Brieven van Slauerhoff waren wel her en der uitgegeven, maar niet een selectie uit wat er nog in archieven te vinden is. De keuze van Hein Aalders zorgt er voor dat de ‘onmogelijke Slau’ wat op de achtergrond raakt.

‘Ken je Slauerhoff?’, vraagt E. du Perron in 1929 aan Anthonie Donker nadat hij hem één keer had ontmoet en vier keer was misgelopen. ‘Het is een allersympathiekste kerel: verwaarloosd, verward, spontaan, gevoelig en onverschillig tegelijk, half jongensachtig en half verlopen.’ Door die ene ontmoeting was Slauerhoff voor Du Perron meteen ‘een van de weinige “Nederl. Jongeren” die ik persoonlijk beter zou willen kennen. Maar de man is “elusive as a shadow”.’ Nadat hij hem beter had leren kennen schrijft hij aan iemand anders: ‘Het is een heel ongelukkige jongen, moeilijk om mee om te gaan, maar een bijzonder fijne vent.’

Schrijver/dichter/scheepsarts Jan Jacob Slauerhoff rookt een pijp in de duinen op Vlieland tijdens een vakantie als student, 1919. Foto: Spaarnestad/HH

Met deze eerste indrukken van Slauerhoff zat Du Perron er niet ver naast. In die tijd had Slauerhoff drie bundels poëzie gepubliceerd, Archipel (1923), Clair-obscure (1926) en Eldorado (1928). Slauerhoff werd voor hem het voorbeeld van de dichter die door zijn onverschillige en eigenzinnige gedrag voortdurend met alles en iedereen in botsing kwam. Dat was lastig in de omgang, maar wat hij schreef vergoede veel. Slauerhoff werd de Nederlandse poèt maudit, de verdoemde dichter en scheepsarts die het moeilijk had met het woord geluk, alleen in zijn gedichten kon leven, en op ‘lange achtermiddagen aan boord’ aangetrokken werd ‘door het koord’.

Du Perron werd zo door Slauerhoff geïntrigeerd, dat hij een Belgische grafologe vroeg eens naar zijn handschrift (dat zo goed als onleesbaar was) te kijken. Ze wist niet van wie het handschrift was dat ze voor zich kreeg. Het resultaat verblufte Du Perron als ‘opvallend juist’: Slauerhoff had een levendige, schrikwekkende intelligentie, was onmethodisch, had een ongrijpbaar karakter, was argwanend, lichtgeraakt, trots, maar had wel gevoel voor het schone. En ook was hij: zeer hard, met op sommige momenten een verlangen naar mildheid en goedheid.

Slauerhoff zou dit karakter bijna naar de letter praktiseren. Hij zou zelfs met Du Perron gebrouilleerd raken, terwijl die zijn pleitbezorger, de corrector van zijn werk, zijn vriend en gastheer was in het kasteel Gistoux. Brieven aan Du Perron zijn dan ook opvallend afwezig in de selectie die door Hein Aalders uit Slauerhoffs brieven is gemaakt onder de voor de scheepsarts en individualist Slauerhoff perfecte titel Een varend eiland.

Slauerhoffs reputatie als onmogelijk mens ontstond onder meer door wat hij over Dirk Coster had geschreven, de redacteur van het invloedrijke tijdschrift De Stem, humanist en bloemlezer. Naar aanleiding van het tienjarig bestaan van De Stem schreef Slauerhoff in de Nieuwe Arnhemse Courant dat Coster mislukt was als literator, onbetrouwbaar was als criticus en dat hij als ‘leider’ in de literaire politiek te vergelijken was met Hitler, Hitler deed zich soms ook zachtmoediger voor dan hij was, schrijft Slauerhoff.ook al waren zijn methoden heel anders. Hitler deed zich soms ook zachtmoediger voor dan hij was, schrijft Slauerhoff. Coster sloeg hard terug in De Stem in 1931 onder de door Aalders ‘luguber’ genoemde titel ‘Slauerhoff de bloedbedropene’. Coster schreef: ‘Er schijnt geen vreselijker mannenmoorder, vrouwenverkrachter en zeerover te zijn dan scheepsarts Slauerhoff. (…) De bebloede, gedeukte, gehavende, oneindig eenzame en verschrikkelijke piraat, kortom de schrik van alle kinderkamers en keukens, duikt plotseling op als…literair tijdschrift-overzichtgever van een lokaal krantje!!’

Slauerhoff kreeg met opvallend veel vrienden, kennissen, uitgevers en literaten ruzie. Toch begint in deze verzameling brieven over de piraat, desperado, poèt maudit, outcast en degene die ‘dikwijls op zijn ruwe, ongezouten manier de dingen hartelijk bij de naam kon noemen’ (dixit Menno ter Braak) de balans aardig over te hellen naar een wellevende, zorgzame, sympathieke, gezellige Slauerhoff. Er is nog genoeg geëtter en humeurigheid door zijn slechte gezondheid en moeilijke dagen op de schepen waarop hij vaart, maar in veel brieven is hij die ‘sympathieke kerel’ waar Du Perron het over had.

