Terwijl Piet Hein Donner deze week het eindrapport van zijn Adviescommissie Toeslagen presenteerde en de ergernis onder aanwezige journalisten over zijn onnavolgbare taalgebruik begon te groeien – de prominente oud-CDA-minister slaagde er weer eens in geen enkele vraag van een bondig en begrijpelijk antwoord te voorzien – moest ik onwillekeurig denken aan een artikel dat ik ooit met Max van Weezel schreef.

Het ging over de rivaliteit tijdens de laatste kabinetten-Balkenende tussen genoemde Piet Hein Donner en zijn partijgenoot Ernst Hirsch Ballin, een titanenstrijd die uiteindelijk in 2012 werd beslist toen niet Hirsch Ballin maar Donner werd gekozen tot vicevoorzitter van de Raad van State. En dat laatste gegeven, bedacht ik opeens, was bij de presentatie van het toeslagenrapport weer hoogst actueel.

Want daags tevoren had Follow the Money in een scherp onderzoeksartikel van Jan-Hein Strop niet alleen aangetoond dat toenmalig bewindslieden Lodewijk Asscher en Eric Wiebes al in 2014 moeten hebben geweten van de ellende rond de toeslagen, maar ook dat de Raad van State een bedenkelijke rol in de toeslagenaffaire heeft gespeeld. En dat onder het vicevoorzitterschap van – u raadt het al – Piet Hein Donner, uitgerekend de man die nu een onafhankelijk oordeel over de kwestie moet vellen.

malicieuze cirkelredenering

Toen al leidde de fraudejacht tot ellendige problemen. Volgens het door de Belastingdienst gevoerde beleid dienden ouders die bij de aanvraag van de kinderopvangtoeslag ook maar het geringste foutje hadden gemaakt, vrijwel het gehele bedrag in één keer terug te betalen. Een onmogelijke opgave, zeker voor mensen met lagere inkomens, die daardoor massaal in de zware schulden belandden, vaak zelfs zonder te weten wat ze hadden misdaan. Bezorgde ambtenaren van de Belastingdienst trokken al in 2014 aan de bel bij de toenmalige politieke top, maar werden straal genegeerd.

Het was een onmogelijke opgave, zeker voor mensen met lagere inkomens, die daardoor massaal in de zware schulden belandden.

En de honderden gedupeerden die zaken aanspanden tegen de hardvochtige behandeling door de Belastingdienst werden stelselmatig in het ongelijk gesteld door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Onder het vicevoorzitterschap van Piet Hein Donner werd telkens hetzelfde argument opgevoerd: de wet is de wet. En zo kon de ambtelijke en politieke top op de ministeries van Financiën en Sociale Zaken jarenlang naar de Raad van State verwijzen: een malicieuze cirkelredenering, die duizenden wanhopige mensen de armoede indreef.

Aan die ellendige praktijk kwam pas een einde toen dezelfde Raad van State in oktober 2019 – inmiddels onder het voorzitterschap van oud-D66-minister Thom de Graaf – oordeelde dat in zulke gevallen meer rekening gehouden moest worden met de individuele situatie van de gedupeerde ouders. Kortom: het was wel degelijk mogelijk de wet ruimer en menselijker te interpreteren dan al die jaren door achtereenvolgende bewindslieden en topambtenaren met steun van de Raad van State was volgehouden.

misdadig hardvochtig beleid

Van de week betoogde advocate Ellen Pasman volkomen terecht in de Volkskrant dat de Commissie Donner ‘over het hoofd had gezien’ dat ook de Raad van State in de toeslagenaffaire ‘steken had laten vallen.’ En dat was nog bijzonder vriendelijk uitgedrukt: Pasman wees erop dat de Raad van State zich weliswaar keer op keer op de wet had beroepen, maar dat nergens in de wet staat dat het gehele bedrag aan uitgekeerde kinderopvangtoeslag dwingend moet worden teruggevorderd.

Met andere woorden: de Raad van State, die wordt geacht de rechtmatigheid van het beleid te toetsen, heeft zich er jarenlang voor laten lenen een misdadig hardvochtig beleid in stand te houden, zonder enig solide argument.

De Raad van State, die de rechtmatigheid van het beleid moet toetsen, heeft zich er juist voor laten lenen een misdadig hardvochtig beleid in stand te houden.

Wie hoopte dat Donner in zijn rapport bij nader inzien kritische noten zou kraken over de rol van de Raad van State, komt inderdaad bedrogen uit. In het rapport wordt er enkel melding van gemaakt dat de Afdeling Bestuursrechtspraak in oktober 2019 ‘terugkwam op eerdere uitspraken waarin gedurende een lange(re) periode een restrictieve uitleg van de genoemde regelgeving werd gehanteerd.’ Daar moeten de gedupeerden het dan mee doen.

Zo valt ook dit eindrapport van de Commissie Donner – net als de eerder verschenen tussenrapportage – te lezen als een behendige poging om de schuld voor de schandelijkste affaire in de naoorlogse geschiedenis zodanig te verdelen dat niemand echt schuldig is, en we weer over kunnen gaan tot de orde van de dag.

omzien in schaamte

Welbeschouwd kan het ook geen verrassing zijn dat Donner in zijn rapport de kool en de geit probeert te sparen. Zoals ook in het VN-artikel over zijn rivaliteit met Hirsch Ballin te lezen valt, liet Donner zich als minister van Justitie en later Sociale Zaken graag gelden als staatsrechtelijk geweten, maar boog hij als het erop aankwam soepel mee met de macht.

Dat bleek ook weer toen hij zich in 2010 inzette voor samenwerking van zijn partij met de PVV in wat het eerste kabinet-Rutte zou worden. Voordien sprak hij graag in ronkende volzinnen over kwesties als de vrijheid voor moslims om hun geloof te belijden en de noodzaak van zuivere staatsrechtelijke verhoudingen. Maar toen de mogelijke gedoogsteun van de PVV zich aandiende, was het Piet Hein Donner die Ad Koppejan en Kathleen Ferrier, de toenmalige ‘dissidenten’ in de CDA-fractie, onder zware druk zette om zich neer te leggen bij de beslissing van het partijcongres over die constructie. Anders konden ze vertrekken. Tot zover het staatsrechtelijk geweten.

En nu levert Donner ons dus dit rapport, waarvan alleen al de titel Omzien in verwondering getuigt van een volstrekt misplaatste ironie, alsof het willens en wetens aangerichte leed van tienduizenden mensen te beschrijven valt onder de noemer: nou nou, het is me wat.

Passender was geweest: omzien in schaamte.