Nog enkele dagen president Obama: een pragmaticus met principes, een practicus die altijd verder kijkt. Zijn toespraken – geselecteerd, gebundeld en vertaald naar het Nederlands – blijven door de combinatie van praktische politiek en menselijke filosofie het lezen waard, schrijft Carel Peeters. En door de lenigheid van de loopjes.

De toespraak die Barack Obama op 15 mei 2016 voor de afgestudeerden van Rutgers University hield kan heel goed dienen als model voor zijn manier van denken. Hij was er goed van doordrongen dat hij voor een gezelschap stond dat belangrijke posities in de maatschappij zou gaan bekleden. Donald Trump deed zich al enige tijd gelden in de aanloop naar de verkiezingen voor het nieuwe presidentschap. Hij moest inmiddels serieus genomen worden tegenover Hillary Clinton. Er was al een flinke verzameling Tweets waarin hij het niet zo nauw nam met de feiten, met als dieptepunt het niet accepteren van het wereldwijde klimaatakkoord van Parijs. De wetenschappelijke onderbouwing daarvan wuifde hij met zijn bekende los zittende rechterhand weg.

Het was nodig dat Obama in het hart van een gerenommeerde universiteit nog eens kwam vertellen dat feiten er wel degelijk toe doen en dat de wetenschap niet maar een mening onder velen is. Obama had het over anti-intellectualisme, en dat de vloed aan informatie waarover we kunnen beschikken er niet toe heeft geleid dat we de waarheid beter zijn gaan zien:

We zoeken naar sites die onze vooroordelen juist versterken. Opinies vermommen zich als feiten.

Er ontstaat een groot probleem ‘wanneer onze leiders openlijke minachting aan de dag leggen voor feiten, wanneer ze niet aangesproken worden op het vertellen van onwaarheden en het verkopen van kletskoek, en de echte experts weggezet worden als elitair.’

Lenigheid

Na dit duidelijk gezegd te hebben was het tijd voor de noodzakelijke nuance. Obama vergat niet te melden dat feiten tegelijkertijd niet heilig zijn, voortdurend onder druk staan van het gezond verstand en van serieuze wetenschappelijke kritiek. Hij deed aan zijn karakteristieke evenwichtskunst toen hij zei niet te beweren dat ‘koele analyse en harde data in het leven uiteindelijk belangrijker zijn dan passie, geloof, liefde of loyaliteit.’ En dat deze minder harde eigenschappen pas goed kunnen opbloeien wanneer ‘onze economie goed functioneert, de staatshuishouding op orde is en ons milieu wordt beschermd.’ De bedoeling is dat we eerder accepteren wat waar is, dan wat goed voelt. Emoties zijn belangrijk, maar alleen op de geëigende momenten.

Opvallend aan de toespraken van Obama (te vinden in De beste toespraken van Barack Obama, gekozen door Lars Duursma) is de lenigheid van zijn zinnen, niet ongelijk aan de soepelheid in zijn manier van lopen en bewegen. Je ziet die lenigheid uitvergroot in zijn toespraak voor Rutgers University omdat hij tegenover studenten een extra flexibele indruk wil maken. Hij spreekt ze in het begin als jongeren toe. Hij creëert een familiaire sfeer om een bodem te leggen voor waar hij op uit wil komen: hen herinneren aan de tijd dat de feiten gekoesterd werden, ten tijde van de Founding Fathers en de Verlichting, de bron van de kennis waarmee ze in hun leven verder moeten.

Er zit veel pragmatisme in Obama’s toespraken en denkbeelden, maar hij heeft duidelijk een ‘missie’ die boven die de dagelijkse politiek uitgaat. Donald Trumps slogan is ‘make America great again’, die van Obama ‘reclaim the American Dream.’ Tussen hun ambitie zit niet veel verschil, maar de een wil een land vol mensen die louter met hun eigen geldzaakjes bezig zijn, de ander wil dat altijd gekeken wordt of er geen onaanvaardbare onrechtvaardigheid tussen mensen ontstaat. Obama begon na zijn studie in 1985 als ‘opbouwwerker’ in Zuid-Chicago. Daar, als onderdeel van het Developing Communities Project (DCP), vond hij zijn calling. Vandaar dat zijn toespraak voor de Democratische Conventie in 2004 (zijn ‘doorbraak’) in het teken van de broederschap stond: hij noemde zichzelf zijn ‘broeders hoeder.’