Terborgh en zijn vrouw Marguerite op 16 juni 1934 in Algeciras, Spanje, foto genomen door de dichter Jan Slauerhoff.

De brieven aan Arthur Lehning en zijn vriendin Annie Grimmer, meestal uit verre landen, zijn uitgesproken aardig. Hij gaf haar koosnamen (‘Larrios’), roemde haar manier van schrijven, had belangstelling voor haar werk, maakte grappen over Lehnings anarchisme (‘wat moet ik zo’n anarchist nu cadeau geven, een handgranaat?’) en besluit de brief met het strelen van haar ‘zwarte lokken.’ Hij was platonisch verliefd op haar, en dat was een uitzondering in zijn doorgaans kortstondige verliefdheden. Wanneer hij in 1925 op reis gaat en in Parijs op het perron afscheid genomen heeft van Lehning en Annie schrijft hij haar apart een brief: ‘Ik vond het vreselijk je te zien verdwijnen. (…)Je hebt me veel beter gemaakt dan ik was. (…) Ik wist nooit dat een vrouw zo sterk, zo zacht tegelijk kon zijn, dat ik het weet is gelukkig.’ Hij keek uit naar een brief van haar (‘ik denk veel aan je en wilde graag iets van je hebben’). Ze zou in 1931, vijfendertig jaar, tot zijn verdriet overlijden aan tbc.

Iets zakelijker, maar voorzien van eenzelfde onzelfzuchtige belangstelling voor de ander zijn de brieven aan de diplomaat en schrijver Reijnier Flaes/F.C. Terborgh. En die aan Hans Feriz, de Oostenrijker die tegelijk met Slauerhoff geneeskunde studeerde in Amsterdam. Slauerhoffs brieven aan hem zijn in 1984 eerder uitgegeven als Privé Domein-deel. Terborgh en Feriz speelden geen van beiden een rol in de Nederlandse literatuur en dat hielp om de vriendschap in stand te houden. De ruzie met Du Perron ontstond immers vooral omdat Du Perron zich zo druk maakte in de literatuur. Maar eigenlijk weet hij niet waarom hij ‘tot zo’n besliste vijandschap tegen Du Perron gekomen’ is: ‘Denkelijk au fond omdat het een man is van words words.’

De andere vriendschap die in deze brieven irenisch ongeschonden blijft tot Slauerhoffs dood in oktober 1936, is die met Adriaan Roland Holst. Wanneer hij in 1930 bij Du Perron op het kasteel Gistoux logeert schrijft hij Roland Holst (‘Jany’), die zich in Ascona bevindt, dat hij zeer verlangt hem weer te zien en herinnert hem er aan dat hij zijn portret nog zou sturen: ‘Alleen aan jou voel ik mij verwant onder de levenden.’ Bij die gelegenheid stuurt hij hem ook het gedicht ‘Aan A.R.H.’ dat hij al veel eerder schreef, maar er toen niet mee ‘voor de dag mee durfde te komen.’ Nu eigenlijk nog niet, maar hij moet het maar nemen ‘voor wat het is.’ Het is een onomwonden vriendschapsgedicht van iemand die een verwante geest heeft ontdekt, iemand die niet ‘ontrouw aan zichzelf’ werd zoals die anderen die ‘heimelijk hunkren naar klamme troost’. Die anderen zwichtten ‘voor zatheid’, maar ‘gij hebt volgehouden,/Iedere toenadering fier afgestooten,/Iedere genegen troost teruggebogen.’ In een ander gedicht, ‘Wandeling’, dat aan Roland Holst is opgedragen, typeert hij haarscherp hun verschil en overeenkomst: ‘Zijn wij elkander vreemd en toch vertrouwd:/De een altijd met stilte en rust in strijd,/De ander vol ijle vrede, sterk en koud.’ Vreemd was voor Slauerhoffs het ‘sirenische’ deel van Roland Holsts poëzie, de gedichten waarin hij zich in de Elysische velden hoog boven het aards gewemel begaf. Maar er was ook een scherpe, sterke en koude Holst. Die was hem wel vertrouwd.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat Slauerhoffs brieven (anders dan Kees Fens meende) niet ‘tot de allersterkste van de Nederlandse letteren behoren.’ Er is veel dagelijkse ruis, een aanzienlijke hoeveelheid overkoepelend geklaag, veel brieven over hoe en waar te leven, veel ‘langzaam te gronde gaan’ omdat hij geen standplaats weet te vinden. En zich in wespennesten steken. Maar de brieven aan Roland Holst, aan Hendrik de Vries, Arthur Lehning en Annie Grimmer, aan Hans Feriz en F.C. Terborgh maken veel goed. De onmogelijke Slauerhoff raakt daarin op de achtergrond, die moet je er bijna bij denken.

Een varend eiland. Brieven van J. Slauerhoff, gekozen, bezorgd en geannoteerd door Hein Aalders, is uitgegeven door De Arbeiderspers in de reeks Privé Domein.