Ik heb nooit schrijfles gevolgd. Ik wilde wel schrijven, een roman. Geen verhalen of gedichten. Maar hoe ik een roman moest schrijven, wist ik niet.
Vanaf mijn negentiende, toen ik in Amsterdam kwam wonen, las ik wel alles wat ik te pakken kon krijgen: romans, verhalen, Nobelprijswinnaars, thrillers, waargebeurde oorlogsverhalen, klassiekers.
https://www.vn.nl/product/vn-special-een-leven-lang-leren/Ik wilde weten hoe deze schrijvers vertellen, hoe ze hun verhalen opbouwen, welke vertelvormen er zijn. Ik wist niet dat er schrijfopleidingen waren waar docenten mij dat konden vertellen, ik had echt geen idee. Ik wist wel boeken te vinden, in tweedehands winkels vooral, die er begin jaren negentig nog heel veel in Amsterdam zaten.
Ik las Honderd jaar eenzaamheid van Gabriel García Márquez en was zo onder de indruk dat ik mijn eigen Honderd jaar eenzaamheid wilde schrijven. Dat kon ik natuurlijk niet, na anderhalve bladzijde magisch realisme was ik wel klaar. Ik las Misdaad en straf van Dostojevski en dacht: ik begin ook met een moord op een huurbaas, dat waren altijd vreselijke types, maar ook met dat idee kon ik niet uit de voeten. Een moord, daar wist ik niks van, laat staan van het schuldgevoel na die moord.
Maar ik las het wel en vroeg me af: hoe kan Márquez een bloedspoor van een gewonde man een dorp door laten lopen en een trapje op laten kruipen, en dat beschrijven zodat de lezer het gelooft? En vooral: waarom kan ik dat niet schrijven?
Mijn moeder zou me niet geloven. Mijn familie zou me niet geloven. De mensen in het dorp waar ik vandaan kon zouden me niet geloven.
Als ik zelf iets wilde maken, dan moest ik de verhalen zoeken die werkelijk mijn verhalen waren.
Ik kom uit een streek met veel verhalen, maar die gaan niet over bloedsporen die trapjes op kunnen. Ik verzette me tegen mijn boerenafkomst, probeerde aansluiting te vinden in kunsthoofdstad Amsterdam, maar als ik zelf iets wilde maken, dan moest ik toch de verhalen zoeken die werkelijk mijn verhalen waren, uit mijn omgeving, met de vertelwijze van mijn ooms op verjaardagen met tuinstoelen in de woonkamer, toastjes met eiersalade op tafel, flesjes bier. Ik moest mijn eigen stem vinden.
Die vond ik toen ik een zomer lang op een boerderij paste en ik tien jaar na mijn vertrek naar Amsterdam plots weer in de omgeving zat waarin ik opgroeide, een polder die ik begreep, met mensen die ik begreep, met schapen en kippen. Daar schreef ik mijn debuut, over die plek. Over mijn eigen plek dus eigenlijk.
Schrijven is onzekerheid
In feite zeg ik dus dat iedereen zelf kan uitvinden hoe hij of zij moet schrijven. Toch willen aspirant-schrijvers les, en toch wilde ik ook lesgeven.
Schrijven is voor het grootste deel onzekerheid. Je maakt iets waar misschien niemand op zit te wachten. Hoe weet je of het wel iets is?
En als je dan schrijver bent, dan kun je een zakcentje verdienen met lesgeven, dat is ook een motief. Dan kun je proberen jouw visie op schrijven over te brengen op andere schrijvers, een idealistisch motief dat na een paar lessen wel verdwenen is.
Bij vijf verschillende instellingen of opleidingen heb ik voor groepen gestaan, om uiteindelijk mijn eigen schrijfavonden te organiseren.
De eerste keer werd ik gevraagd, door een klasje van acht aspirant-schrijvers. Het was een particulier groepje dat eerder les had gekregen van Ton Rozeman en Gerard van Emmerik. Elke maand huurden ze in een buurthuis achter de Nieuwmarkt in Amsterdam op vrijdagavond een lokaal.
Het bleken lange avonden waarin ik de schrijvers in spe liet… schrijven. In workshop-vorm: op de avond zelf een specifiek verhaal schrijven met vaak een verplichte locatie of zelfs een verplichte zin, en dat bespreken. Vooral dat laatste vond ik belangrijk.
Het schrijven ging wel. Het bespreken viel tegen. Ik verwachtte dat deze schrijvers durfden te reageren op de verhalen van de anderen, maar als ik daar een kort aanzetje toe gaf (‘Wat viel jullie op?’) dan bleef het erg stil.
