Op de tentoonstelling ‘Goede Hoop’ in het Rijksmuseum over vierhonderd jaar Nederland en Zuid-Afrika, zijn twee zalen gewijd aan de achttiende eeuwse, verlichte ontdekkingsreiziger Robert Jacob Gordon. Had zijn mentaliteit maar meer geschiedenis gemaakt.
In het het huis dat ooit bewoond werd door de raadspensionaris Johan van Oldenbarnevelt aan de Kneuterdijk in Den Haag had in het jaar 1774 een gesprek plaats tussen de Franse filosoof Denis Diderot en een even avontuurlijke als geleerde jonge Gelderlander van Schotse afkomst: Robert Jacob Gordon. Ze waren de gast van de Russische ambassadeur prins Dimitri Gallitzin en zijn vrouw Amalia. Gallitzin was eerder in Parijs aangesteld en was bevriend geraakt met Voltaire, Buffon, Diderot en andere filosofen van de Verlichting.
Via Den Haag was Diderot op de terugweg van zijn bijna zeven maanden durende Russische avontuur als gast van Catharina de Grote, Gordon had net zijn eerste, achttien maanden durende ontdekkingsreis via Kaap de Goede Hoop diep in Zuid-Afrika achter de rug. Hij had daar kennisgemaakt met de oorspronkelijke bewoners, de Bosjesmannen, de Kaffers en wat toen nog Hottentotten heetten (en nu Khoikhoi). De gesprekken met Diderot gingen over taalkundige en antropologisch onderwerpen want Diderot had zich nog maar kort geleden verdiept in Le voyage autour du monde van Bougainville. Hij had daar zijn Supplément au voyage de Bougainville over geschreven, een commentaar in de vorm van een filosofische dialoog. Diderot was benieuwd of Gordon op zijn reis wat meer te weten was gekomen over iets waarover al een eeuw werd gespeculeerd: het zogenaamde ‘hottentotschortje’ bij vrouwen. Was dit inderdaad iets dat van de buik naar beneden hing en het geslachtsdeel bedekte? Gordon was op goede voet met de Hottentotten komen te staan. Hij kon Diderot verzekeren dat het niet om een soort schort ging, maar om langgerekte schaamlippen.
Uit wat Diderot over zijn gesprek met Gordon in zijn Voyage en Hollande schrijft is meteen duidelijk dat hier verlichte geesten aan het woord zijn die het liefst nadenken op basis van zo concreet mogelijke gegevens. Het ging in de kennisverwerving om waarnemingen, om concrete, intrigerende verschijnselen, om bijzonderheden, om verschillen die de rijkdom en de afwisseling van het leven aantoonden. Robert Jacob Gordon (1743-1795) is in Goede Hoop, de tentoonstelling over vierhonderd jaar Nederland- Zuid-Afrika, een apart hoofdstuk omdat hij de ontdekkende geest van de Verlichting vertegenwoordigt die in de geschiedenis van het land zeldzaam is gebleken. In zijn honger naar kennis was hij geograaf, botanist, zoöloog, geoloog, linguïst, antropoloog en meteoroloog. Hij legde alles wat hij zag vast in tekeningen, landkaarten, uitvoerige brieven en gedetailleerde dagboeken. Zijn brieven schreef hij aan Hendrik Fagel, de griffier van de Staten van Holland, de belangrijke ambtenaar van de Republiek en de tweede man onder stadhouder Willem V.
Dit alles heeft zich lang in archieven schuil gehouden, maar de laatste dertig jaar zijn de gedocumenteerde reizen van Gordon ontdekt en is het materiaal voor een deel door het Rijksmuseum verworven onder de naam ‘Atlas Gordon’. En het is herkend als materiaal dat een andere exploratie van Zuid-Afrika laat zien dan die van de kolonisten. Dit was niet het confisceren van land zoals in de zeventiende eeuw gebeurde in de geest van Jan van Riebeeck. Gordons mentaliteit was ook een heel andere dan die van de schietgrage trekboeren in de achttiende eeuw, waar hij mee werd geconfronteerd op zijn reizen.
