Het was een bijna achteloos maar veelzeggend zinnetje, aan het eind van de persconferentie waarmee informateur Mariëtte Hamer van de week haar eindrapport presenteerde. Alleen wie de moeite nam de hele rit uit te zitten is het misschien opgevallen, voorbij de gemeenplaatsen over de ‘complexe politieke situatie’, het ‘inhoudelijke deel van de opdracht’ en het vertrouwen dat er ‘uiteindelijk een kabinet komt’.

Op de vraag van één van de Haagse verslaggevers in hoeverre de vertrouwenscrisis rond VVD-leider Rutte nog een rol speelde, antwoordde Hamer: ‘Mijn indruk is dat dat uiteindelijk een beetje is weggeëbd, en dat het nu veel meer gaat om de vraag: met hoeveel, met wie, de combinatie, dat het eigenlijk meer tussen de partijen is komen te liggen dan zeg maar al die partijen tegen de heer Rutte.’

Mijn indruk is dat de vertrouwenscrisis uiteindelijk een beetje is weggeëbd, terwijl Hamer die woorden uitsprak zal ik niet de enige geweest zijn die meteen moest denken aan de massieve publieke woede die Mark Rutte in het voorjaar over zich heen kreeg toen uitlekte dat hij gepraat zou hebben over een ‘functie elders’ voor de overspannen volksheld Pieter Omtzigt, aan de motie van afkeuring die tijdens het Kamerdebat op 2 april niet alleen door de voltallige oppositie maar ook door de coalitiepartners D66, CDA en ChristenUnie werd gesteund, aan de stelligheid waarmee zowel D66-leider Sigrid Kaag (‘hier scheiden onze wegen’) als ChristenUnie-voorman Gert-Jan Segers (‘Wij kunnen geen deel uitmaken van een vierde kabinet-Rutte’) toekomstige samenwerking met Mark Rutte uitsloot, aan de golf van commentaren in de media waarin werd verklaard dat het tijdperk Rutte nu toch echt aan zijn einde was gekomen.

Zo gebeurde precies wat Rutte al eerder voor ogen moet hebben gehad.

Deze week, nog geen drie maanden later, stemde dezelfde Tweede Kamer met een grote meerderheid in met het voorstel van Hamer om de VVD en D66 een concept-regeerakkoord te laten schrijven, waardoor Rutte alsnog de regie over de formatie in handen krijgt. En hebben de partijen die in april nog bezwoeren nooit meer met Rutte als premier te zullen samenwerken, een voor een verklaard toch weer mogelijkheden te zien: de PvdA en GroenLinks als ze samen mee mogen doen, het CDA als de PvdA en GroenLinks níet samen meedoen, D66 als de ChristenUnie niet meedoet, maar ook dan misschien toch wel, en de ChristenUnie als meedoen ‘gewenst’ is en als de partij nodig is voor een meerderheid.

Zo gebeurde precies wat Rutte al voor ogen moet hebben gehad toen hij na afloop van het roerige debat op 2 april verklaarde dat hij ‘geen moment’ aan aftreden had gedacht.

Precies die uitspraak, en het totale gebrek aan inkeer en berouw dat Rutte daarmee etaleerde, bracht Gert-Jan Segers uitgerekend op Stille Zaterdag tot de plechtige belofte dat zijn partij nooit zou toetreden tot een nieuw kabinet-Rutte. Maar inmiddels is zelfs de ChristenUnie-voorman door de pomp gegaan.

De grote vraag is natuurlijk: hoe heeft Mark Rutte, de grote overlevingskunstenaar, dat nu weer geflikt?

Het antwoord ligt niet alleen besloten in de eindeloze gesprekken die de oude rot Herman Tjeenk Willink voerde om het wantrouwen weg te masseren, en in de daarop volgende reeks oeverloze sessies onder leiding van Mariëtte Hamer die de partijen met elkaar over de inhoud liet praten, en niet alleen in het gesloten front van de VVD’ers die uit angst voor de leegte na Rutte als één man achter de leider bleven staan, en zelfs niet in de neiging van het grote publiek om hetzelfde verhaal over de vertrouwenscrisis niet keer op keer te willen horen en op zeker moment, moe van het Haagse gekrakeel, alleen nog maar te willen denken aan de zomervakantie, en we horen wel wanneer ze eruit zijn, maar ook en vooral in het karakter van Mark Rutte zelf.

In dit land zijn we uiteindelijk zo op consensus gesteld dat als het erop aankomt alle principes wegsmelten.

Want waar vind je een premier die als vrijwel de gehele natie en vrijwel de gehele Kamer zich tegen hem keren, doodgemoedereerd doorgaat, en er geen minuut minder om slaapt? Die weet dat hij halve waarheden heeft gesproken, maar daar zo weinig moeite mee heeft dat hij ‘zelfreflectie’ belooft en vervolgens vrolijk voortstapt op dezelfde weg?

Die na tien jaar regeren verantwoordelijk is voor kolossale woningnood, verdubbeling van de dakloosheid, de grootste vermogensongelijkheid in Europa, eindeloze wachtlijsten in de jeugdzorg én de toeslagenaffaire die de levens van tienduizenden gezinnen de vernieling in heeft geholpen, en vervolgens onbekommerd verklaart dat hij er álles aan gaat doen om Nederland uit de crisis te leiden? En die stralend en alsof er niets is gebeurd de opdracht van de Kamer aanvaardt om het ‘voortouw’ te nemen en, naar het advies van Hamer, ‘een zekere mate van vrolijkheid’ terug te brengen in de formatie?

Misschien is dat wel de conclusie: in dit land zijn we uiteindelijk zo op consensus gesteld dat als het erop aankomt alle principes wegsmelten, want het leven gaat door en het land moet toch worden geregeerd. En de man die dat als geen ander weet is Mark Rutte.