Ik gaf leestips mee: lees dit boek, in elk geval de eerste honderd bladzijden, maar dat werd zeer beperkt opgepikt. In lezen hadden deze schrijvers beperkte interesse.
Ik gaf ze leestips mee: lees dit boek, in elk geval de eerste honderd bladzijden, maar dat werd zeer beperkt opgepikt. In lezen hadden deze schrijvers beperkte interesse.
‘Ik ben er niet aan toegekomen,’ hoorde ik de volgende maand.
Of: ‘De bieb had het boek niet.’
Wat wel duidelijk werd: er zijn verschillende typen aspirant-schrijvers.
Allereerst de schrijvers die echt willen leren schrijven. Die meedoen, luisteren naar anderen, commentaar noteren en dat proberen toe te passen in hun eigen werk. Dit type wil graag, maar is onzeker, vandaar dat er steun gezocht wordt bij een docent, en bij medestudenten. Dit type weet niet goed waarom hij of zij eigenlijk schrijft en wordt ook vaak door angst geblokkeerd. Van dit type zat er in deze groep één.
Daarnaast zijn er aspirant-schrijvers die graag schrijver willen zijn. Ze willen meedoen in het literaire circuit. Zij willen waardering, liever dan dat ze daadwerkelijk schrijven.
Herschrijven vinden ze heel moeilijk, maar als er bij binnenkomst als opening gevraagd wordt of ze nog iets spannends gedaan hebben de afgelopen weken, dan grijpt dit type meteen de kans om te zeggen: ‘Ik ben tweede geworden bij de schrijfwedstrijd van Meppel.’
Deze groep is dominant. Hun schrijven is vooral vissen naar complimenten. Redactionele opmerkingen vallen in een bodemloze put.
Schrijfvrienden
Halverwege de reeks van acht lessen stuurde ik een aspirant weg.
In het VPRO-radioprogramma Duizend woorden werd elke week een verhaal voorgelezen en ter plekke voorzien van commentaar, een mooie formule waar ik een paar jaar als jurylid tussen mocht zitten. Mijn cursist las daar een verhaal voor dat ik voorzien had van opmerkingen, maar hij las doodkalm de eerste versie voor en meldde juryleden van dienst Rascha Peper en Peter Buwalda, die vergelijkbaar commentaar hadden, hetzelfde: ook met hun commentaar zou hij niks doen.
Ik mailde hem en de anderen van de groep direct dat ik geen zin had een student met zo’n houding les te geven.
‘Ik filter het commentaar door mijn eigen mening,’ was zijn antwoord.
Dat is prima, maar het verhaal wordt er niet beter op. Hier energie insteken is nutteloos, dus blijf maar weg.
De reacties waren tekenend. Er ontstond een flinke maildiscussie, met mails die langer waren dan de verhalen die elke maand geproduceerd werden. Daaruit bleek vooral dat deze groep niet alleen een schrijfklas was, maar een sociaal netwerk van schrijfvrienden die elkaar eens in de maand zagen en na afloop van de les nog wat gingen drinken.
Eén schrijfster
De groep bracht uiteindelijk één schrijfster voort: Ellen Heijmerikx.
Ze zei tijdens de avonden heel weinig, maar stelde soms een zinnige vraag. Ze schreef heel goed. Ze was ijverig.
Ook zij mocht bij Duizend woorden aanschuiven, nadat ik haar had gezegd dat ze haar verbluffend mooie verhaal De orka – over een Spaanse loodgieter die een keukenafvoer repareert en bij een vrouw op de keukenvloer ligt die denkt: ik spring boven op hem – moest opsturen, anders deed ik het.
Ze twijfelde, want het verhaal telde ruim 1.700 woorden. Geen probleem, zei ik. Dit verhaal is zo goed, al is het tweeduizend woorden. Insturen.
Dat deed ze, en ze mocht in de radiostudio komen en later dat jaar won het verhaal de Duizend woorden-wedstrijd. Ze kreeg een contract bij uitgeverij Nieuw Amsterdam, debuteerde het jaar erop en won de Debutantenprijs.
Streng zijn
Toen de opleiding Creative Writing begon bij Artez, Hogeschool voor de Kunsten in Arnhem, kregen Nederlandse studenten de kans om aan een echte hbo-opleiding schrijven te leren. Literair schrijven, maar ook reportages, evenementen organiseren, tijdschriften maken. Een veelbelovend programma met goede docenten werd opgezet en vanaf het eerste jaar gaf ik steeds een blok proza, meestal een reeks van negen lessen van drie uur.
