, werkten mee aan het rapport onder leiding van hun idool, dat in 2016 verscheen.
Bij het onderzoek bleek dat ruim een derde van de staf en de studenten getuige was geweest van discriminatie, en dat zo’n tien procent het zelf had meegemaakt. Tijdens tientallen interviews van Lila en haar mede-onderzoekers met studenten en docenten werd een reeks voorvallen opgediept van violent humor (gewelddadige humor), explicit othering (als ‘de ander’ worden aangeduid), en micro-agressions (onbewuste kwetsende uitlatingen of gedragingen), die in het rapport werden vermeld.
Zoals: grappen over zwarte mensen als ‘apen’, grappen over halal eten, een vrouwelijke wetenschapper die gepasseerd werd voor een baan ten gunste van een minder gekwalificeerde man, een moslima die vanwege haar hoofddoek niet als ‘objectief’ werd gezien in haar onderzoek naar de islam, een professor die als assistent werd aangesproken vanwege zijn zwarte huidskleur, een ‘gender-queer’-student die in huilen uitbarstte tijdens een college over de ‘nobele wilde’ van Rousseau omdat ‘they’ zich gekwetst voelde door de ‘super-racistische’ tekst en het onbegrip van de docent en de andere studenten. Waarbij ‘they’ geen meervoudsvorm is, maar het genderneutrale voornaamwoord voor gender-queer mensen.
Ontwaakt
Critici als Frank Furedi zien zulke voorvallen als tekenen van hypergevoeligheid, maar volgens de activisten zijn de microagressions niet alleen kwetsend voor degenen die erdoor worden getroffen maar ook symptomen van wat wetenschappers als Angela Davis en Gloria Wekker ‘institutioneel racisme’ en ‘white privilege’ noemen. Volgens hen gaat het er niet om witte mensen per definitie schuldig te verklaren, maar om hardnekkige vooroordelen die het uitvloeisel zijn van honderden jaren van wit superioriteitsgevoel te benoemen en te bestrijden.
‘Elke dag horen we wel over zulke ervaringen,’ zegt Lila. ‘Die cultuur moeten we afbreken door awareness te creëren.’ Elena: ‘En er vervolgens iets mee te dóen.’
‘Míjn red pill-moment was toen ik Gender Trouble van Judith Butler las. Judith made me woke.’
In het jargon van de Amerikaanse antiracismebeweging is daar een woord voor: woke, oftewel: ontwaakt, het moment dat je je realiseert hoe alomtegenwoordig racisme, seksisme en homofobie zijn. Lila vergelijkt dat moment met de dystopische science fiction-film The Matrix, waarin de hoofdpersoon na het slikken van een rode pil tot het besef komt dat hij altijd als slaaf heeft geleefd in een schijnwereld, een computersimulatie die door een kwaadaardig systeem wordt beheerst: ‘Welcome to the desert of the real’. ‘De alt-right heeft het ook altijd over die red pill,’ schatert Lila. ‘Maar het is wel een goed beeld!’
Elena: ‘Mensen van kleur hebben hun hele leven al te maken met vooroordelen. Ik heb daar zelf minder ervaring mee. Míjn red pill-moment was toen ik tijdens mijn bachelor Gender Trouble van Judith Butler las. Ze beschrijft gender als een sociaal construct. Als je dat weet, ga je het toepassen op de wereld. Judith made me woke.’
Lila: ‘Echt? Dat wist ik helemaal niet van je! Bij mij was het toen ik Malcolm X zag, you know, de film van Spike Lee. Ik was nog best jong, maar ik dacht: alles wat hij zegt is zo waar! Dat is hoe ik op een persoonlijk niveau woke werd.’
People in power
University of Colour wordt inmiddels gedragen door zo’n twintig actievelingen – vooral jonge vrouwen van kleur – en zo’n vijftig sympathisanten. Hun grootste wapenfeit tot nu toe was de instelling van de Diversiteitscommissie en de daaropvolgende aanstelling van een diversity officer aan de UvA, al heeft die nieuwe functionaris – Anne de Graaf – tot op heden nauwelijks contact met de activisten gezocht, en maakte ze in die kring weinig vrienden door een interview in Trouw waarin ze stelde dat de universiteit geen ‘safe space’ moet zijn.