Elke president wil president voor alle Amerikanen zijn, maar Obama wilde het wel heel sterk.

Die Amerikaanse droom, waar zijn boek De herovering van de Amerikaanse droom over gaat, is bij Obama niet alleen een collectief verlangen. Hij legt voortdurend ook de nadruk op de individuele inzet, de eigen ambitie, de eigen weg. Dat staat enigszins op gespannen voet met het hoeden van je broeder (wanneer jezelf hoeden, wanneer je broeder?), maar dat neemt hij voor lief.

Thuis en geaccepteerd

Obama’s ‘missie’ is bescheiden maar onmiskenbaar. Hij is dan wel in politieke zin een Democraat, zoals zijn tegenstanders Republikein zijn, maar dat is toch vooral iets wat telt in de dagelijkse politiek. Uiteindelijk denkt Obama boven de partijindelingen uit en zoekt naar wat mensen gemeen hebben, samengevat in de kernachtige woorden ‘people are people’.

Dat zegt hij in een gesprek met Ta-Nehisi Coates, de zwarte redacteur van The Atlantic en schrijver van Tussen de wereld en mij, het boek waarin hij zijn ervaringen als hedendaagse zwarte Amerikaan beschrijft. ‘The people’s basic human impulses are the same,’ zegt Obama. Deze boven de menselijke verschillen staande instelling is het gevolg van Obama’s opvoeding als zoon van een zwarte vader en een witte moeder, terwijl hij is opgevoed door zijn witte grootouders. Dat heeft ervoor gezorgd dat hij zo lichtvoetig met allerlei mensen omgaat, en geen last heeft van alles waar ‘gewone’ zwarten in Amerika vaak mee te maken hebben. Hij voelt zich overal thuis en geaccepteerd, tussen zwarten en witten.

Dat wil niet zeggen dat hij niet een speciaal engagement ten opzichte van zwarte Amerikanen heeft. Wel degelijk, zoals bleek in zijn reactie toen een zwarte Amerikaan door de politie was neergeschoten, en uit zijn indrukwekkende toespraak in Charleston nadat iemand daar acht mensen koelbloedig in een kerk had doodgeschoten. Maar hij keert altijd weer terug naar wat hij ‘the sense of common purpose’ noemt:

Het gaat in Amerika nooit om wat voor ons kan worden gedaan. Het gaat om wat door ons samen kan worden gedaan.

‘Amerika’ heeft voor Obama een mythische status. E pluribus unum, uit velen één, betekent echt iets voor hem. De enorme verdeeldheid tussen arm en rijk, tussen Democraten en Republikeinen, hindert zijn ambitie om de (gemeenschappelijke) Amerikaanse droom te heroveren.

Dat zoeken naar wat mensen gemeen hebben, en niet naar wat ze verdeelt, krijgt een bijna metafysische allure als Obama het over hoop heeft. Elke president wil president voor alle Amerikanen zijn, maar Obama wilde het wel heel sterk, met speciale aandacht voor de in verdrukking verkerende middenklasse, wit of zwart. Hoop is een verlangen dat niets voorstelt als het niet gepaard gaat met inspanningen die de hoop inhoud geven. Obama hamert voortdurend op het hebben van een perspectief, iets om naar te streven. Bij anderen klinkt dat gauw hol, maar bij Obama zie je kinderen voor je die gretig over hun studieboek zitten gebogen.

Obama kijkt altijd verder. Niet met ‘blind optimisme’, en niet met passief ‘wensdenken’:

Voor mij is hoop altijd dat koppige gedoe geweest dat in ons zit en ondanks alle bewijzen van het tegendeel vasthoudt aan de overtuiging dat ons iets beters te wachten staat, zolang we maar de moed hebben om te blijven streven, te blijven werken, te blijven vechten.

De beste toespraken van Barack Obama met een voor- en nawoord van Lars Duursman, is uitgegeven door Balans.

Het gesprek van Ta-Nehisi Coates met Barack Obama op 20 december 2016 is te vinden op Atlantic.com