Op de dag dat ik de eerste les moest verzorgen, verscheen er een column van Marcel van Roosmalen in NRC, over zijn ervaringen als docent bij deze opleiding, in een eerder blok.
‘Generatiekloof’ heette zijn stuk. Het gaf een onthutsend beeld van de opleiding.
Marcel moest wennen ‘aan het elkaar masseren en strelen tijdens de lessen, het op elkaar zitten of liggen tijdens de lessen, de onderlinge spanningen die met huilbuien gepaard gingen, het consequent aangesproken worden met ‘meneer’ en het fulltime gefacebook waar het gedrag van de docenten nauwgezet werd geanalyseerd.’
Ik nam me voor erg streng te zijn. Er liepen weddenschappen welke student er in mijn lessen het eerst zou gaan huilen.
De studenten waren volgens Van Roosmalen ook niet erg doorsnee: ‘Creativiteit bleek hand in hand te gaan met lichamelijke en geestelijke ongemakken die het actief bijwonen van de lessen bemoeilijkten. Ik noteerde: een knieoperatie, een chronische vermoeidheidsziekte (twee keer), een naderende geslachtsoperatie plus hormoonkuur die spanningen met zich meebracht waardoor chronische vermoeidheid was ontstaan, trillende benen (vooral ’s nachts) waardoor chronische vermoeidheid was ontstaan, eetstoornis (twee keer), hyperactiviteit (daar wordt iedereen moe van), een nevencarrière als handboogschutter, onderling relatiegedoe, een psychose en psychische problemen (twee keer).’
Door de hilarische column nam ik me voor zo min mogelijk mee te gaan in die nevenfactoren en erg streng te zijn. Het hoofd van de opleiding kende me en wist dit. Er liepen weddenschappen welke student er in mijn lessen het eerst zou gaan huilen.
Sterke verhalen vertellen
Dat gebeurde niet. Ook hier liet ik de studenten schrijven, in dezelfde vorm: iets maken en bespreken. Dat er altijd wel een paar studenten bij zaten die Facebook belangrijker vinden dan zinnige opmerkingen over tekst, dat er een student in slaap viel en paar anderen als lome katten op hun stoelen hingen, dat hoorde er dan maar bij.
Wat werkelijk storend was: de ambitie om literatuur te maken. Jonge mensen met een laag energiepeil die verhaaltjes schrijven over jonge mensen met een nog lager energiepeil, meestal een jongen en een meisje, die elkaar op een zolderkamertje aan zitten te staren waarop er een na een paar loze dialoogzinnetjes zegt: ‘Jij bent de vlinder aan mijn muur.’
Studenten die zoiets schrijven, wil ik ook direct naar huis sturen. Ga op die zolderkamer maar Nabokovje spelen.
Het hoofd van de opleiding wist ook hiervan. ‘We moeten waken voor dat soort Artez-proza,’ zei hij. ‘Er klinkt nog net geen jazzmuziek.’
Dat was het nadeel van deze schrijfopleiding: de studenten willen kunst maken, maar eenvoudige sterke verhalen vertellen, daarvoor hebben deze jonge mensen niet de rust, de bagage en de soberheid.
Onze standaard was: een verhaal moet zo goed zijn dat als je het in een kroeg hoort en je moet heel nodig pissen, je wacht met naar de plee gaan tot het verhaal afgelopen is.
Samen met auteur en mededocent Ivo Victoria voerde ik na zijn lesblok evaluatiegesprekken met studenten. Na drie of vier verhalen kwamen we tot de conclusie dat lekker vertellen het moeilijkste onderdeel van schrijven is. Onze standaard bij de volgende gesprekken: een verhaal moet zo goed zijn dat als je in een kroeg dat verhaal hoort en je moet heel nodig pissen, dat je wacht met naar de plee gaan tot het verhaal afgelopen is.
Dat is nog steeds een heldere schrijfnorm. De meeste verhalen hadden echter voor de luisteraar de insteek: vertel maar verder, ik ga even pissen. Als ik terug ben, is dit verhaal misschien wel afgelopen.
Inmiddels zijn er een flink aantal studenten afgestudeerd, verschijnen hun verhalen in literaire tijdschriften en bewijzen ze dat na een aantal jaren er echt goed materiaal uit komt.
Iedereen gaat pissen
Bij de Schrijversvakschool in Amsterdam gaf ik kort les. Een groep van elf studenten kwam wekelijks op maandagavond in het mooie en oude schoolgebouw aan de Herengracht bij elkaar. De meesten volgden het gehele jaar een schrijfcursus, mijn lessen waren daar een deel van.