Daarnaast organiseren de studenten van de University of Colour antiracistische gespreksbijeenkomsten en dekoloniale poëzie-nachten, en schreven ze een hoofdstuk voor de bundel Smash the Pillars, over het dekoloniseren van de Nederlandse samenleving, die half juni verschijnt.
Maar hun radicale imago hebben ze vooral te danken aan de confronterende teksten die ze via Facebook publiceren, zoals ‘10 Ways You Can Actively Reject Your White Privilege’, waaronder: ‘Take up minimal space during anti-racism dialogues and protests’ en ‘Recognize that you’re still racist. No matter what.’ Ook spreken de studenten regelmatig docenten, professoren en andere ‘people in power’ fel aan op het gebrek aan diversiteit in het curriculum, het gebruik van ‘racistische en seksistische taal’ en de ‘whiteness’ van sprekers bij academische debatten.
Interventie
In december waren het ook bij University of Colour betrokken studenten die, met enkele anderen, de lezing van de Canadese professor Sirma Bilge bij het Amsterdam Research Center for Gender and Sexuality verstoorden.
Bilge zou een verhaal houden over de manier waarop intersectionaliteit (de al genoemde verhouding tussen gender, ras, etniciteit, klasse en andere identiteiten) de afgelopen decennia is afgedreven van de zwarte vrouwen die het onderwerp ooit op de agenda hebben gezet: een voorbeeld van ‘whitewashing’ door witte feministen. Maar de studenten protesteerden zo luidruchtig tegen het feit dat uitgerekend een wítte wetenschapper hier het woord over kwam voeren, dat Bilge (die overigens vanwege haar Turkse afkomst volgens de gangbare definitie niet white is maar brown) uiteindelijk zonder een woord van haar lezing te hebben uitgesproken naar Montreal terugkeerde.
‘Die interventie was juist vóór de vrijheid van meningsuiting, van zwarte vrouwen die niet op het podium worden gevraagd.’
In Vrij Nederland werd het voorval in mei opgevoerd als voorbeeld van zelfcensuur aan de universiteit en het smoren van het vrije debat. Elena en Lila wijzen erop dat de ‘interventie’ géén georganiseerde manifestatie van University of Colour was maar een persoonlijke actie van een paar leden en niet-leden – al willen ze er ook geen afstand van nemen. ‘De kritiek was niet tegen Bilge zélf gericht, maar tegen het instituut dat de lezing organiseerde,’ zegt Lila. ‘Via Facebook hebben verschillende mensen er al een maand voor de lezing tegen geprotesteerd dat er geen zwarte vrouwen waren uitgenodigd om over dit onderwerp te spreken, terwijl het juist over de uitsluiting van zwarte vrouwen ging, maar de organisatie deed daar niks mee. Toen er discussie over ontstond besloot Bilge zélf haar lezing niet te houden.’
Blijft staan dat Bilge haar lezing zónder de interventie wél had gehouden. Geen wonder dus dat het voorval als censuur werd bekritiseerd. Maar dat zien de twee activistes anders: ‘Die interventie was juist vóór de vrijheid van meningsuiting,’ zegt Elena, ‘van zwarte vrouwen die niet op het podium worden gevraagd.’
Verwende snol
De activisten hadden er ook helemaal geen moeite mee dat geestverwante studenten aan de Rietveld Academie in november een optreden van het kunstenaarscollectief Kirac torpedeerden vanwege ‘racisme’. Steen des aanstoots was een opmerking over een Zuid-Afrikaanse kunstenares in een provocerende column van Kirac over de koers van het Stedelijk Museum: ‘Het toppunt was wel de tentoonstelling van Zanele Muholi, waarbij de bezoeker geacht werd geïnteresseerd te zijn in de luie spinsels van een verwende snol, alleen omdat ze uit Zuid-Afrika komt, lesbisch en zwart is.’
‘Wat Kirac doet is racistische hate speech. Natúúrlijk moeten dat soort mensen niet op het podium.’
De strekking van het pleidooi – dat de kwaliteit van kunst niet bepaald moet worden door gemakzuchtig politiek-correct engagement – ging in de ophef over het kwetsende taalgebruik verloren.
