Steeds wanneer de naam Max de Jong valt spits je even je oren. Wat zou er nu weer van hem te voorschijn zijn gekomen? Eindelijk dan zijn dagboek? Een briefwisseling met zijn Beatrice, de vrouw die niet met hem wilde trouwen en voor wie hij ter verwerking van zijn verdriet de 91 kwatrijnen omvattende liefdesbekentenis Heet van de naald schreef? De dichter, essayist, roddelkont, vertaler en intrigant Max de Jong (1917-1951) had een tik van het genie. Een tik, en verder chaos.

Hetintrigerende aan Max de Jong zijn de momenten van flitsende helderziendheid (indie tijd luciditeit genoemd), nu ook weer in de brieven die hij Hans vanStraten schreef in de jaren 1942-1951. Die zijn nu in een particuliere uitgave gepubliceerdonder de titel Ik ben een echt genie,bezorgd en ingeleid door Kathinka Stel (en te koop bij de Athenaeum Boekhandelin Amsterdam). De Jong was een intelligente idioot die niet wist hoe hij eengeregeld leven moest leiden. Hij verhuisde talloze malen, steeds naar eenandere kamer waar hij met hospita’s te maken kreeg die hem op de zenuwenwerkten. Hij vatte het plan op zijn autobiografie te schrijven met als leidraadMijn hospita’s. Hans van Straten(1923-2004) werd journalist bij Het VrijeVolk en daarna bij het UtrechtsNieuwsblad. Hij publiceerde in de reeks Privé Domein een boek metautobiografisch literaire faits-divers Deomgevallen boekenkast (1987) en een biografie over Willem Frederik Hermans(2000). Hij was zes jaar jonger dan De Jong die vijfentwintig was bij de eerstebrief. Over Max de Jong schreef Nico Keuning in 2000 al de biografie Altijd het tinnef om je heen.
In Ik ben een echt genie krijg je eenkijkje in de literaire wereld van de tweede helft van de jaren veertig door deogen van twee jonge mannen die de literatuur en de literaire tijdschriften als dagelijksepolitiek beschouwen. Er waren in die jaren opvallend veel tijdschriften: Het woord, Columbus, Libertinage, Proloog, Braak, Criterium, Vrije Bladen, Podium. De Jong en Van Straten zijn allebei enorme roddelkonten. Zezien alles in termen van literaire macht. Hermans, Hoornik, Morriën, Borgers,Lekkerkerker, Lehmann, Sierksma, Gomperts, Rodenko, Greshoff, Stols, VanOorschot, dat zijn de namen van wie de macht in bijna elke brief wordt getoetsten beoordeeld (‘Wat wordt Hoornik ineens weer machtig?’).

Ook al laat vanStraten zich ook niet onbetuigd, De Jong is de meester in onverwachte bon mots.Hij vindt de stijl van de essayist Fokke Sierksma ‘uitstekend’, schrijft hij –‘toch kun je Ter Braak beter in ’t origineel lezen’. Met Hermans heeft De Jonghet lastig, hij bewondert hem (‘Hermans is toch wel vies bij, flink belezen enzo’), maar in de omgang onmogelijk: ‘dat krijg je als je niet sterk genoegebenen hebt om je eigen luciditeit te dragen’. De Jong was voortdurend in hetgroot en klein aan het polemiseren, had over alles, tot en met de grotepolitiek, een mening. Hij had een grote hekel aan het katholicisme en hadserieuze plannen tot het oprichten van het ACC, het Anti-Clericale Comité. Hijhad er alleen, als ‘arme intellectuele proletariër’ geen geld voor. Hettijdschrift waar De Jong het meeste in publiceerde omdat Van Straten erredacteur van, Columbus, werdgedreven door ‘existentiële hartstocht’, iets wat bij de andere tijdschriftenzou ontbreken. De rivaliteit enmachtshonger tussen de tijdschriften was zo groot dat Fokke Sierksma bij defusie tussen Columbus en Podium sprak van ‘het tijdschrift van deverenigde branies’.

De Jongsdagelijkse existentie werd beheerst door de literatuur en chronisch geldgebrek.Terwijl hij als correcter een baantje heeft bij de Wereldbibliotheek schrijfthij aan Van Straten in 1950: ‘Het aardigste, wat ik tot nog toe gecorrigeerdheb, was Billy Bud van Melville. Verder heb ik een nieuwe broek gekocht en benik aan het sparen voor een jasje. Wanneer gaat je vader nou eindelijk eensdood, zodat ik tenminste van jou kan lenen? Ik ben de laatste tijd erggedeprimeerd, omdat er geen eind aan de woningnood maar integendeel weer oorlogkomt.’
Max de Jongkampt met het feit dat de meeste redacteuren van de tijdschriften hem eenquerulant vinden. Gomperts en Rodenko ‘motten hem niet’ en Hermans doet ‘uit dehoogte’ tegen hem. Dat hij in geen enkele redactie weet te komen heeft volgensVan Straten een eenvoudige verklaring: ‘je bent te eigenwijs’. Ondertussenstelt De Jong aan zichzelf de hoogste eisen. Hij zegt een oorlog te voerentegen de ‘programmatische oppervlakkigheid’. Hij was een egotist, maar hijstelde voor zichzelf wel een lijst van vijftig belangrijke boeken op die hijsystematisch en grondig zou gaan afwerken, van De gebroeders Karamazov tot Faulkners Santuary, van Le Rouge et leNoir tot Proust (‘de hele rij’), van Camus’ L’etranger tot De kleinezielen. Hij vindt: ‘Zolang een mens die niet gelezen heeft, is het snobismeen dwaasheid om over andere boeken te praten.’ Aan zulke voornemens zie je datDe Jong wel wist hoe hij het moest aanpakken. Zijn essays zijn ooit in een kleineoplage uitgegeven. Het wordt tijd voor een officiële herdruk.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.