Ik trof een groep die uiteenviel in zeer talentvolle en ambitieuze schrijvers aan de ene kant en daarnaast twijfelende hobbyisten. Resultaat: een wankele klas met een paar uitschieters, waarbij de norm de middelmaat was omdat tijdens die avonden de onzekerheid hoogtij vierde. Vooral de vraag om regels viel me op.
Ik liet ze allemaal een verhaal schrijven met als verplichte locatie het strand, met twee personages, in de tegenwoordige tijd, verteld vanuit een van die personages. Moeilijk, want waarom vertel je op het moment zelf wat er dan allemaal gebeurt, en in hoeverre zit je in het hoofd van dat personage en speelt het strand nog een rol?
Die vragen kwamen vanzelf terug in de analyse: ‘Deze verteller is zo duidend in zijn verhaal, dit moet allemaal al gebeurd zijn, want analyseren op het moment zelf, dat is erg moeilijk.’
Er was sprake van een historische verleden tijd, kwamen we op uit zonder die vreselijk houterige term te noemen. Maar de tegenvraag van een van de studenten was: ‘Maar wat mag dan wel?’ Alles mag, maar het moet kloppen. Die nuance is erg moeilijk als je geen grip hebt op de vertelling.
Zoals een dialoog vanuit een ik-verteller waarbij die verteller zich zo verstopt dat het proza compleet derdepersoons-proza wordt. Het kan wel, maar vertel dit verhaal eens in de kroeg, noem achter elkaar al die losse dialoogzinnetjes, en je verandert zelf in de verteller die er eigenlijk niet wil zijn.
Resultaat: iedereen gaat pissen.
Verder zaten mijn lessen ingeklemd in een lesomgeving waarbij ik de indruk had dat de studenten een hoorcollege verwachtten. Nu praat ik graag over schrijven, maar een pasklaar college heb ik niet paraat. Bij mij moeten studenten zelf schrijven, tijdens het bespreken van de teksten komt alles wat van belang is vanzelf langs. Alleen al over vertelperspectief en verteltijd kan ik elke maandagavond drie uur volpraten, maar alleen aan de hand van materiaal dat er ligt. Niet vanuit theorie.
Officieel schrijver
Nu is de Schrijversvakschool een echte opleiding die afgerond wordt met een diploma.
Ik heb ooit een eindexamen begeleid, met onder anderen René Appel, die ik zeer waardeer, in de beoordelingscommissie. Bij de diploma-uitreiking werd de student geridderd tot schrijver, en dat gaf me een vreemd gevoel. Ik had pas na een stuk of vier romans het idee dat ik misschien een schrijver was en deze student kon bij het afronden van zijn eerste manuscript – niet eens een gepubliceerde roman bij een gerenommeerde uitgeverij – zich officieel schrijver noemen.
De goede kant van de Schrijversvakschool is de kwaliteit van de begeleiding: ervaren docenten die echt wel weten hoe je een boek moet schrijven. Het nadeel van zo’n opleiding zijn de algemene bewoordingen die de studenten voorgelegd worden, zoals: ‘Een alwetende verteller zweeft boven het verhaal.’
Ik vind het heel mooi klinken, maar wat moet je ermee? Hoe pas je zoiets toe? Is zo’n verteller een filmcamera? Lijkt me niet, die kan geen gedachten lezen. Is zo’n verteller een soort God? Harry Mulisch hanteerde graag die vertelvorm, hij liet zelfs twee engelen in De ontdekking van de hemel het verhaal vertellen, aangestuurd door… God natuurlijk, en dat was hij zelf.
Als ik Hemingway lees, dan hoor ik een onzichtbare derdepersoonsverteller die wel alles weet, maar die niet alles vertelt, om een sterk gevoel over te brengen. Dat bevalt me zeer, maar boven het verhaal zweven doet hij nooit.
Gelijkwaardigheid
Na dat ene blok Schrijversvakschool moest ik voor mezelf het lesgeven aan reguliere opleidingen eens goed evalueren.
Lesgeven levert een kleine aanvulling op je inkomen op, maar niet veel. Het kost wel erg veel tijd, en dan niet alleen zo’n avond. Het kost tijd gerelateerd aan mijn eigen schrijven. Op een lesdag zelf schreef ik niks en de dag erop ook niet. De avonden voor forse groepen studenten die vooral afwachtend en passief zijn, trekken me als schrijver helemaal leeg, terwijl het werken als redacteur met schrijvers die teksten echt onder handen durven te nemen me juist energie geeft.
Mijn workshopvorm bleek bovendien lastig in een omgeving waar actief reageren op proza niet de standaard is.