Ook dit voorval werd in VN beschreven als voorbeeld van censuur van onwelgevallige meningen, maar volgens Elena is Kirac ‘a fucking joke. De hele ophef over die “censuur” is belachelijk. Hoe zit het dan met de vrijheid van meningsuiting van de studenten die Kirac niet op hun school willen hebben? ‘Wat Kirac doet is racistische hate speech. Natúúrlijk moeten dat soort mensen niet op het podium.’
Ik dacht dat je Marokkaan was
Het studentenverbond Amsterdam United staat bekend als een wat milder platform dan University of Colour. De organisatie werd in 2012 opgericht door de Egyptisch-Nederlandse studente Tasniem Anwar om studenten met een migratieachtergrond zich thuis te laten voelen aan de UvA.
Amsterdam United organiseert debatten en bijeenkomsten, begeleidt studenten ‘van kleur’ bij hun studie, zet zich in voor meer diversiteit aan de academie, onder meer door gesprekken met universiteitsbestuurders, en traint toekomstige leraren in denken en lesgeven over omstreden onderwerpen als Zwarte Piet. In 2014 organiseerde Amsterdam United samen met New Urban Collective de actie ‘I, too, am UvA’ en ‘I, too, am VU’, waarbij in navolging van het Amerikaanse initiatief ‘I, too, am Harvard’ foto’s verspreid werden via sociale media van studenten van kleur met een bord waarop ze in losse kreten hun persoonlijke ervaringen met microagressions hadden beschreven, zoals ‘Sorry, ik dacht dat je Marokkaan was’ en ‘Met een hoofddoek kom je nooit aan de top’.
Aan een picknicktafel voor een sportschool aan de Amsterdamse Wibautstraat werkt Tugba Öztemir (27), huidig voorzitter van Amsterdam United en daarnaast bezig met haar derde master in de sociale wetenschappen, snel een bakje rijst met curry naar binnen. Zo dadelijk gaat ze crossfitten: een combinatie van gewichtheffen, atletiek en gymnastiek. Ze beschouwt zichzelf als moslim, maar een hoofddoek draagt ze niet, over haar uitbundige zwarte haardos. Öztemir was ook bij het drukbezochte optreden van Angela Davis in het Tropenmuseum, samen met oprichter Tasniem Anwar. ‘Als je zulke namen kan laten invliegen zegt dat wel wat over de connecties van je beweging.’
Öztemir groeide op in IJmuiden als dochter van een Turkse gastarbeider die in de visfabriek werkte. Toen ze in 2009 als eerste van haar familie ging studeren, zegt ze, werd ze er door witte studiegenoten regelmatig mee gecomplimenteerd dat ze zo vrijgevochten was. ‘Ze zeiden: dat is zó goed van jou, als Turks meisje! Ik vatte dat maar op als compliment. Pas toen ik mijn eerste master ging doen in de sociale wetenschappen en me verdiepte in intersectioneel feminisme ontdekte ik dat zulke opmerkingen eigenlijk microagressions waren. Tot die tijd had ik de vocab nog niet om zulke pijnlijke ervaringen te plaatsen.’
Vocab? ‘Vocabulaire. Daarom ben ik me na de Maagdenhuisbezetting voor Amsterdam United gaan inzetten. Studenten van kleur zijn aan de universiteiten nog steeds een kleine minderheid. Ze voelen zich vaak verloren. Wij geven ze de tools om daar beter mee om te gaan.’
De Turks-Nederlandse activiste beschouwt zichzelf als radicaal, omdat ze problemen rond diversiteit ‘bij de wortel’ wil aanpakken, zoals Angela Davis het uitdrukt – net als de activisten van University of Colour. Ze was het eens met de kritiek van medestudenten rondom het veelbesproken optreden van Sirma Bilge. ‘Het wás ook raar dat er geen zwarte vrouwen als spreker waren uitgenodigd, terwijl het juist over hen ging.’ Maar, zegt ze: ‘Ik zou andere middelen hebben gekozen. Veel activisten stonden niet achter die interventie. Iedereen moet zijn stem kunnen laten horen. Behalve als je andere mensen openlijk dehumaniseert: dan zou je geen podium moeten krijgen.’
