Groeten uit Rotterdam, thuisstad van Elfie Tromp, waar ze een toeristenbril opzet en met een kater wakker wordt. Nee, dat niet meer.

Ik heb een rugzak gepakt met een schone onderbroek en tandenborstel. Vandaag ben ik toerist in eigen stad. Rotterdam, mijn thuisstad, is een trekpleister aan het worden. Sinds we in 2010 door de New York Times als hotspot werden bestempeld, zie ik steeds vaker toeristen door de straten van mijn woonwijk dwalen. Ze kijken zoekend om zich heen, inschattend waar ze terecht zijn gekomen. Soms hebben we oogcontact. Ik ben het kwade vrouwtje in het raamkozijn. Wat hebben jullie hier nou te zoeken, denk ik geïrriteerd. Loop door, hier valt niks te zien. Ik herinner me de naïeve frisheid die ik vroeger zelf als backpacker had. Je hebt meer tijd om stil te staan bij details en je daardoor te laten raken. Ongekleurd door voorgeschiedenis kun je de wereld tot je nemen. Ik ben jaloers op die onbevangenheid. Zou ik dat zelf nog kunnen voelen in mijn stad? Of verzuip ik, vanuit mijn ivoren toren op de eerste etage, uiteindelijk in mijn eigen cynisme terwijl mijn stad langzaam in een themapark verandert?

Ik loop het groene Blijdorp uit. Pik wat brochures op bij de VVV. Kijk omhoog in de stationshal en probeer de trots op te roepen die ik voelde toen ik het hoge schuine dak voor het eerst zag. De lange projectieschermen met havenbeelden. Er komt niks. Een dikke jongen zingt Adèle op de NS-piano. Dat vind ik zoet. Bedachtzaam loop ik langs de Westersingel. Probeer de moderne kunst die er in en rond het water staat opnieuw te zien. Ook niks. Kabouter Buttplugs bronzen voet licht goud op door alle kontjes van poserende selfiemakers. Bij het stoplicht op Westblaak kijk ik naar Anita van David Bade. Ze is opnieuw geschilderd. Fris in de kleur is ze een soort popart-tumorcluster. Naar, heftig en lekker tegelijk. Het enige voordeel van een bombardement: elke opening van een herbouwde straat werd gevierd met een kunstwerk. Mooi of niet, er is geen stad in de wereld met zoveel kunst in de buitenruimte als Rotterdam.

Ik heb een bed geboekt in het pastelkleurige King Kong-hostel op de Witte de Withstraat. Vroeger kon je hier alleen terecht voor speed en steekpartijen, nu heeft het de grootste hoeveelheid artisanale biohamburgers op de vierkante meter. Ik kom er graag, het bruist er, er zijn veel gekke galeries en winkels. Toch voelt de straat steeds vaker als een fuik; als je er eenmaal bent, kom je er niet snel meer uit. De drukte varieert van gezellig tot benauwend. Het miezert als ik incheck. Heerlijk Hollands weer. Ik ga op het onderste bed van een hoogslaper liggen. Wacht tot ik over mijn grootste golf mensenangst heen ben. Want de backpacker moet sociaal zijn wil hij het leuk hebben. Aanhaken, prent ik mezelf in. Aanhaken en je laten meevoeren.

Temidden van Ikea-schapenvelletjes en grote kussens hangt een groepje naar een zombiefilm te kijken.

‘Hi guys,’ zeg ik. ‘Having fun?’ Een Schots meisje kijkt verveeld op van haar telefoon. Haar vriendin blijft in foetushouding doorslapen. Een Amerikaanse hordeloper mompelt gedag en een Australiër met een wenkbrauwpiercing gooit me de afstandsbediening toe als ik bij ze kom zitten. Ik vraag ze wat ze van de stad vinden. ‘It’s nice,’ zegt het Schotse meisje met weinig overtuigingskracht. ‘Big buildings.’ Ze zijn op een cultuurreisje, legt ze lijzig uit. Ze studeren illustratie. ‘Great people,’ voegt de Australiër toe. ‘The Dutch are amazing.’ Hij houdt me zijn zak chips voor. ‘Paprika,’ zegt hij. ‘Wij noemen die smaak anders.’ ‘Gaan jullie nog iets doen?’ vraag ik voorzichtig.

De hordeloper mompelt dat hij morgen een record gaat verbreken. De meisjes gaan naar een kunstopening in V11. Ik mag mee. Ook de Australiër laat de zombies voor wat ze zijn. Even later staan we op een rijtje te kijken naar gigantische geprojecteerde beelden van naakte bodybuilders. Biceps, gewaxte billen en balzakken torenen boven ons uit. Ongemakkelijk. Ik trakteer op bier, want ik weet: dat is de kortste weg naar vriendschap. De meisjes slaan af, worstelen nog met een kater van de vorige dag, maar de Australiër proost enthousiast met me. ‘Cheers, mate!’ Hij is zo’n onbezorgde natuurzoon, opgegroeid in zonlicht. Toen ik door Australië reisde, kwam ik zijn type om de haverklap tegen. Aardig, enthousiast en honds-egoïstisch als het erop aankwam. Hij heeft Nederlandse roots, vertelt hij me. Twee maanden is hij door ons land getrokken. Groningen, Den Haag, Amsterdam, overal bleef hij een tijdje. Hij moet wel iets hebben doorgrond, een verrassend inzicht hebben opgedaan over Nederlanders. Hij lurkt aan zijn flesje als ik het hem vraag. De harde humor bevalt hem, zegt hij dan. Dat hij met een vreemde vrouw in de tram over de dood kan grappen.