Momenteel geef ik online les, bij Editio. Dat bevalt goed. Vrij uitgebreide overzichtelijke cursussen waarbij ik van huis uit commentaar kan geven: reageren op ingeleverd materiaal, waarna ook nog vaak een gesprek op gang komt. Serieuze enthousiaste cursisten die opvallend goed schrijven en openstaan voor kritiek. Leuk, maar wel op afstand. De kern is: ik wil vooral meer begeleider of redacteur zijn dan leraar. De kern is gelijkwaardigheid.
Schrijven is voor iedereen hetzelfde, het is alleen fijn en noodzakelijk als er iemand met jouw teksten meekijkt. Bij elk boek dat ik schrijf, heb ik gedegen redactie nodig. Dat wil ik zelf ook graag geven, op avonden, in groepsverband. Van acht verhalen leer je meer dan van alleen je eigen verhaal.
Geen vlinders aan de muur
Na wat puzzelwerk kwam ik een jaar geleden met mijn eigen Schrijfcafé: de workshopvorm die ik al jaren toepas, maar dan in een lunchroom van goede vrienden: Bruist in de Amsterdamse Rivierenbuurt.
De verdeling van tijd op zo’n avond: in twintig minuten een verhaal schrijven, vervolgens alle verhalen voorlezen en bespreken, dat duurt zeker honderd minuten. Vijf keer zoveel tijd vraagt dus het bespreken. In het laatste uur twintig minuten herschrijven van het eerste verhaal – perspectief veranderen – en dat kort bespreken (toch nog veertig minuten) om te zien wat de verandering heeft opgeleverd.
De formule is hetzelfde, de intensiteit is anders.
Vrijwel alle deelnemers schrijven goed en vooral hebben ze de open houding waar ik vanaf de eerste mails op hamer. Die houding is erg belangrijk. Het bespreken vraagt dat ze luisteren naar het werk van anderen. Eigenlijk is dat lezen, en dat is moeilijker dan zelf een stukje tikken.
Valt je iets op, meld het dan.
Wisselt de setting, komt er een andere verteller, wordt er overgeschakeld van verleden tijd naar voltooid verleden tijd, vraag dan wat daar achter zit. Een open vraag, met een open analyse. Vaak gaat dat schakelen onbewust, maar het doet wel iets met de lezer.
Een eigenwijze houding is soms goed bij schrijven, maar blind varen op je eigen genialiteit
is de grootste valkuil.
Dus geen vlinders aan de muur, of in elk geval een tegenpersonage dat zegt: ‘Zoek het maar uit met je vlindertje.’
Ook geen schrijvers die geen sjoege geven na commentaar. Een eigenwijze houding is soms goed bij schrijven, blind varen op je eigen genialiteit is de grootste valkuil. Die zorgt ervoor dat een aspirant altijd aspirant zal blijven.
Ik zie schrijvers bij Schrijfcafé zeker moeite hebben met het volgen van het werk van andere schrijvers, dat moet je leren. Ik zie schrijvers ook sprongen maken. Zij ontwikkelen een antenne voor perspectiefvraagstukken en ze gaan elke bijeenkomst beter schrijven.
Definitieve versie
Het vervolg van mijn redactie: schrijvers uitgeverijen in duwen.
Er wordt altijd gezegd dat je bij literaire uitgeverijen moeilijk binnenkomt. Dat is niet zo. Als je iets goeds schrijft, wil elke uitgeverij het hebben. Voor die kwaliteit heb je echter wel een referentiekader nodig.
Mijn lesgeven is verschoven naar redacteurschap: geen colleges verzorgen voor mensen die betalen voor een opleiding en voor die paar centen een diploma verdienen waar ‘schrijver’ op staat, maar gemotiveerde schrijvers begeleiden die vertrouwen hebben in mijn visie en opmerkingen, en die schrijven zien als een werkwoord: je moet het doen. Zeker na redactionele opmerkingen moet je aan de bak. Dan begint het pas echt.
Bij De Revisor, waar ik sinds 2010 redactielid ben, krijgen we vaak ongevraagde kopij gemaild waarbij in de documentsnaam staat: ‘definitieve versie’. Dat is erg grappig. De meeste schrijvers die in De Revisor publiceren, hebben na hun eerste inzending aan drie nieuwe versies nipt genoeg.
Momenteel heb ik vier manuscripten van mensen die ik begeleid bij uitgeverijen liggen. Gelukkig vertrouwen deze schrijvers ook mijn opmerkingen over hun werk. Gelukkig ben ik in de positie om tegen uitgeverijen te zeggen: dit moet je lezen. Gelukkig gaan redacteuren van uitgeverijen het lezen. Die boeken komen er.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.