‘De universiteit moet voor álle studenten een safe space zijn, waar ze niet geconfronteerd worden met seksisme of met het n-woord. Het is dehumanising. Daar vecht ik tegen.’
In feministische kringen wordt de laatste jaren de afkorting ‘lhbtqiap+’ gebruikt voor lesbische, homoseksuele, biseksuele, transgender, queer, interseksuele, aseksuele en panseksuele mensen plús alle seksualiteiten en genders die daarbuiten vallen. Buiten de lhbtqiap+-gemeenschap wordt de afkorting vaak geridiculiseerd: hoeveel letters moeten er nog bij komen om álle kleine minderheden een plekje te geven? ‘Zulke reacties maak ik aan de universiteit regelmatig mee,’ zegt Öztemir. ‘Ik vind dat dom en onwetend. Dan denk ik: je behoort niet eens tot deze community, hou gewoon je bek, je hebt geen recht van spreken. De universiteit moet voor álle studenten een safe space zijn, waar ze niet geconfronteerd worden met seksisme, met het n-woord, of met docenten die vertellen dat de mensen in de Bijlmer moeilijk in de wetenschap terecht kunnen omdat ze een lager IQ hebben. Maar dat gebeurt nog steeds aan de lopende fucking band. Het is dehumanising. Daar vecht ik tegen.’
Blackface
‘Hier is het,’ zegt Mitchell Esajas, terwijl de deur van de kamer in het oude schoolgebouw in Amsterdam-Oost openzwaait: ‘The Black Archives, de verborgen geschiedenis van Nederland’.
In het halfduistere vertrek staan stellingkasten vol boeken van vooral zwarte schrijvers over de slavernij en het kolonialisme, over Suriname, de Antillen en de Bijlmer en over de geschiedenis van het zwarte activisme. Het werk van Philomena Essed en Gloria Wekker staat er ook, naast planken vol boeken over Martin Luther King, Malcolm X en de Black Panthers en andere literatuur van zwarte auteurs. Een mini-tentoonstelling is gewijd aan blackface en Zwarte Piet: oude stripalbums van Sjors & Sjimmie – de blonde Hollandse knaap en zijn onnozele pikzwarte vriendje –, prentenboeken uit de jaren veertig met titels als Op bezoek bij de negerkoning en 10 kleine nikkertjes, T-shirts met de tekst ‘Stop blackface’ en protestborden van de actie Zwarte Piet is Racisme.
Op een aparte tafel prijkt het werk van Angela Davis, van If They Come In The Morning: Voices Of Resistance uit 1971 tot Freedom Is A Constant Struggle uit 2015, haar meest recente boek. Ook liggen er vergeelde krantenknipsels, waaronder een artikel uit Vrij Nederland over de rechtszaak tegen Davis in 1972 – ‘In Californië staat de Amerikaanse samenleving terecht’ – waarin de vraag wordt opgeworpen of Amerika, nu activisten als zij ‘uitgeschakeld’ dreigen te worden, ‘onherroepelijk afdrijft naar fascisme’.
Vergeten verhaal
Een paar dagen eerder kwam Angela Davis zelf bij The Black Archives langs. Ze kreeg een rondleiding van Mitchell Esajas en de andere oprichters Jessica de Abreu en Miguel Heilbron en signeerde al haar boeken. Esajas (29), Surinaams van achtergrond en opgegroeid in Amsterdam-West, is medeoprichter en voorzitter van New Urban Collective, een activistisch platform voor studenten en young professionals.
In 2015 kregen Esajas en zijn mede-activisten de beschikking over de reusachtige bibliotheek van de Surinaamse sociaal wetenschapper Waldo Heilbron, die enige jaren daarvoor was overleden: duizenden boeken over de slavernij, het koloniale verleden van Nederland en de uitwerking daarvan op de naoorlogse samenleving. Toen ze een ruimte aangeboden kregen bij Vereniging Ons Suriname in het oude schoolgebouw troffen ze daar nóg een enorme collectie postkoloniale literatuur die in dozen stond te verstoffen. Mitchell: ‘Ouwe spullen, dachten we in eerste instantie, maar het bleek een goudmijn. Die boeken en oude artikelen bleken vol vergeten verhalen over het kolonialisme en de radicale zwarte beweging te staan. We dachten: die geschiedenis moeten we onder de aandacht brengen. Toen hebben we de collecties samengevoegd in The Black Archives.’
