Op 30 april 1999 vierde de zestienjarige Marianne Vaatstra Koninginnedag met haar vrienden. Ze kwam die nacht niet meer thuis. Haar levenloze lichaam werd de volgende dag gevonden in een weiland vlakbij het Friese Veenklooster. Diverse aanhoudingen en een grootschalig DNA-onderzoek volgden, maar leverden geen verdachte op. Er waren wel veel verdachtmakingen. Omdat de plaats delict in de nabijheid van een asielzoekerscentrum was, werd gewezen naar de bewoners van dat AZC, voornamelijk afkomstig uit Irak en Afghanistan.
De onrust en het geweld richting de asielzoekers leidden tot een bijzonder verzoek aan het Forensisch Laboratorium voor DNA Onderzoek (FLDO) in Leiden. Kon het Lab op basis van DNA-onderzoek een uitspraak doen over de etnische achtergrond van de verdachte? Het idee was dat de rust zou terugkeren als DNA uit zou wijzen dat de verdachte een Nederlandse achtergrond had, zoals de politie vermoedde.
Het probleem was dat de DNA-wetgeving die sinds 1994 van kracht was, voorschreef dat DNA-onderzoek alleen toegepast kon worden om een bekende verdachte te identificeren. DNA was conform die wet een bewijsmiddel en geen opsporingsmiddel.
Een witte man!
In die tijd werkte ik bij het FLDO als junior populatiegeneticus. Hoewel het hoofd van het Lab, Peter de Knijff, zich bewust was van de beperkingen die de wetgeving hem oplegde, ging hij toch op de vraag van de politie in. Zodoende werd in juni een profiel van de onbekende verdachte bekendgemaakt. Op basis van onderzoek op het Y-chromosoom, het mannelijk sekse chromosoom, werd geconcludeerd dat zijn profiel niet voorkwam in het Midden-Oosten, maar zeer veelvuldig in Noordwest-Europa en Nederland. Dit gegeven werd door politie en media onmiddellijk vertaald naar: verdachte is een witte man!
Opmerkelijk genoeg vond de toenmalige minister van Justitie dat ook ‘het ras’ van de onbekende verdachte met behulp van DNA bepaald moest worden.
Een zeer voorbarige conclusie, want de geschiedenis van de slavernij en in het bijzonder het feit dat veel witte mannen kinderen hebben gemaakt met tot slaaf gemaakte vrouwen heeft als gevolg dat er heel wat zwarte mannen rondlopen met een West-Europees Y-chromosoom, omdat dit steeds van vader op zoon is doorgegeven. Maar belangrijker is het feit dat precies dit onderzoek de weg heeft geopend voor de introductie van biologisch ras.
Het is goed om ons te realiseren dat er in juni 2000 ook iets belangwekkends gebeurde in de VS. In het Witte Huis, om precies te zijn. Daar werd, zoals ik vorige maand schreef, opgelucht ademgehaald bij de presentatie van de genetische kaart van de mens. Opgelucht, omdat de genetica wederom de biologische basis onder het begrip ras vandaan had gehaald. Genetisch lijken we als mensen te veel op elkaar. In diezelfde maand dat de genetische kaart werd gepresenteerd die te boek staat als een monument voor de gelijkheid tussen mensen, werd in Nederland de eerste stap gezet om biologisch ras op basis van DNA in onze wetgeving te introduceren.
Het uiterlijk van een groep
Het Y-chromosomale profiel werd natuurlijk onrechtmatig bevonden en formeel uit de zaak Vaatstra gehouden. Maar de mogelijkheid van dit onderzoek leidde in mei 2003 wel tot een nieuwe DNA-wetgeving. Die wetgeving maakt het nu mogelijk om op basis van DNA-sporen onderzoek te doen naar de uiterlijk waarneembare kenmerken van een onbekende verdachte. Opmerkelijk genoeg vond de toenmalige minister van Justitie dat ook ‘het ras’ van de onbekende verdachte met behulp van DNA bepaald moest worden.