Gordon had in Harderwijk gestudeerd, maar was ook opgeleid als militair. In de hoedanigheid van kapitein ging hij in 1779 naar Kaap de Goede Hoop om de commandant van het garnizoen van de VOC op te volgen. Gordon moet een dubbel mandaat hebben gehad, wellicht rechtstreeks afkomstig van de stadhouder Willem V, die hoofd was van de VOC. Er bestaan geen bronnen over, maar het heeft er alle schijn van dat Gordon ook als taak had een flink deel van Zuidelijk Afrika geografisch, zoölogisch, botanisch en anderszins in kaart te brengen. Alles wat hij vanuit Zuid-Afrika aan kaarten, tekeningen en verslagen naar Fagel stuurde was in feite voor Willem bestemd. Aan hem was hij in alle opzichten trouw. Afgezien van veel van de 450 schitterende tekeningen van dieren, planten en landschappen is zijn meters grote kaart van het door hem bereisde gebied op de tentoonstelling te zien.
De expedities van Gordon hadden plaats met paarden en met door twaalf ossen getrokken karren. Het ging over nauwelijks begaanbare wegen, door uitgestrekte vlaktes, door wildernis en grillige bergen. Ze werden geconfronteerd met noodweer, droogte, wilde dieren, smerig water en ziektes. Gordon deed er nauwgezet en in een goed leesbaar handschrift verslag van. Exotische dieren moesten worden gedood, maar daarna werden ze opgemeten, vereeuwigd en de beschrijving opgestuurd naar iemand die Gordon al vanaf zijn zeventiende jaar kende: Nicolas Sébastien Allamand, de directeur van het Leids Cabinet van Natuurlijke Historie, tevens bewerker voor Nederland van een van de belangrijkste boekwerken van de achttiende eeuw, Buffons zesendertigdelige Histoire Naturelle. Daar zouden twintig door Gordon waargenomen en beschreven dieren in worden opgenomen. Dat was een vertrouwd werk voor Gordon. Hij kon er uit zijn hoofd uit citeren. Hoe nauwgezet hij te werk ging zie je aan zijn beknopte beschrijving van de Springbok. Hij noteerde niet alleen de lengte van de staart, maar ook de lengte van ‘het kwastje van de staart’. Ook weten we nu hoe de penis van een nijlpaard eruit ziet, in ‘in-en uitgetrokken staat.’ En de ingewanden van het nijlpaard, of de bloem van de giftige Amaryllis.

Al het ongerief tijdens de reis werd voor Gordon gecompenseerd door de wonderen der natuur waarmee hij dagelijkse werd geconfronteerd. Hij legde het vast alsof het materiaal uit het paradijs was. Ook aan zijn ontmoetingen beleefde hij veel plezier. Wanneer zijn antropologenblik niet werd uitgelegd als het Boze Oog wist hij het heel goed te vinden met de Hottentotten, de Kaffers en (iets minder) met de Bosjesmannen. Hij leerde Hottentots (vertaalde en zong een paar van hun liederen voor Diderot). Hij had een zeker charisma en trad geregeld verzoenend op, vooral wanneer er weer eens oorlog was tussen de trekboeren en de inheemse stammen. Het ene stam noemde hij ‘een mooi, aantrekkelijk volk met een vrij, vrolijk voorkomen,’ een andere ‘de vrijste en vrolijkste mensen die ik ooit gezien heb.’ Gordon moest daarentegen niets van de kolonisten hebben. In zijn dagboek schrijft hij: ‘Deze boeren zijn slechte mensen, zonder deugd of menslievendheid, en denken dat het niets is deze mensen dood te schieten. Dit zal mettertijd’, schreef hij met vooruitziende blik, ‘een vreemde natie worden’. Er waren voortdurend geschillen over land en vee. Waneer er eens geen conflicten waren kon hij zich in zijn dagboek laten ontvallen: ‘zynde het hier aller verrukkelykst door deze schone rivier.’