‘De traditie van het Nederlandse zwarte activisme gaat terug tot ver voor de oorlog. Daar kunnen we zelf ook van leren.’
De belangrijkste vondst was het totaal vergeten verhaal van Otto en Hermine Huiswoud. Otto was de Surinaamse medeoprichter en het eerste zwarte lid van de communistische partij in Amerika in 1919, aan wiens leven en werk elders in het pand inmiddels een hele tentoonstelling is gewijd. ‘Ik kende hem zelf ook niet,’ zegt Esajas. ‘De traditie van het Nederlandse zwarte activisme gaat dus terug tot ver voor de oorlog. Daar kunnen we zelf ook van leren.’
Nog zo’n moment: toen een van Esajas’ mede-activisten een foto ontdekte van haar vader als zwarte socialistische actieleider in de jaren zeventig: ‘Daar had hij haar nooit iets over verteld, misschien uit frustratie omdat de acties op niets waren uitgelopen.’
Esajas haalt ook een Elsevier-artikel uit 1977 tevoorschijn over de ‘sluiting’ van acht wijken in Amsterdam voor gastarbeiders en Surinamers: vanwege klachten van bewoners kregen ‘gekleurde nieuwkomers’ er geen woningen meer toegewezen: een staaltje discriminatie door het stadsbestuur waar zelfs Elsevier zich indertijd boos over maakte. ‘Niemand weet meer dat dat toen gebeurde. Zulke verhalen passen niet in het belang van de dominante witte groep: die houden liever het narratief van witte onschuld in stand.’
Weggehoond
Toen Esajas in juni 2011 als student aan de Vrije Universiteit met enkele medestudenten het New Urban Collective oprichtte, was het doel om studenten van kleur te begeleiden in hun persoonlijke en professionele ontwikkeling. ‘We dachten toen nog: als je maar hard werkt dan komt het wel goed.’ Hij moet grinniken als hij eraan terug denkt. ‘Inmiddels weet ik dat daar wel wat meer voor nodig is.’
‘Als je je vreedzaam verzet tegen een racistische traditie word je afgevoerd, met steun van het gros van de Nederlanders.’
Esajas ging naar het Spinoza Lyceum in het deftige Amsterdam-Zuid, waar hij de enige zwarte jongen in zijn klas was. Ook bij zijn studie bedrijfskunde was hij een van de weinige mensen van kleur. Toen hij antropologie ging studeren en het racistische karakter van Zwarte Piet ter sprake bracht – ‘Ik dacht: hier zullen mensen wel een open blik hebben’ – werd hij door medestudenten weggehoond. ‘Een van hen zei zelfs: ga dan maar naar je eigen land.’
Maar zijn ‘rode pil’ kwam pas echt toen in oktober 2011 kennissen Quinsy Gario en Jerry Afriyie hardhandig werden gearresteerd omdat ze bij de intocht van Sinterklaas in Dordrecht wilden protesteren tegen Zwarte Piet. ‘Dat was een belangrijk moment. Toen dacht ik: dat is hoe het institutionele racisme werkt. Zo hypocriet is het systeem. In Nederland wordt het verhaal volgehouden dat dit een tolerant land is waar de vrijheid van meningsuiting voor iedereen geldt. Maar als je je vreedzaam verzet tegen een racistische traditie word je afgevoerd, met steun van het gros van de Nederlanders: Quinsy en Jerry kregen tienduizenden haatberichten over zich heen. Later heb ik dat ook ervaren toen ik zelf een paar keer bij een intocht werd gearresteerd. Toen realiseerde ik me hoe diep het racisme zit.’
