Waarom wordt het krijgen van kinderen in 2016 nog altijd als het ‘natuurlijke’ beschouwd? Terwijl wanneer iedereen zich voortplant, juist het menselijk bestaan in het geding komt.

Ik heb nooit getwijfeld over of ik kinderen wilde: ik wilde ze. Het voelde natuurlijk en het leek me gezellig. Maar sinds ik me een tijdje geleden in het klimaatdebat begon te verdiepen, weet ik het niet meer zo zeker.

Dat het afnemen van de bevolking goed zou zijn voor het milieu is een open deur en wordt vaak weggewuifd (‘flauw’), maar het is een argument dat veel serieuzer genomen zou moeten worden. Tom Mikkers legde het in Het Parool van vorige week goed uit. ‘Ik ben niet tegen kinderen, maar al die kinderen willen eten, autorijden en huizen bouwen. Daarmee leggen ze een enorme druk op de toch al zwaar belaste aarde. En die aarde gaat me aan het hart,’ schrijft hij.

Was het vroeger de kerk die mensen aanmoedigde meer kinderen te krijgen om zo haar positie te versterken, tegenwoordig versterkt bevolkingsgroei eigenlijk alleen de positie van bedrijven. Deze bedrijven willen ons maar wat graag herinneren aan onze natuurlijke voortplantingsdrift en dus wijzen ze er in de media op dat bevolkingsafname leidt tot dalende economische groei, vergrijzing, verwatering van nationale of westerse waarden (‘ja want hun planten zich voort als konijnen’), etc. Dat het krijgen van kinderen anno 2016 nog steeds door veel mensen als hoogste levensdoel wordt beschouwd is dus begrijpelijk, maar je kunt je afvragen of het echt nog steeds het ‘natuurlijke’ is om te doen. Voortplanting wordt zo sterk neergezet als het ultieme doel van het menselijk bestaan dat vergeten wordt dat als iedereen zich maar voortplant, dit menselijk bestaan uiteindelijk in het geding komt.

Is onbezonnenheid niet gewoon iets is wat we de jonge versie van onszelf in retrospectief toedichten wanneer we als volwassene een rotdag met echte problemen gehad hebben?

Vreemd in dit debat is hoe het kind verheerlijkt wordt als per definitie bijzonder, terwijl kind-te-zijn-geweest het enige is wat werkelijk alle volwassenen met elkaar delen: helemaal niet zo bijzonder dus. Bovendien bestaan er, laten we eerlijk zijn, leuke en minder leuke kinderen. Maar wat een kind ook doet, we zien zijn of haar acties als puur, als een uiting van de ‘oorspronkelijke’ mens. Kinderen zouden onschuldig zijn, en, nog ongeloofwaardiger, onbezonnen. We prijzen ze als ze iets onvoorzichtigs, ongeremds doen – want ‘oorspronkelijk’ staat in onze maatschappij (die zich tegelijkertijd op haar maakbaarheid laat voorstaan, dat dan weer wel) gelijk aan ‘goed’. Maar bestaat die ‘onbezonnenheid’ van het kind eigenlijk wel? Is onbezonnenheid niet gewoon iets is wat we de jonge versie van onszelf in retrospectief toedichten wanneer we als volwassene een rotdag met echte problemen gehad hebben? De gedachten waar we als kind door gekweld werden, daar kunnen we ons nu niks meer bij voorstellen. Of we wel of geen vrienden hadden gemaakt op onze eerste schooldag, of we wel of niet genoeg kinderpostzegels verkocht hadden, of we wel of niet bijna jarig waren.

Misschien denk je dat het leven je ongelukkig heeft gemaakt, of de liefde, maar denk na: je was al een tobber als kind.

Misschien dat er kinderen zijn die geen kwellende gedachten hebben, maar ik durf te wedden dat zij ook op latere leeftijd relatief zorgeloos door het leven gaan. Mensen met zorgen willen het kind dat ze waren loszingen van hun volwassenheid om niet toe te hoeven geven dat een groot deel van hun persoonlijkheid al in de kindertijd vastlag. Misschien denk je dat het leven je ongelukkig heeft gemaakt, of de liefde, maar denk na: je was al een tobber als kind.

In ieder geval, Tom Mikkers stelt voor dat we kinderloze mensen wat meer gaan waarderen en daar ben ik het mee eens. Ik gun ouders hun kinderbijslag, maar misschien zou er ook een kinderloosheids-bijslag moeten komen. Daarnaast mag er wat meer op gehamerd worden dat iets minder economische groei nog steeds economische groei is. En mocht ik zelf alsnog ooit een kind krijgen, dan hoop ik dat haar onbezonnenheid voort komt uit het feit dat ze niet in een overbevolkte, vervuilde wereld opgroeit. Verder zal ze hoogstwaarschijnlijk een tobber zijn.