‘Hé, Elfie!’ Roel geeft me een kus. Ik doe mijn best, maar het is moeilijk om me een vreemdeling te wanen als ik om de haverklap herkend word. Gijsbrecht, Non de Jus, ik kom ze allemaal tegen. Kennissen van de stad die mijn experiment onbedoeld verstoren.

Als de backpackers willen gaan eten bij Hotel Bazar, stuur ik bij. Alsjeblieft geen droge gaarkeukenrijst op mijn vrije avond. Ik neem ze mee naar Tai Wu, ofwel: de Tarantino-Chinees. De cultregisseur zou wel raad weten met zo’n decor van gouden prieeltjes en wollige drakenkoppen aan de muur. Binnen lijkt de multiculturele droom uitgekomen: Surinaamse gezinnetjes, slurpende Aziaten en tafels vol brallende studenten; goede pekingeend verbroedert beter dan beleid. Ik trakteer op sake om het gesprek te bevorderen. De Schotse meisjes blijven er wat bleekjes bij zitten. De Australiër wil zijn Nederlands oefenen en probeert te bestellen. De Chinese ober raakt in verwarring en wijst wanhopig naar de plaatjes op de menukaart. De Australiër knikt berustend. Het wordt desert sea bass en dim sum. We hebben het over Australië en ik blijk meer van het land bereisd te hebben dan hij. De red centre, rond de woestijnstad Alice Springs, vond ik het indrukwekkendst. Hij kijkt me glazig aan als ik vertel over de witte zoutvlaktes tussen het rode zand. Hoe die zich in het regenseizoen vullen met water en de visseneitjes uitkomen. Dat de pelikanen van de kust voor die tijdelijke zoutwatermeren komen omgevlogen. Woestijnvis eten.

Als er zoiets is als een Hollandse ziel, dan heeft die de vorm van Kinderdijk.

Typisch hoe het vreemde altijd meer trekt dan het nabije. Zo heb ik pas vorig jaar Kinderdijk bezocht. Ik dacht altijd dat het een oubollige bedoening zou zijn, tot ik er stond. De allereerste hightech had wieken. Ik werd overweldigd door de omvang ervan, de rechtlijnigheid. Ons verlangen om de natuur te onderwerpen, die stugheid. Als er zoiets is als een Hollandse ziel, dan heeft die de vorm van Kinderdijk. We rekenen af. Buiten is het begonnen te waaien en de bomen aan de singel ruisen. Ik besef dat ik niet eens weet wat voor soort bomen hier staan. Ik neem me voor het op te zoeken.

De Schotten slenteren terug naar het hostel en de Australiër begint met een ellenlange uitweiding over trancemuziek. Als Biefstuk me belt, neem ik op. Als er één local is die je mag hopen te ontmoeten als toerist, dan is het Biefstuk wel. Ze dankt haar bijnaam aan haar jarenlange job in een slagerij. Ze is overdetop Hollands: blond, dikke tieten, grof en luid. Ze voegt zich bij ons en ja, het zwaartepunt van de avond verdwijnt ergens in haar decolleté.

Ik leg Biefstuk mijn plan uit. We moeten doen alsof we niet weten waar het feest is, maar de Australiër kijkt inmiddels verwachtingsvol naar ons. Bier dan maar. Eerst in de Tikibar. De Australiër zit binnen de kortste keren crustpunks hoofdmassages te geven op het terras.

We proosten. Bestellen bier. Ik boer. Biefstuk lacht. We rollen verder de Witte de With op. Worden uitgescholden door een Kaapverdische tienermoeder omdat we niet snel genoeg opzij gaan voor haar kinderwagen. ‘Kankertoeristen,’ roept ze. ‘Lekker voorbeeld,’ zeg ik. Een kleurige stroom scheldwoorden volgt. Ook dat is Rotterdam.

Zoals dat gaat op avonden met Biefstuk hebben we binnen de kortste keer een hele trits jongens in ons kielzog die ons volgen naar Hoboken, Bar, Annabel. De laatste uren van de nacht gaan door de shredder. Wat overblijft zijn flarden, kreten, ontwijkingen, geproost. En zoals altijd is het pas genoeg als de zon op komt. Met één oog dicht wankel ik terug naar het hostel. De Australiër zijn we halverwege kwijtgeraakt.

Drie uur later word ik met een bibberend katerhart wakker. Ik kan niet meer slapen. Opstaan, denk ik moedig. Kom op. Er is een architectuurfestival gaande, las ik in een brochure. Lakens inleveren, rugzakje op. Ik loop richting de Hoogstraat, maar kom niet verder dan de Markthal, die heerlijk decadente architectonische vreetkoepel. Klam zweet druipt onder mijn bh vandaan. Ik ruik de weezoete geur van churros. Mijn maag komt in opstand. Naast een geurende afvalbak, tussen de koerende stadsduiven, kletst mijn kots op de tegels. Ik moet toegeven dat mijn experiment is mislukt. Ik ben een toerist van niks. In Rotterdam kan ik niets anders zijn dan mijzelf. Teleurstellend voorspelbaar. Ik ril wat na en houd het voor gezien. Ik ga naar huis. Slapen.

Elfie Tromp is schrijver en columnist. Voor haar roman ‘Underdog’ backpackte ze door Australië.