Vanaf dat moment richtte New Urban Collective zich niet alleen op professionele ontwikkeling, maar ook op het bestrijden van het institutionele racisme. Ze bundelden de krachten met ‘Zwarte Piet is Racisme’ en de actiegroep ‘Zwarte Piet Niet’ in het platform ‘Kick Out Zwarte Piet’ en organiseerden vreedzame acties bij lokale en landelijke Sinterklaasintochten. Mede onder druk daarvan werd in 2015 in Amsterdam de ‘roetpiet’ geïntroduceerd als eerste stap om Zwarte Piet geleidelijk af te schaffen. Intussen legden Esajas en zijn mede-activisten zich toe op het ‘dekoloniseren’ van de universiteiten en de Nederlandse samenleving, met The Black Archives en de massaal bezochte bijeenkomsten met Angela Davis tot gevolg.
Wie moet de ruimte krijgen?
De vraag is: hoe ver vindt de leider van New Urban Collective dat de activisten bij het dekoloniseren van de universiteit moeten gaan? Een van de meest omstreden acties aan de UvA tot nu toe is de interventie van de studenten van University of Colour bij het optreden van Sirma Bilge in december. ‘Ik begrijp de kritiek op de actie, maar ik ben het er niet mee eens,’ zegt hij. ‘Het was geen censuur of non-platforming van Bilge omdat ze geen zwarte vrouw is, maar een fundamentele kritiek op de witheid van de Universiteit van Amsterdam en het wegwissen van het werk van zwarte vrouwen.’ Ook het verwijt dat de activisten van de universiteit een ‘safe space’ willen maken en daarmee het vrije debat dreigen te smoren vindt hij onjuist. ‘Zoals het nu is, is Nederland één grote safe space voor witte mensen.’
Tasniem Anwar, oprichter van Amsterdam United, noemde dat ooit ‘Oppression Olympics’: de neiging van verschillende groepen activisten om hun eigen leed op de voorgrond te plaatsen.
Helemaal eens zijn de activisten het dus niet over interventies bij sprekers als Sirma Bilge: terwijl de studenten van University of Colour en Mitchell Esajas het een legitiem middel vinden om kritiek te uiten op de ‘witheid’ van het instituut en betogen dat ze er de vrijheid van meningsuiting juist mee versterken, zegt Tugba Öztemir van Amsterdam United dat ze ‘andere middelen’ zou hebben gekozen, en zij is niet de enige.
Ook voor de ‘social justice warriors’ (een term waar ze geen van allen bezwaar tegen maken, al zouden ze zichzelf niet zo noemen) blijft het een heikel thema: wie moet de ruimte krijgen om te praten op de universitaire podia en wie niet? Hetzelfde geldt voor de vraag wie er bínnen de kring van activisten het meeste recht van spreken heeft als het over racisme of seksisme gaat. Tasniem Anwar, oprichter van Amsterdam United, noemde dat ooit ‘Oppression Olympics’: de neiging van verschillende groepen activisten om hun eigen leed op de voorgrond te plaatsen.
Ook de Somalisch-Nederlandse zwarte moslima Nawal Mustafa, de spreekster in het Tropenmuseum, heeft die ervaring. Ze vertelt dat zwarte mensen van haar verwachten dat ze in de eerste plaats zwart is en daarna pas moslim, terwijl moslims graag zien dat ze zich in eerste plaats als moslim laat gelden en daarna pas als zwart. Zulk ‘essentialisme’ wringt met de gedachte achter het door de activisten omarmde intersectionele feminisme dat alle vormen van onderdrukking samenhangen, en bovendien met de door hen beleden solidariteit. Die kwestie zal in activistenkringen ongetwijfeld nog regelmatig gaan opspelen.
Maar in de aula van de Vrije universiteit is aan het eind van week met Angela Davis niets van zulke onenigheid te bespeuren. In de zaal, gevuld met bijna negenhonderd activisten en wetenschappers van alle kleuren en generaties, klinkt ovationeel applaus als Angela Davis vertelt hoe hartverwarmend het is dat de beweging voor ‘social justice and solidarity’ ook in Nederland vaste voet aan de grond heeft gekregen, en betoogt dat het allemaal begint met kleine initiatieven van activisten on the ground, ‘die samen de wereld kunnen veranderen.’ Als de beroemde activiste vertelt dat ze zich bij een van die initiatieven, The Black Archives, meer thuis voelde dan ze zich vaak in Amerika voelt, staat Mitchell Esajas in het gangpad trots te filmen.






Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.