Terwijl genetici bezwaar maakten omdat de genetica geen ras kent en ze liever het begrip ‘populatie’ in de wet hadden gezien, streefde de minister naar consistentie. Omdat de wet, in het bijzonder Artikel 1 van onze grondwet, het begrip ‘ras’ gebruikt om discriminatie tegen te gaan, werd dat begrip door de minister omarmd om de identiteit van een onbekende verdachte te bepalen.
Dit betekent dat een categorie in de wet die bedoeld is om burgers tegen racisme te beschermen, op deze manier gemobiliseerd werd om hele groepen onschuldige burgers te incrimineren. Want het uiterlijk van de verdachte wordt beschreven als het uiterlijk van een groep waar de verdachte bij hoort. Omdat dit op wetenschappelijke basis gebeurt, namelijk DNA, wordt ras hier weer van een biologische basis voorzien.
De consistentie die in de wet wordt nagestreefd, breekt met de consensus in de wetenschap over ras. Een consensus die teruggaat tot 1951. De Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur UNESCO publiceerde toen een richtinggevend document over de ontbrekende wetenschappelijke basis van raciale verschillen. In de nasleep van de Tweede Wereldoorlog en de Shoa werd in dit Statement on Race geconcludeerd dat er wetenschappelijk geen eenduidige verschillen tussen groepen mensen waar te nemen zijn en dat het daarom verstandiger is om het statistische begrip ‘populatie’ te gebruiken.
Later heeft de genetica ook aangetoond dat de verschillen binnen bevolkingsgroepen groter zijn dan de verschillen tussen groepen. Anders gezegd: afhankelijk van het biologische verschil dat je onderzoekt, kan de grens tussen groepen steeds anders worden getrokken. Er zijn biologische verschillen en die doen er vaak toe, maar het afbakenen van groepen mensen op basis daarvan is willekeur. Als biologische wezens vallen wij mensen niet in natuurlijke hokjes.
Niet zomaar een woord
De Nederlandse wetgever legde de conclusie van UNESCO naast zich neer en maakte biologisch ras niet alleen tot een relevante, maar ook tot een kenbare categorie. De wet schreef voor dat het ras genetisch bepaald moest worden.
Zo bezien wordt biologisch ras niet zozeer door de wetenschap, maar door de wet geproduceerd.
Het probleem is dat ras niet zomaar een woord is. Het is een begrip dat virulent en vruchtbaar is.
Wie erop let, zal zien dat ook in de samenleving het begrip ‘ras’ steeds vaker wordt gebruikt en steeds vaker als een categorie die iets zegt over het uiterlijk. De huidige minister van Justitie en Veiligheid bijvoorbeeld draaide zich in bochten om te beargumenteren dat zijn departement niet van plan was het ras van aanvragers van een wapenvergunning te registreren. De controverse ging over etnisch profileren en niet zo zeer over vraag wat ras nu eigenlijk is. Alsof het woord vanzelf spreekt.
Het probleem is dat ras niet zomaar een woord is. Het is een begrip dat virulent en vruchtbaar is. Het slaat om zich heen en is dwingend op zoek naar concretisering. Dit is kenmerkend voor de geschiedenis ervan, bibliotheken vol zijn er geschreven naar aanleiding van onderzoek dat het probeerde te vangen. Kilometers collecties zijn verzameld, van schedels, haar en foto’s tot huid op sterk water. Er zou en moest een manier zijn om de grote diversiteit onder mensen raciaal te classificeren, om mensen in vermeend natuurlijke hokjes te plaatsen.
Precies hier zie ik het gevaar voor het forensisch onderzoek. Terwijl de genetica statistische antwoorden biedt over geografische afstamming, moeten die uitspraken vertaald worden naar concrete groepen mensen waarbinnen de verdachte gezocht moet worden.
In die vertaling worden wij als burgers of experts aan het werk gezet om het begrip ras concreet te maken en in te vullen. Zo lijkt niet de wetenschap maar de wet biologisch ras te produceren, en wij als burgers worden daar deel van gemaakt.
Het is daarom tijd dat ‘ras’ uit de wet wordt gehaald. Niet om het te taboeïseren, maar om het niet als vanzelfsprekend aan te nemen en altijd kritisch te bevragen. Ras is een woord waar we zenuwachtig over moeten zijn en blijven.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.