Gordon exploreerde land dat niet eerder door blanken was bezocht. Hij kon rivieren, watervallen, bergen, bossen en baaien als eerste een naam geven. In zijn boek over Gordon Een Nederlander in de wildernis geeft Luc Panhuysen er voorbeelden van. Twee bergen noemde hij Castor en Pollux, een rotspiek Toren van Babel, een rivier Meintjes Fontein, naar een reisgezel. Hij gaf ze ook namen van zijn beschermers en goede vrienden. De belangrijkste rivier was voor stadhouder Willem V en werd de Oranjerivier. Zijn tweede man kreeg de Griffier Fagel Fontein. Hij verzekerde Fagel ‘dat U nooyt lekkerder water dan als uit Fagels Fontein gedronken heb.’ Veel van de toen gegeven namen hebben een naïef-letterlijke poëtische klank, alsof ze door kinderen gegeven zijn. Voor waterbronen: Dorstige Kuil en Kleine Brakfontein. Maar ook: Tafelbaai (bij een platte berg), Valsbaai (die geen baai lijkt) en Robbeneiland (vanwege de robben die er zwemmen). De plaats waar Gordon een witte kraai neerschoot kreeg de naam Fraaye schoot. Een lieflijke glooiing van een berg kreeg de naam van zijn vrouw Suzanna Nicolet: het Suzannadal.
Tot de wapenfeiten van Gordons expedities behoort de vangst op zijn vierde reis van een giraffe, een dier dat in die tijd nagenoeg onbekend was en door zijn lange nek tot de fabeldieren werd gerekend. Op de tentoonstelling staat het giraffe-skelet dat Gordon naar het zoölogisch kabinet van Willem V stuurde. Daar bleek hij te groot voor. Het werd in 1795 door de Fransen buitgemaakt en naar het Louvre overgebracht.

Er kwam een dag dat Gordon zijn taak als commandant van het VOC-garnizoen op zich moest nemen en niet meer kon reizen. Zijn huis werd daarna een soort museum en schatkamer met alles wat hij had verzameld. Niet op reis zijnde betekende dat hij tegen zijn zin onderdeel werd van de ‘Kaapse slangenkuil’. Hem werd zijn gunstige reputatie misgund. Ondertussen veranderde de politieke verhoudingen in het thuisland. De Fransen bezetten de Republiek. Willem V moest vluchten naar Engeland. Gordon bleef hem trouw, maar vergeefs. De patriotten nestelden zich ook in Zuid-Afrika. De Engelsen deden alsof ze zijn bondgenoot waren, maar bezetten Kaap de Goede Hoop. Gordon wist niet meer wie hij moest vertrouwen en verwaarloosde zijn taken. Toen hij geen uitweg meer zag pleegde hij zelfmoord.
Robert Jacob Gordon was duidelijk niet geschapen voor de Kaapse slangenkuil. Hij was geschapen voor het verzamelen van kennis over de wonderen der natuur. Maar de niet zachtzinnige kolonisten zouden de geschiedenis van Zuid-Afrika gaan bepalen. Mensen als Gordon, door de Britse admiraal Thomas Paisley ‘een zeer vindingrijk, intelligent, gevoelig en aangenaam iemand’ genoemd, hadden lange tijd het nakijken.
Goede Hoop. Zuid-Afrika en Nederland vanaf 1600 is tot 21 mei in het Rijksmuseum.
Vanaf 23 maart zendt de NTR op NPO 2 de zevendelige serie Goede Hoop uit, gepresenteerd door Hans Goedkoop. De derde aflevering, 6 april, is gewijd aan Robert Jacob Gordon.
Op de door het Rijksmuseum gemaakte website www.robertjacobgordon.nl zijn de brieven, de, dagboeken, de landkaarten en de tekeningen van Robert Jacob Gordon te zien.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.