Oliver Sacks is niet meer. Hij werd 82 jaar. Carel Peeters boog zich vorige week nog over deel twee van Sacks’ autobiografie, Onderweg: een onbedoeld vroegtijdig in memoriam.

Als er iemand over wonderlijke patiënten en neurologische aandoeningen heeft geschreven dan is het Oliver Sacks. Maar hij mocht er zelf ook zijn, zo blijkt uit Onderweg, het tweede deel van zijn autobiografie.

Wie in Onderweg voor het eerst iets over het leven van de neuroloog Oliver Sacks te weten komt zal met een lichte verbijstering lezen dat hij als arts en neuroloog lange tijd verslaafd was aan drugs en speciaal aan amfetamine. Ook de tijd dat Sacks een verwoed motorrijder was is niet meteen te rijmen met de rabbijn-achtige verschijning, zoals we Sacks kennen sinds zijn boek De man die zijn vrouw voor een hoed hield (1985). Laat staan dat het gemakkelijk is om je Sacks voor te stellen als bodybuilder, iemand die ’s avonds en in de weekends de Muscle Beach in Venice bij Santa Monica frequenteerde toen hij daar begin jaren zestig in opleiding was tot neuropatholoog. Foto’s van deze gladde, gespierde, brilloze Sacks staan in Onderweg en het is alsof het iemand anders is. Deze stoere Sacks deed ook aan gewichtheffen en probeerde zich te meten met olympische zwaargewichten. Door extra veel hamburgers te eten werd hij 120 kilo zwaar. Hij wilde 240 kilo kunnen ‘trekken’.

Als beginneling bij het gewichtheffen in de Maccabi Club in Londen. Foto: Sacks’ eigen collectie

De toen tachtigjarige Sacks stelt zich de opmerkelijk naïeve vraag waarom de dertigjarige gespierde neuropatholoog in opleiding (die zijn homoseksualiteit verborg) zo doorsloeg bij het gewichtheffen en het gebruiken van drugs. Hij ruïneerde er zijn lichaam mee. Sacks kwam uit een gerenommeerde Engelse familie van artsen en heeft alleen maar goede voorbeelden gekend in zijn ouders en familie (zoals hij eerder beschreef in zijn autobiografie tot zijn veertiende jaar: Oom Wolfraam en mijn chemische jeugd). Hij noemt zich in Californië in die tijd ‘timide, verlegen, onzeker en meegaand’. Hij wilde daarom sterk worden en hoopte dat zijn verlegen karakter daardoor zou verdwijnen. Maar zijn karakter bleef onveranderd. Sacks sloeg niet alleen door als bodybuilder en bodysurfer. Ook als motorrijder. Hij kon in weekends 1500 kilometer afleggen en maandag als een zombie op zijn laboratorium verschijnen, geholpen door de cocktail aan drugs die hij in het weekend had genomen. Hij weet niet hoe hij zijn toestand toen precies moet noemen: ‘Psychotisch? Manisch? Losgeslagen? Euforisch?’

Sacks sloeg niet alleen door als bodybuilder en bodysurfer. Ook als motorrrijder. Hij weet niet hoe hij zijn toestand toen precies moet noemen: ‘Psychotisch? Manisch? Losgeslagen? Euforisch?’

Sacks had in zijn collega Carol Burnett een beschermengel die hem behoedde voor het fatale te veel. Zij zorgde er voor dat hij geleidelijk ophield met dit extravagante gedrag, helemaal voor een arts. Wanneer hij door het gebruik van ‘grote hoeveelheden’ amfetaminen en chloraalhydraat weer eens was gaan hallucineren (beschreven in zijn boek Hallucinaties) deed zij de veelzeggende uitspraak ‘Jij schiet ook overal in door’.

Doorschieten in alles, dat is wat Sacks zijn hele leven heeft gedaan, met gelukkige en ongelukkige gevolgen. In Oom Wolfraam, dat over al de biologische en chemische fascinaties gaat die hij door verschillende wetenschappelijke ooms als jongen opdeed, vertelt hij hoe hij, aangespoord door zijn biologieleraar, enthousiast was geworden voor inktvissen. Met zijn vrienden Jonathan Miller (onder meer beroemd geworden als operaregisseur) en Eric Korn (dichter, bioloog en alleskunner) gingen ze in zee vissen en kwamen thuis met tientallen inktvissen. Sacks wilde dat iedereen in de klas (van St. Paul’s School) een eigen inktvis kreeg om te ontleden. Maar het was een volkomen idioot idee om al die beesten in emmers mee naar Londen te slepen.

Het was de bedoeling van Sacks’ opleiding dat hij wetenschappelijk onderzoeker zou worden. Maar, zoals langzaam tot hem doordrong, hij was geen theoreticus. Hij wilde de neuropathologie en neurochemie combineren en met patiënten werken. Toen hij in Beth Abraham in New York werkte, de kliniek voor chronisch zieken, werd hij geconfronteerd met patiënten met slaapziekte, die zich jarenlang niet hadden verroerd. Hun bewustzijn was stilgezet op het moment dat de ziekte bepaalde delen van het brein had bereikt. Sacks deed altijd iets dat buiten het medisch protocol lag. In dit geval was het het toedienen van L-dopa aan die patiënten. Ze ‘ontwaakten’ en namen weer een menselijke gedaante aan. Daaruit kwam het Ontwaken in verbijstering voort, een boek waarvan Sacks de lange ontstaansgeschiedenis beschrijft als model voor de moeizame manier waarop al zijn boeken tot stand kwamen: meestal eerst in een roes geschreven, maar daarna eindeloos geredigeerd. Daarom verscheen ook Een been om op te staan, zijn boek over het ongeluk waardoor hij een ‘fantoombeen’ kreeg, pas na acht jaar. Sacks was vaak zo onzeker over wat hij schreef dat hij een keer negen verschillende versies inleverde van een artikel over slaapziekte voor The Listener, het weekblad van de BBC.

Ontwaken in verbijstering zorgde voor een standaard in het beschrijven van medische gevallen. Sacks combineerde een klinische blik met een groot talent om het verhaal van een patiënt te vertellen. Dat verhaal bracht de patiënt tot leven, maakte er een mens van en niet alleen een geval. Sacks had dit geleerd van de Russische neuroloog A.R. Luria, schrijver van De geest van de geheugenkunstenaar. Maar ook van zijn jeugdvriend Jonathan Miller. Die was, naast regisseur en documentairemaker, zelf arts en neuroloog. Het was Miller die over hun beider hartstocht voor de wetenschap zei: ‘Onze liefde voor de wetenschap is zuiver literair.’

Sacks en Jonathan Miller op de bank in Londen. Foto: Lowell Handler

Dat was, zoals wel vaker bij Jonathan Miller, goed gezien. ‘Literair’ staat hier voor het terugbrengen en inbedden van een patiënt in het hele bestaan. Sacks is van mening dat neurologische ziekten mensen niet hoeft te isoleren. Na Beth Abraham kwam hij terecht op Afdeling 23 van Bronx State Hospital, een afdeling van het ziekenhuis met onder meer autistische patiënten. Daar probeerde hij de verborgen, en nooit aangeboorde talenten van patiënten naar boven te halen: de een was goed in getallen, de ander in spelletjes, weer een ander in muziek maken. Dit kwam in de plaats van het ‘therapeutisch straffen’ dat gewoonte was in het ziekenhuis om de patiënten in het gareel te houden. Bij de andere doktoren zette Sacks’ manier om patiënten tot leven te wekken kwaad bloed. Er werden leugenachtige praatjes over hem verspreid. Sacks vertrok.

In zijn Californische tijd vroeg Sacks aan een patiënt die nog maar kort te leven had wat ze nog graag zou willen doen. Ze wilde met hem een keer achter op zijn motor door de stad racen. De vrouw werd op de motor gehesen en werd door de in leer gestoken Sacks met hoge snelheid door de stad gereden. Deze actie werd niet op prijs gesteld door de leiding van het ziekenhuis. Sacks werd nog net niet ontslagen.

In zijn Californische tijd vroeg Sacks aan een patiënt die nog maar kort te leven had wat ze nog graag zou willen doen. Ze wilde met hem een keer achter op zijn motor door de stad racen. De vrouw werd op de motor gehesen en werd door de in leer gestoken Sacks met hoge snelheid door de stad gereden.

Uit wat Sacks in Onderweg zo ongedwongen over zichzelf vertelt wordt wel duidelijk dat hij een verwante is van al de patiënten waarmee hij heeft gewerkt. Hij komt al vijftig jaar twee keer per week bij dezelfde psychoanalyticus. Deze verwantschap betekent dat hij niet snel meer verbaasd is, snel vertrouwd is met wonderlijkheden en vreemd gedrag, zoals die van de musicus die door een geleidelijk beschadiging van zijn brein zijn vrouw voor een hoed aanziet. Sacks heeft een soort lotgenoot-empathie voor zijn patiënten.

Door wat hij zelf zijn ‘onverzadigbare en gevaarlijke nieuwsgierigheid’ noemt heeft hij, naast een dieper gaande klinische blik, oog voor vreemd en curieus gedrag. Maar die nieuwsgierigheid heeft ook een ietwat bizarre kant, op de rand van freakish aan. Daardoor hebben zijn gevalsbeschrijvingen soms iets van een negentiende eeuwse freakshow. De eindeloze sessies met John P., de man die zichzelf ‘de grootste touretter ter wereld’ noemt, gingen te ver, duurden te lang. Ze werden door Sacks allemaal op video opgenomen. Dat nam zulke doorschietende vormen aan dat John zich uiteindelijk gebruikt ging voelen. Dat had Sacks niet in de gaten. Sacks heeft zelf veel van een knuffelwaardige idiot savant. Hij switcht springerig van familieherinneringen naar patiënten, van zijn obsessies naar zijn omgang met collega’s. Hij schrijft op dezelfde toon over zijn triomfen, geluk (op zijn zevenenzeventigste verliefd worden op Billy Hayes), ellendige toestanden, zijn conflicten, trivialiteiten, over zijn uitspattingen en falen. Hij is de klinische verhalenverteller die heeft gezien dat in hemzelf ook een verhaal zit.

Onderweg is uitgegeven door De Bezige Bij.